← Nederland

ECLI:NL:GHSHE:2025:2387

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH Team familie- en jeugdrecht Uitspraak : 1 september 2025 Zaaknummer : 200.350.524/01 Zaaknummer eerste aanleg : C/01/403848 / FA RK 24-1630 in de zaak in hoger beroep van: [de vader] , wonende te [woonplaats] , verzoeker in hoger beroep, hierna te noemen: de vader, advocaat: mr. L. Stam, tegen [de moeder] , wonende te [woonplaats] , verweerster in hoger beroep, hierna te noemen: de moeder, advocaat: mr. B.A.S. van Leeuwen, Deze zaak gaat over: [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2022 te [geboorteplaats] , hierna: [minderjarige 1] . In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend: de Raad voor de Kinderbescherming, hierna te noemen: de raad. 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 29 oktober 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. 2Het geding in hoger beroep 2.

  1. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank, voor zover in hoger beroep van belang, uitvoerbaar bij voorraad: de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] bij de moeder bepaald; ter vervanging van de toestemming van de vader vervangende toestemming verleend aan de moeder om met [minderjarige 1] te verhuizen naar [woonplaats moeder] , Duitsland; inzake de verdeling van zorg- en opvoedingstaken de volgende regeling vastgesteld tussen de vader en [minderjarige 1] : de vader is met ingang van 1 november 2024 gerechtigd tot contact met [minderjarige 1] gedurende een weekeinde per veertien dagen van vrijdag 17.00 uur tot zondag 18.00 uur, waarbij de moeder [minderjarige 1] naar de vader brengt en zij haar op zondag weer ophaalt bij de vader. 2.
  2. De vader kan zich met deze beslissingen niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 28 januari 2025, heeft de vader verzocht voormelde beschikking te vernietigen voor zover daarbij is bepaald: dat aan de moeder vervangende toestemming is verleend met voornoemde minderjarige [minderjarige 1] te mogen verhuizen naar [woonplaats moeder] , Duitsland, te vernietigen; en in aanvulling - bij wijze van aanvullend gewijzigd verzoek - te beslissen dat [minderjarige 1] met de moeder binnen vier weken nadat de beschikking is gegeven dient terug te keren naar Nederland, meer in het bijzonder naar [woonplaats vader] ; en in het geval moeder met [minderjarige 1] moet terugkeren naar Nederland - de huidige zorgregeling in stand te laten, inhoudende om het weekend van vrijdag 18.00 uur tot en met zondag 18.00 uur, waarbij als wijziging de moeder [minderjarige 1] naar de vader brengt en de vader [minderjarige 1] terugbrengt naar de moeder; en e zorgregeling aan te vullen als aanvullend verzoek inhoudende dat de vader [minderjarige 1] de helft van de schoolvakanties en feestdagen bij zich heeft, te weten: - drie weken in de zomervakantie, waarvan twee weken aaneengesloten van vrijdag 18.00 uur tot en met twee weken later zaterdag 10.00 uur; - in de even jaren de herfstvakantie en in de oneven jaren de carnavalsvakantie van vrijdag 18.00 uur tot en met de week daarop zondag 18.00 uur; - in de even jaren de tweede week van de kerstvakantie en in de oneven jaren de eerste week van vrijdag 18.00 uur tot en met de week daarop zaterdag 18.00 uur; - de meivakantie ieder één week aansluitend aan het weekend van vrijdag 18.00 uur tot en met zaterdag 18.00 uur; - Vader- en Moederdag van zaterdag 18.00 uur tot en met zondag 18.00 uur; - Pasen en Pinksteren bij de ouder bij wie [minderjarige 1] in het weekend voorafgaand is; - Hemelvaart om het jaar, in de even jaren bij vader en de oneven jaren bij moeder; - [minderjarige 1] op de verjaardag van vader bij vader is vanaf de avond ervoor 18.00 uur tot en met de dag erna 18.00 uur; in het geval de moeder wel in Duitsland mag blijven wonen in aanvulling daarop bij wijze van aanvullend of gewijzigd verzoek: de zorgregeling tussen de vader en [minderjarige 1] vast te stellen op één keer in de drie weken van donderdag 18.00 uur tot en met zondag 18.00 uur, waarbij de moeder [minderjarige 1] op donderdag brengt en de vader [minderjarige 1] op zondag 18:00 uur terugbrengt naar [woonplaats moeder] ; en zodra [minderjarige 1] leerplichtig wordt één keer in de veertien dagen van vrijdag 18.00 uur tot en met zondag 19.00 uur, waarbij de moeder [minderjarige 1] brengt naar de vader in [woonplaats vader] en de vader [minderjarige 1] weer terugbrengt naar de moeder in [woonplaats moeder] ; - ingeval het hof beslist dat moeder met [minderjarige 1] in Duitsland mag blijven wonen, dan stelt de vader voor dat hij de helft van de vakanties en feestdagen [minderjarige 1] bij zich heeft en wel als volgt: - paasvakantie zijn twee weken, de vader krijgt één week en de moeder één week; - zomervakantie zijn zes weken, ieder krijgt drie weken; - herfstvakantie is één week, om het jaar bij de vader en de moeder; - kerstvakantie zijn twee weken: om en om, in de oneven jaren krijgt de vader de eerste week van de kerstvakantie van vrijdag 18.00 uur tot en met de week erop zaterdag 18.00 uur en in de even jaren de tweede week van zaterdag 18.00 uur tot en met de week erop zondag 18.00 uur, waarbij de moeder [minderjarige 1] brengt naar de vader en de vader [minderjarige 1] weer terugbrengt naar de moeder; Althans zodanig te beslissen als het hof juist acht. 2.
