Parketnummer : 20-001583-23 Uitspraak : 10 maart 2025 TEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv) Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 24 mei 2023, in de strafzaak met parketnummer 03-267101-21 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1988, wonende te [adres 1] . Hoger beroep De verdachte is vrijgesproken van feit 2 en ter zake van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod (feit 1) en witwassen (feit 3) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met aftrek van voorarrest. Tevens heeft de rechtbank het inbeslaggenomen geldbedrag van € 66.000,00 verbeurdverklaard en teruggave aan de rechthebbende gelast van een aantal inbeslaggenomen goederen (telefoons, een simkaart en een geldbedrag van € 460,00). Namens de verdachte is tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in het hoger beroep voor wat betreft het tenlastegelegde onder 2 en het vonnis waarvan beroep zal bevestigen. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Wetboek van Strafvordering (Sv) en bepleit dat dit dientengevolge tot strafvermindering dient te leiden. De verdediging heeft voorts vrijspraak van feit 1 en feit 3 bepleit. Daarnaast is een strafmaatverweer gevoerd en heeft de verdediging verzocht om teruggave van de inbeslaggenomen geldbedragen. Ontvankelijkheid van het hoger beroep De verdachte is door rechtbank Limburg vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 2 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak. Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het vonnis waarvan beroep dat aan het oordeel van het hof is onderworpen. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep - voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank. Tenlastelegging Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging terechtzitting in eerste aanleg -, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, tenlastegelegd dat: 1.hij op/in of omstreeks de periode van 17 tot en met 19 september 2021 in de gemeente Heerlen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad (ongeveer) 5220,3 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en/of (ongeveer) 59,9 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en/of cocaïne(telkens) (een) middel(
- en)als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; 3.hij op of omstreeks 4 oktober 2021 in de gemeente Heerlen, althans in Nederland, een of meerdere voorwerp(en), te weten - een geldbedrag van (ongeveer) € 66.000,-, althans (een) gro(o)t(
- e)geldbedrag(
- en)heeft verworven, voorhanden (heeft) gehad, overgedragen en/of omgezet, en/of van bovenomschreven voorwerp(
- en)gebruik heeft gemaakt, terwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat dit/die voorwerp(
- en)geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig, althans eigen, misdrijf. De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Vrijspraak Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting en op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen niet buiten redelijke twijfel kunnen vaststellen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. Met de verdediging is het hof namelijk van oordeel dat het dossier onvoldoende duidelijkheid verschaft over de vraag of de verdachte het tenlastegelegde onder 1 heeft begaan. Vastgesteld kan worden dat de verdachte op 17 september 2021 in het pand aan [adres 2] , aanwezig is geweest en dat een DNA mengprofiel is aangetroffen op de verpakking van de op 19 september 2021 aangetroffen verdovende middelen. Onduidelijk is gebleven wie er op 19 september 2021 in het pand aanwezig waren. Het hof heeft geen bewijs in het dossier aangetroffen dat de verdachte wetenschap heeft gehad van, dan wel betrokken is geweest bij hetgeen in de woning van [betrokkene] op 19 september 2021 is aangetroffen. Ook is niet vastgesteld dat de verdovende middelen waarop het mengprofiel van verdachte was aangetroffen op 17 september 2021 in de woning aanwezig was toen de verdachte daar was. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat enkel de foto op de telefoon van verdachte waarop drugs zijn weergegeven onvoldoende is om vast te stellen dat de verdachte die drugs op 17 september aanwezig heeft gehad. Aan de hand van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting kan derhalve niet buiten redelijke twijfel worden vastgesteld dat de verdachte in de tenlastegelegde periode, een hoeveelheid verdovende middelen aanwezig heeft gehad. Van het aanwezig hebben van de drugs tenlastegelegd onder feit 1 zal de verdachte dan ook worden vrijgesproken. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op 4 oktober 2021 in de gemeente Heerlen, een voorwerp, te weten - een geldbedrag van ongeveer € 66.000,-, voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, wist dat dit voorwerp geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf. Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. Bewijsmiddelen Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht. Bewijsoverwegingen De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd. Door de raadsman is ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte zal worden vrijgesproken van het onder 3 tenlastegelegde. Daartoe is op gronden zoals verwoord in de pleitnota aangevoerd dat, kort gezegd, de geldbedragen een legale herkomst hebben en dat derhalve van witwassen geen sprake is. Het hof overweegt dienaangaande als volgt. De rechtbank heeft omtrent de bewezenverklaring het navolgende overwogen en beslist (pagina 4 van het vonnis waarvan beroep onder het kopje Bewijsoverwegingen): “Aan de verdachte is ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het witwassen van geld. Voor een veroordeling voor witwassen op grond van artikel 420bis, eerste lid, onder b van het Wetboek van Strafrecht is allereerst vereist dat de verdachte het geld voorhanden heeft gehad. Dat de verdachte de geldbedragen voorhanden heeft gehad, volgt uit zijn eigen verklaring dat het geld deels geleend was, deels bewaard werd voor een ander en dat een klein deel van het geld spaargeld betrof, hetgeen wetenschap van de aanwezigheid van het aangetroffen geldbedrag bij de verdachte impliceert. Om tot een bewezenverklaring van witwassen op grond van artikel 420bis, eerste lid, onder b van het Wetboek van Strafrecht, te komen is verder vereist dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf en dat de verdachte op zijn minst redelijkerwijs moest vermoeden dat het geldbedrag afkomstig was uit enig misdrijf. Dat een onder een verdachte aangetroffen voorwerp `uit enig misdrijf afkomstig is', kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het geld uit enig misdrijf afkomstig is. Het is aan het Openbaar Ministerie bewijs aan te brengen waaruit zodanige feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid. Wanneer de rechter vaststelt dat de feiten en omstandigheden het vermoeden van witwassen rechtvaardigen mag van de verdachte worden verlangd dat hij/zij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. Indien de verdachte een dergelijke verklaring aflegt, dan ligt het vervolgens op de weg van het Openbaar Ministerie om nader onderzoek te doen naar de alternatieve herkomst van de voorwerpen uit de verklaring van verdachte. Alleen als vervolgens uit dit onderzoek blijkt dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de voorwerpen een legale herkomst hebben en dat dus een criminele herkomst de enige aanvaardbare verklaring is, kan het witwassen van die voorwerpen bewezen worden. Met inachtneming van dit juridisch kader overweegt de rechtbank als volgt. In de woning van de verdachte en [medeverdachte] werd in totaal een contant geldbedrag van € 66.460,00 gevonden. Dit geldbedrag werd aangetroffen op ongebruikelijke, maar wel toegankelijke plaatsen in de woning, namelijk € 5.000,00 in het bed van de verdachte, € 10.000,00 in een Cartier tas in de kledingkast en € 51.460,00 verdeeld over meerdere pakketjes in de kledingkast. De verdachte wist volgens zijn eigen verklaring dat dit geld zich in zijn woning bevond. De verdachte heeft in 2018 inkomen uit arbeid gehad en daarna niet meer. Het is een feit van algemene bekendheid dat het voorhanden hebben van grote contante geldbedragen door privépersonen hoogst ongebruikelijk is vanwege het risico van onder meer diefstal, waarbij het geld niet is verzekerd. Voorts is het een feit van algemene bekendheid dat het voorhanden hebben van zoveel contant geld in de woning hoogst ongebruikelijk is in het geval dat geld op legale wijze is verkregen. Het in een kledingkast of onder het matras van het bed bewaren van grote hoeveelheden chartaal geld is daarom zeer ongebruikelijk. Gelet op het voorgaande, bestaat er in de onderhavige zaak een gerechtvaardigd vermoeden dat verdachte zich ten aanzien van het aangetroffen geld schuldig heeft gemaakt aan witwassen. Als gevolg van dit gerechtvaardigd vermoeden mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete en min of meer verifieerbare verklaring geeft omtrent de herkomst van het geld. Deze verklaring mag niet zo onwaarschijnlijk zijn dat daar bij voorbaat aan voorbij kan worden gegaan. De raadsman heeft ter terechtzitting naar voren gebracht dat een bedrag van € 10.000,00 in bewaring werd gehouden voor een vriendin van [medeverdachte] , dat een bedrag van € 5.000,00 door [medeverdachte] geleend was van diezelfde vriendin, dat verdachte een bedrag van € 50.627,00 euro geleend had van een neef en dat het overige bedrag waarschijnlijk eigen aanvulling middels spaargeld en een bruidsschat was. Over de lening van ongeveer € 50.000,00 had de verdachte bij de rechter-commissaris nog verklaard dat er geen schriftelijke leenovereenkomst was en dat hij nog