← Nederland

ECLI:NL:GHSHE:2025:2386

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht Uitspraak : 4 september 2025 Zaaknummer : 200.354.905/01 in de zaak in hoger beroep van: 1 [verzoeker 1] , en 2. [verzoeker 2], verzoekers, beiden wonende te [woonplaats] , hierna te noemen: [verzoeker 1] c.s., advocaat: mr. S.G. Ong te Eindhoven, tegen [verweerder] , voorheen wonende te [woonplaats] , thans zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland of daarbuiten, verweerder, hierna te noemen: [verweerder] , advocaat: mr. M. Goorts. 1Het verloop van de procedure 1.1. Bij verzoekschrift met twee producties, ontvangen op 14 mei 2025, hebben [verzoeker 1] c.s. het hof verzocht een datum te bepalen waarop een voorlopig getuigenverhoor zal plaatsvinden met oproeping van mevrouw [medewerkster van de beheerder] en mevrouw [verzoeker 2] (verzoeker 2) als getuigen. 1.2. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit: - het procesdossier van de gerechtelijke procedure tussen partijen die heeft geleid tot het tussen partijen gewezen vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, van 16 januari 2025 (zaaknummer 10288162 \ Cv EXPL 23-365), ontvangen op 14 mei 2025; - het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in bovengenoemde procedure, ontvangen op 19 juni 2025; - de brief van mr. Goorts van 4 juli 2025 met de mededeling dat [verweerder] zich zal refereren aan het oordeel van het hof over het verzoek van [verzoeker 1] c.s. en dat een mondelinge behandeling van het verzoek geen voorkeur heeft; - het e-mailbericht van mr. Ong van 9 juli 2025, met de mededeling dat een mondelinge behandeling van het verzoek achterwege kan blijven; - het e-mailbericht van het hof aan partijen van 20 augustus 2025, waarin het hof heeft medegedeeld te hebben geconstateerd dat de hoofdzaak niet is aangebracht op de in de appeldagvaarding aangezegde roldatum en [verzoeker 1] c.s. heeft verzocht om een afschrift te verstrekken van een herstelexploot, indien uitgebracht; - het e-mailbericht van mr. Ong van 20 augustus 2025 met als bijlage het op 11 augustus 2025 aan [verweerder] uitgebrachte herstelexploot. 1.3. Het hof heeft daarna een datum voor beschikking bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken. 2Feiten 2.1. Het gaat – kort weergegeven – om het volgende. 2.1.1. [verweerder] heeft in de periode van 28 oktober 2020 tot 1 juni 2022 de gemeubileerde en gestoffeerde woning van [verzoeker 1] c.s. gehuurd. Op grond van de tussen partijen gesloten huurovereenkomst was [de beheerder] B.V. (hierna: [de beheerder] ) de beheerder van de woning. 2.1.2. Op 30 oktober 2020 is in de woning door een medewerkster van [de beheerder] een ‘begininspectierapport’ opgesteld. 2.1.3. [verweerder] heeft de woning half mei 2022 verlaten. Op 25 mei 2022 heeft de eindinspectie van de woning plaatsgevonden. Hiervan is een ‘eindinspectierapport’ opgemaakt. 2.1.4. Tussen partijen is een geschil ontstaan over de wijze waarop [verweerder] de woning na afloop van de huurovereenkomst aan [verzoeker 1] c.s. heeft opgeleverd. 2.1.5. [verzoeker 1] c.s. hebben [verweerder] in rechte betrokken. Zij hebben bij de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant (onder meer) gevorderd [verweerder] te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van € 32.000,00 op de grond dat [verweerder] schade heeft veroorzaakt in de woning. [verweerder] heeft hiertegen verweer gevoerd en in reconventie veroordeling van [verzoeker 1] c.s. tot terugbetaling van de waarborgsom gevorderd. 