  3. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van: het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 1 oktober 2024; het e-mailbericht van de advocaat van de moeder d.d. 10 maart
  4. 2.
  5. De mondelinge behandeling is aangevangen op 11 maart
  6. Bij die gelegenheid zijn gehoord: de vader, bijgestaan door mr. Stam; de moeder, bijgestaan door mr. Van Leeuwen en tolk in de Duitse taal F.G. Moretto (tolkennummer: 29553); de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad 1] . 2.4.
  7. Na een schorsing van de mondelinge behandeling hebben partijen overeenstemming bereikt over een verwijzing naar cross-border mediation en over hervatting van de contacten tussen de vader en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Deze overeenstemming is opgenomen in een verkort proces-verbaal dat partijen tijdens de mondelinge behandeling hebben ondertekend. 2.4.
  8. Op 25 maart 2025 heeft het hof het bericht ontvangen van het Mediation Bureau [vestiging] dat er geen cross-border mediation zal plaatsvinden omdat van de moeder geen reactie is ontvangen op het aanleveren van de benodigde documenten. 2.4.
  9. Aan de advocaat van de moeder is vervolgens, zoals besproken tijdens de mondelinge behandeling, een (nadere) termijn van drie weken gegeven voor een schriftelijke reactie. 2.
  10. Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 22 april 2025, heeft de moeder verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: I. in het principaal hoger beroep:
  11. de vader in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans hem dit te ontzeggen als zijnde ongegrond en/of in strijd met het zwaarwegende belang van [minderjarige 1] , en de bestreden beschikking in al haar onderdelen, en in het bijzonder voor zover daarbij aan de moeder vervangende toestemming is verleend om met [minderjarige 1] te verhuizen naar [woonplaats moeder] , Duitsland, te bekrachtigen; II. met betrekking tot alle (gewijzigde en/of aanvullende) verzoeken van de vader, inhoudende – doch niet beperkt tot – afwijzing van het verzoek tot vernietiging van de bestreden beschikking voor zover daarbij is bepaald dat aan de moeder vervangende toestemming wordt verleend om met [minderjarige 1] naar [woonplaats moeder] , Duitsland te verhuizen; afwijzing van het verzoek van de vader strekkende tot terug verhuizing van de moeder met [minderjarige 1] naar Nederland, meer in het bijzonder naar [woonplaats vader] ; afwijzing van het verzoek van de vader tot het instellen van een aangepaste zorgregeling voor het geval [minderjarige 1] terugkeert naar Nederland, inhoudende omgang in het weekend van vrijdag 18.00 uur tot en met zondag 18.00 uur met om-en-om breng- en haalverplichting, alsmede het verzoek om een zorgregeling ten aanzien van schoolvakanties en feestdagen als volgt (onder meer zomer, kerst, carnaval, meivakantie, Pasen, Pinksteren, Hemelvaart, Vaderdag, Moederdag en verjaardagen); afwijzing van het verzoek van de man tot vaststelling van een alternatieve zorgregeling voor het geval de vrouw in Duitsland mag blijven wonen, inhoudende: een omgangsregeling van eens per drie weken van donderdag tot en met zondag; na intrede van de leerplicht een regeling van eens per twee weken van vrijdag tot zondag; uitgebreide vakantiespreiding en feestdagenverdeling volgens een strak tijdsschema. 2.
  12. De vader heeft bij aanvullende reactie op het verweerschrift, ingekomen ter griffie op 29 april 2025, verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de eerdere gedane verzoeken d.d. 28 januari 2025 van de vader toe te wijzen, althans zodanig te beslissen als het hof juist acht. 2.