niet wilde zeggen van wie hij dit geld had geleend. Ter terechtzitting, ruim 1,5 jaar later, heeft de raadsman een eenzijdig, door de verdachte opgesteld document met de titel `leenovereenkomst' overgelegd waaruit zou blijken dat de verdachte in januari 2021 een bedrag van 550.000 Marokkaanse dirham heeft geleend van zijn neef. De rechtbank overweegt dat zij de verklaring van de verdachte over de herkomst van de (het hof: het) geldbedrag van € 50.627,00 op voorhand zo hoogst onwaarschijnlijk acht, dat zij aan deze verklaring voorbijgaat. De rechtbank overweegt hiertoe verder als volgt. De verdachte heeft bij de politie niet de naam willen noemen van degene van wie hij dit geld had geleend en de verdachte was daarna ook niet meer bereikbaar voor de politie. Ook heeft de verdachte bij de rechter-commissaris verklaard dat er niets over de lening op papier stond, terwijl de raadsman, ruim anderhalf jaar, ter terechtzitting een eenzijdig opgesteld document met de titel `leenovereenkomst' heeft overgelegd. Dit strookt niet met de verklaring van de verdachte. Daarbij komt dat het `leendocument' alleen was ondertekend door de verdachte. De `leenovereenkomst' is in dit stadium - nog los van het feit dat dit slechts een eenzijdige verklaring is van hemzelf - moeilijk verifieerbaar, nu deze pas voor het eerst ter terechtzitting, ruim 1,5 jaar later, naar voren is gebracht. Bovendien roept deze `overeenkomst' de nodige vragen op. Zo is niet duidelijk geworden hoe de verdachte dit te lenen bedrag dan zou hebben ontvangen (via een bankoverschrijving of contant) en hoe dit geldbedrag van Marokkaanse dirham is omgezet in euro's. Dit alles tezamen maakt dat de rechtbank de door de verdachte gegeven verklaring voor het geldbedrag van € 50.627,00 zo hoogst onwaarschijnlijk en onaannemelijk acht, dat zij deze terzijde schuift. Over de overige verklaring van de verdachte over de herkomst van het geld overweegt de rechtbank als volgt. Ook de verklaring dat een vriendin van [medeverdachte] , [getuige] , een bedrag van € 10.000,00 in bewaring had gegeven aan [medeverdachte] en dat zij een bedrag van € 5.000,00 had geleend aan [medeverdachte] , acht de rechtbank zo onwaarschijnlijk en onaannemelijk dat zij aan deze verklaring voorbijgaat. Reden hiervoor is dat het zeer opmerkelijk en onwaarschijnlijk is dat iemand een dergelijk bedrag contant uitleent of in bewaring geeft zonder dit op papier te zetten en zonder verder afspraken te maken over de terugbetaling van het geleende bedrag. Daarbij komt dat de verklaring van de verdachte niet overeenkomt met de verklaring die [getuige] als getuige heeft afgelegd. Zij heeft immers verklaard dat zij een bedrag van € 15.000,00 in bewaring had gegeven aan [medeverdachte] en zij spreekt in het geheel niet over een lening. Nu de verklaring van de verdachte niet overeenkomt met de verklaring van [getuige] komt de rechtbank dan ook tot de conclusie dat zij de verklaring over het in bewaring nemen en lenen van geld van [getuige] onwaarschijnlijk acht, zodat hieraan voorbij gegaan wordt. Dat een deel van het bedrag eigen spaargeld van de verdachte zou zijn, is verder in het geheel niet onderbouwd of aannemelijk gemaakt, zodat de rechtbank ook aan dit deel van de verklaring van de verdachte voorbijgaat. Nu de verdachte geen enkele aannemelijke, geloofwaardige en verifieerbare verklaring heeft gegeven over de herkomst van de contante geldbedragen, geldt naar het oordeel van de rechtbank met voldoende mate van zekerheid dat een legale herkomst van het aangetroffen geldbedrag kan worden uitgesloten. Dit maakt dat de rechtbank bewezen acht dat deze geldbedragen afkomstig zijn uit enig misdrijf en dat de verdachte hiervan op de hoogte was, zodat hij zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen.” Het hof neemt vorenstaande overwegingen over en maakt deze tot de zijne. Hetgeen door de verdediging in hoger beroep is aangevoerd, alsmede de - niet vertaalde - ‘leenovereenkomst’ die door de verdediging in hoger beroep is overgelegd leiden niet tot een ander oordeel. Het verweer wordt verworpen. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het onder 3 bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als: witwassen. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar. Strafbaarheid van de verdachte Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde. Op te leggen sanctie De raadsman heeft het standpunt herhaald dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Daartoe is aangevoerd, kort gezegd, dat de onder verdachte inbeslaggenomen telefoons, zonder toestemming, volledig zijn uitgelezen en dat daarmee inbreuk op de persoonlijke levenssfeer is gemaakt. Dit dient te leiden tot strafvermindering. Daarnaast heeft de verdediging het hof verzocht om aan de verdachte geen verdere straf op te leggen maar te volstaan met het reeds door de verdachte ondergane voorarrest. Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Het hof stelt allereerst vast dat van een vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv sprake is indien in het voorbereidend onderzoek een strafvorderlijk vormvoorschrift dat ertoe strekt belangen van de verdachte te waarborgen, niet is nageleefd en dat verzuim bovendien onherstelbaar is. Het aannemen van het door de verdediging gestelde verzuim en de aanname dat de verdachte zou zijn getroffen in een belang dat de geschonden norm beschermt, zou betekenen dat de verdachte is geschonden in een belang dat het in artikel 8 EVRM gegarandeerde recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer beoogt te beschermen. Het hof merkt op dat de telefoongegevens niet voor het bewijs zijn gebruikt en dat de foto van de verdachte in een privévliegtuig slechts is getoond aan een medeverdachte bij verhoor door de raadsheercommissaris. Het hof is van oordeel dat het tonen van een foto als de onderhavige niet is aan te merken als een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer en bovendien is het gestelde geleden nadeel niet onderbouwd. Strafvermindering is derhalve niet aan de orde, aangezien niet is gebleken dat de verdachte door het gestelde verzuim in enige mate daadwerkelijk nadeel heeft geleden dat door middel van strafvermindering dient te worden gecompenseerd. Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Meer in het bijzonder overweegt het hof het navolgende. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan witwassen. Daarbij is rekening gehouden met de omstandigheid dat de verdachte door het bewezenverklaarde de integriteit van het financiële en economische verkeer heeft geschonden door een geldbedrag, verkregen uit een misdrijf, aan het zicht van justitie te onttrekken door daaraan een schijnbaar legale herkomst te geven. Ook neemt het hof in aanmerking dat de verdachte kennelijk slechts heeft gehandeld met het oog op persoonlijk financieel gewin. Bij de strafoplegging heeft het hof voorts acht geslagen op het uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 12 december 2024 waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder ter zake van een soortgelijk strafbaar feit onherroepelijk is veroordeeld. Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken. Alles afwegende acht het hof oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden met aftrek van voorarrest passend en geboden. Beslag Het hierna te noemen inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven geldbedrag van € 66.000,00, volgens opgave van de verdachte aan hem toebehorend, is vatbaar voor verbeurdverklaring, nu het een voorwerp is met betrekking tot hetwelk het tenlastegelegde en bewezenverklaarde is begaan. Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte. Het hof zal de teruggave aan de rechthebbende gelasten van de hierna in de beslissing genoemde inbeslaggenomen voorwerpen, te weten een geldbedrag van € 460,00, telefoons en een simkaart. Het belang van strafvordering verzet zich daar niet tegen. Toepasselijke wettelijke voorschriften De beslissing is gegrond op de artikelen 33, 33a, 63 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden. BESLISSING Het hof: verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 tenlastegelegde; vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet in zoverre opnieuw recht: verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij; verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan; verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij; verklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar; veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) maanden; beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht; verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: geldbedrag ter grootte van 66.000 euro (G1450573, deels); gelast de teruggave aan rechthebbende van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: 1. STK GSM (Omschrijving: PL2300-2021147873-G1450542, wit, merk: Apple) 1. STK GSM (Omschrijving: PL2300-2021147873-G1450549, paars, merk: Apple) 1. STK GSM (Omschrijving: PL2300-2021147873-G1450564, zwart, merk: Nokia) 1. STK GSM (Omschrijving: PL2300-2021147873-G1450566, zwart, merk: Apple) 1. STK GSM (Omschrijving: PL2300-2021147873-G1450567, wit, merk: Apple) 1. STK Simkaart van zaktelefoon (Omschrijving: PL2300-2021147873-G1450572, Lebara) 1 STK GSM (Omschrijving: PL2300-2020019780-G1288054, Zwart, merk: Nokia) 445 EUR (Omschrijving: G1450573, deels) 15 EUR (Omschrijving: G1451126). Aldus gewezen door: mr. Y.G.M. Baaijens-van Geloven, voorzitter, mr. O.A.J.M. Lavrijssen en mr. dr. D.V.E.M. van der Wiel-Rammeloo, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. L.C.J.M. Hillebrandt, griffier, en op 10 maart 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.