2.1.6. Bij het hierboven onder 1.2 al genoemde vonnis van 16 januari 2025 heeft de kantonrechter in conventie (onder meer) de schadevordering van [verzoeker 1] c.s. afgewezen en in reconventie de vordering van [verweerder] tot terugbetaling van de waarborgsom toegewezen. De kantonrechter heeft daartoe overwogen dat geen sprake is van een beschrijving die inzicht geeft in wat de feitelijke staat van de woning was bij aanvang van de huur en dat [verweerder] daarom wordt verondersteld de woning te hebben ontvangen in de staat waarin deze verkeerde bij het einde van de huurovereenkomst. Naar het oordeel van de kantonrechter hebben [verzoeker 1] c.s. daartegenover onvoldoende concreet en gemotiveerd gesteld dat de staat bij oplevering ánders was dan bij aanvang van de huur en dat daarom niet wordt toegekomen aan bewijslevering. De kantonrechter heeft vervolgens geoordeeld dat eventuele schade die [verweerder] zou moeten vergoeden, niet is komen vast te staan en dat [verzoeker 1] c.s. de waarborgsom aan [verweerder] zullen moeten terugbetalen. 2.1.7. Bij exploot van 14 april 2025 hebben [verzoeker 1] c.s. [verweerder] in hoger beroep gedagvaard om op de roldatum 5 augustus 2025 te verschijnen ter openbare terechtzitting van dit hof. [verzoeker 1] c.s. hebben de zaak niet ingeschreven op de rolzitting van 5 augustus 2025. Zij hebben [verweerder] vervolgens bij herstelexploot van 11 augustus 2025 gedagvaard om op 10 maart 2026 te verschijnen ter openbare terechtzitting van dit hof. 3De standpunten van partijen 3.1. Aan hun verzoek tot het bevelen van een voorlopig getuigenverhoor leggen [verzoeker 1] c.s., samengevat, het volgende ten grondslag. Voor [verzoeker 1] c.s. is met name onbegrijpelijk dat de kantonrechter heeft geoordeeld dat bij aanvang van de huurovereenkomst geen sprake is geweest van een beschrijving die inzicht geeft in wat de feitelijke staat van het gehuurde op de relevante onderdelen was bij aanvang van de huur. Op 30 oktober 2020 heeft een ervaren medewerkster van [de beheerder] , mevrouw [medewerkster van de beheerder] , een begininspectierapport opgesteld dat als proces-verbaal van oplevering aan de huurovereenkomst is gehecht. Zij heeft bij het opstellen daarvan niet anders gehandeld dan anders en heeft nooit op- of aanmerkingen gehad over haar wijze van handelen. Het aanbod van [verzoeker 1] c.s. in de procedure bij de kantonrechter om mevrouw [medewerkster van de beheerder] als getuige te laten horen is door de kantonrechter zonder duidelijke motivering gepasseerd. [verzoeker 1] c.s. wensen bij wijze van voorlopige bewijsverrichting (onder meer, naast mevrouw [verzoeker 2] ) mevrouw [medewerkster van de beheerder] als getuige te laten horen. Mevrouw [medewerkster van de beheerder] kan als getuige verklaren: a.

  1. a)op welk wijze zij gebruikelijk haar begininspectierapporten opstelt,
  2. b)waar zij bij het opstellen van een dergelijk rapport allemaal op let;
  3. c)wanneer zij de noodzaak ziet in een dergelijk rapport concrete, objectieve en/of beschrijvende informatie op te nemen over de door haar aangetroffen onderhoudstoestand;
  4. d)wanneer zij voor de door haar geïnspecteerde ruimtes het predicaat “prima” hanteert;
  5. e)waarom zij met betrekking tot de woning van [verzoeker 1] c.s. zo weinig concrete, objectieve en/of beschrijvende informatie heeft opgenomen over hun woning c.q. waarom zij enkel heeft volstaan met de algemene aanduiding “prima” voor de door haar geïnspecteerde ruimtes;
  6. f)wat de discrepantie is tussen de begininspectie van de woning van [verzoeker 1] c.s. en de eindinspectie voor wat betreft de onderhoudstoestand;
  7. g)wat zij verder kan verklaren wat van belang is voor de beoordeling van deze kwestie. 3.2. [verweerder] voert geen verweer tegen het verzoek van [verzoeker 1] c.s. Hij heeft het hof bij brief van zijn advocaat van 4 juli 2025 laten weten zich te zullen refereren aan het oordeel van het hof. 4Het oordeel van het hof Ontvankelijkheid 4.1. Op grond van artikel 196 Rv dient het verzoek tot het bevelen van een voorlopig getuigenverhoor te worden ingediend voordat een bodemzaak aanhangig is, of als het geding aanhangig is gemaakt, voordat de bodemzaak op de rol is ingeschreven. In dit geval is het verzoek ingediend nádat [verzoeker 1] c.s. [verweerder] hebben gedagvaard in hoger beroep (14 april 2025), maar vóórdat