  13. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van het V6-formulier d.d. 15 juli 2025 met bijlagen namens de vader. Hierin is namens de vader een aanvullend verzoek gedaan vanwege recente ontwikkelingen, inhoudende dat ingeval de moeder niet terugkeert met [minderjarige 1] naar Nederland, [minderjarige 1] zonder moeder terugkeert naar de vader in [woonplaats vader] binnen vier weken na de uitspraak van het hof en dit aanvullend verzoek uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard. 2.
  14. De voortgezette mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 24 juli
  15. Bij die gelegenheid zijn gehoord: de vader, bijgestaan door mr. Stam; de moeder (via digitale verbinding), bijgestaan door mr. Van Leeuwen en tolk in de Duitse taal A.G. Lenstra (tolkennummer: 683); de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad 2] . 2.
  16. Voorts heeft het hof zoals besproken tijdens de voortgezette mondelinge behandeling, kennisgenomen van de inhoud van het V6-formulier d.d. 5 augustus 2025 met producties HB020 tot en met HB025 over de procedures in Duitsland namens de vader. 3De feiten 3.
  17. De moeder heeft de Duitse nationaliteit. De vader en [minderjarige 1] hebben de Nederlandse nationaliteit. 3.
  18. Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad en hebben samengewoond in [woonplaats vader] , Nederland. 3.
  19. De moeder heeft twee kinderen uit een eerdere relatie: [meerderjarige] die meerderjarig is en [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum]
  20. 3.
  21. Tijdens de relatie van partijen is [minderjarige 1] op [geboortedatum] 2022 te [geboorteplaats] geboren. De vader heeft [minderjarige 1] erkend en de ouders hebben in het gezagsregister in Nederland laten aantekenen dat zij gezamenlijk zijn belast met het gezag over [minderjarige 1] . 3.
  22. De samenwoning is geëindigd op 30 januari
  23. De moeder is die dag zonder toestemming van de vader met [minderjarige 1] naar Duitsland vertrokken. 3.
  24. Het Duitse Amtsgericht Hamm heeft in het vonnis van 3 april 2024 de moeder gelast om [minderjarige 1] uiterlijk 22 april 2024 terug te brengen naar Nederland. Het Duitse Amtsgericht heeft daarbij vastgesteld dat de moeder [minderjarige 1] ongeoorloofd heeft overgebracht naar Duitsland in de zin van artikel 3 van het Verdrag betreffende de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen (HKOV) en dat de moeder onrechtmatig heeft gehandeld. 3.
  25. Op [geboortedatum] 2024 is in Duitsland uit de moeder geboren: [minderjarige 2]. De vader is de biologische vader van [minderjarige 2] . In de bestreden beschikking is aan de vader ter vervanging van de toestemming van de moeder, toestemming verleend tot erkenning van [minderjarige 2] . Deze erkenning heeft nog niet plaatsgevonden. 3.
  26. De moeder is op 3 juni 2024 met [minderjarige 1] teruggekeerd naar Nederland. 3.
  27. Bij beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 8 augustus 2024 heeft de rechtbank voorlopige voorzieningen vastgesteld en bepaald dat [minderjarige 1] aan de moeder zal worden toevertrouwd. Verder is een voorlopige contactregeling tussen de vader en [minderjarige 1] vastgesteld, inhoudende dat de vader gerechtigd is tot contact met [minderjarige 1] : een keer per twee weken (zonder overnachting) op zaterdag en zondag van 10.00 uur tot 18.00 uur, waarbij de moeder [minderjarige 1] naar de vader in [woonplaats vader] brengt en haar daar ook weer ophaalt; met ingang van 7 september 2024 gedurende een weekeinde per veertien dagen van zaterdagochtend 10.00 uur tot zondag 18.00 uur, waarbij de moeder [minderjarige 1] naar de vader brengt en zij haar op zondag weer ophaalt bij de vader; met ingang van 2 november 2024 gedurende een weekeinde per veertien dagen van vrijdag 17.00 uur tot zondag 18.00 uur, waarbij de moeder [minderjarige 1] naar de vader brengt en zij haar op zondag weer ophaalt bij de vader; en steeds in de andere week van vrijdagochtend 10.00 uur tot 14.00 uur, waarbij de vader [minderjarige 1] bij de moeder in [plaats] ophaalt en haar daar ook weer terugbrengt. Daarnaast is aan de moeder vervangende toestemming verleend om in het weekeinde dat [minderjarige 1] geen contact heeft met de vader, samen met [minderjarige 1] in [woonplaats moeder] , Duitsland, te verblijven vanaf vrijdagmiddag 16.00 uur tot zondagavond. 3.
  28. [minderjarige 1] staat in de BRP ingeschreven op het adres van de vader. 4De beoordeling 4.