zij de zaak hebben ingeschreven op de rol van het hof. [verzoeker 1] c.s. hebben de zaak niet ingeschreven op de door hen in de appeldagvaarding van 14 april 2025 aangezegde roldatum van 5 augustus 2025, maar zij hebben dit verzuim tijdig hersteld door [verweerder] bij herstelexploot van 11 augustus 2025 te dagvaarden om op 10 maart 2026 te verschijnen ter openbare terechtzitting van dit hof (vgl. artikel 125 lid 5 Rv). [verzoeker 1] c.s. kunnen dus worden ontvangen in hun verzoek. Inhoudelijke beoordeling 4.2. Artikel 196 Rv bepaalt verder dat de rechter een verzoek tot het bevelen van een voorlopig deskundigenbericht toewijst, tenzij hij van oordeel is dat: de informatie die verlangd wordt, niet voldoende bepaald is; onvoldoende belang bij de voorlopige bewijsverrichting bestaat; het verzoek om voorlopige bewijsverrichtingen in strijd is met de goede procesorde; sprake is van misbruik van bevoegdheid; of andere gewichtige redenen bestaan die zich verzetten tegen de voorlopige bewijsverrichting. 4.3. Met inachtneming van voornoemde maatstaf is het hof van oordeel dat het verzoek van [verzoeker 1] c.s. tot het gelasten van een voorlopig deskundigenbericht kan worden toegewezen. Het hof licht dit als volgt toe. 4.3.1. Naar het oordeel van het hof hebben [verzoeker 1] c.s. in hun verzoekschrift de aard en het beloop van de vordering in de hoofdzaak tegen [verweerder] voldoende uiteengezet. Het is het hof ook voldoende duidelijk op welk feitelijk gebeuren het door [verzoeker 1] c.s. gewenste verhoor betrekking zal hebben en waarom de te horen getuigen hierover (mogelijk) kunnen verklaren. 4.3.2. Het hof is daarnaast van oordeel dat [verzoeker 1] c.s. ook belang hebben bij hun verzoek. Met het verzochte getuigenverhoor beogen [verzoeker 1] c.s. onder meer vast te kunnen stellen op welke wijze de inhoud van het ‘beginspectierapport’ tot stand is gekomen en moet worden begrepen, of met dit rapport inzicht kan worden gegeven in wat de feitelijke staat van de woning op de relevante onderdelen was bij aanvang van de huur en wat de feitelijke staat van de woning bij aanvang van de huurovereenkomst was. Hiermee strekt het verzochte voorlopig getuigenverhoor ertoe om [verzoeker 1] c.s. bewijs te verschaffen van feiten en omstandigheden die zij in de hoofdprocedure dienen aan te tonen en om hun processuele positie en kansen in de hoofdzaak (nader) te kunnen beoordelen. 4.3.3. Omdat het verzoek van [verzoeker 1] c.s. aan alle formele vereisten voldoet en ook andere afwijzingsgronden niet zijn gebleken, zal het hof het verzoek toewijzen zoals hierna in het dictum omschreven. Proceskosten 4.4. Het hof ziet aanleiding om de proceskosten tussen partijen te compenseren in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt, nu [verweerder] zich niet heeft verzet tegen het verzoek van [verzoeker 1] . 5De beslissing Het hof: wijst toe het verzoek van [verzoeker 1] c.s. tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor van de getuigen: mevrouw [medewerkster van de beheerder] en mevrouw [verzoeker 2] ; bepaalt dat het getuigenverhoor zal worden gehouden ten overstaan van de bij deze beschikking benoemde raadsheer-commissaris mr. J.I.M.W. Bartelds, die, nadat partijen uiterlijk 18 september 2025 hun verhinderdata en die van de te horen getuigen voor de maanden oktober tot en met december 2025 hebben opgegeven, daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te ’s-Hertogenbosch op een door deze raadsheer-commissaris te bepalen datum of data; bepaalt dat de advocaat van [verzoeker 1] c.s. uiterlijk 18 september 2025 het hof bericht wat zijn inschatting is van de benodigde tijd per te horen getuige; compenseert de proceskosten aldus dat ieder van partijen de eigen kosten draagt. Deze beschikking is gegeven door mrs. R.R.M. de Moor, J.I.M.W. Bartelds en T. van Malssen en is in het openbaar uitgesproken op 4 september 2025.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.