  29. De vader voert – samengevat – het volgende aan. De moeder is direct na de bestreden beschikking naar Duitsland vertrokken en sindsdien heeft de vader [minderjarige 1] haast niet meer gezien. In de weekenden van eind november en eind december 2024 is [minderjarige 1] niet gekomen omdat de moeder geen geld had of omdat [minderjarige 1] ziek was. De moeder wilde die weekenden niet inhalen. Ook vrijdag 10 januari 2025 kon de moeder niet komen wegens autoproblemen, waardoor de vader [minderjarige 1] noodgedwongen zelf heeft opgehaald en heeft aangegeven dat hij [minderjarige 1] maandag zou terugbrengen. De moeder heeft toen de politie erbij betrokken. Na dit incident is [minderjarige 1] het volgende weekend niet door de moeder naar de vader gebracht. Ook is de moeder de afspraken die de ouders hebben gemaakt tijdens de eerste mondelinge behandeling in hoger beroep niet nagekomen. Zij heeft sindsdien slechts één keer contact toegestaan tussen de vader en [minderjarige 1] , van nog geen uur. De moeder dient terug te komen naar Nederland. De vader is bereid om de moeder met haar drie kinderen in zijn huis in Nederland te laten wonen voor een huurprijs die niet hoger is dan waarvoor huursubsidie mogelijk is, voor in ieder geval twee jaar. De moeder zal zich op het adres van de vader moeten inschrijven en de vader zal zich elders inschrijven, zodat de moeder in aanmerking komt voor toeslagen en kindgebonden budget. De moeder kan in Nederland werken zoals zij eerder deed. De vader kan dan op regelmatige basis contact hebben met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en een belangrijke rol spelen in hun leven. Deze oplossing is het meest in het belang van de kinderen. Ten onrechte is de rechtbank ervan uitgegaan dat [minderjarige 3] bij haar grootouders (mz.) verblijft en dat wanneer de moeder geen toestemming zou krijgen om naar Duitsland te verhuizen, [minderjarige 3] de mogelijkheid zou worden ontnomen om bij de moeder op te groeien. [minderjarige 3] heeft eerder twee jaar in [woonplaats vader] gewoond bij de moeder en de vader en aldaar op school gezeten. Zij kan ook in Nederland verder opgroeien. Gezien de opstelling van de moeder en haar ouders is er een groot risico dat de vader [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet of nauwelijks gaat zien als de moeder in Duitsland mag blijven wonen. De moeder is niet gemotiveerd om de bestreden beschikking na te komen. Het lijkt erop dat zij de kinderen zonder de aanwezigheid van de vader wil laten opgroeien, zoals zij ook met haar twee andere kinderen heeft gedaan. De moeder heeft direct na de bestreden beschikking via de rechtbank in Duitsland verzocht om een wijziging van de zorgregeling in die zin dat de vader [minderjarige 1] in Duitsland komt bezoeken en dat de moeder het tijdstip mag bepalen. De moeder heeft zo veel procedures willen starten dat het haar nu verboden is om er nog een te starten in Duitsland. De vader heeft slechts beperkt de mogelijkheid om nakoming van de zorgregeling in Duitsland af te dwingen, omdat de beslissing over de zorgregeling nog niet onherroepelijk is en omdat hij in Duitsland niet in aanmerking komt voor gesubsidieerde rechtshulp. Over [minderjarige 2] is geen regeling overeengekomen, de vader heeft hem slechts twee keer gezien omdat de moeder dit ook afhoudt. De moeder staat geen contact toe, ook toen de vader in Duitsland was kon hij de kinderen niet zien. Onderhavig hoger beroep van de vader is de enige manier voor hem om binnen afzienbare tijd tot contactherstel met [minderjarige 1] te komen. [minderjarige 1] dient voorlopig terug naar Nederland te komen. De wanpraktijken van de moeder mogen niet worden beloond. Een gedwongen maatregel in de vorm van een (voorlopige) ondertoezichtstelling is nodig. Er zou ook een voorlopige voogdijmaatregel gevraagd kunnen worden. De vader vreest dat de moeder van de radar verdwijnt. Doordat het onderhavige beroep nog loopt is de Nederlandse rechter nog steeds bevoegd. Wanneer dat niet meer het geval is, is de vader aangewezen op de Duitse rechter. Het zal ingrijpend zijn voor [minderjarige 1] om bij de vader te komen wonen, maar de verwachting is dat als [minderjarige 1] terug naar Nederland moet komen, de moeder ook terug zal komen. Indien [minderjarige 1] in Duitsland mag blijven, verzoekt de vader vanwege de grote reisafstand die belastend is voor [minderjarige 1] een lagere frequentie voor de zorgregeling, maar voor een langere duur. De vader hoopt dat [minderjarige 2] (ondanks dat de Nederlandse rechter geen bevoegdheid heeft om ten aanzien van hem een beslissing te nemen) in de regeling wordt meegenomen. 4.
  30. De moeder voert – samengevat – het volgende aan. De moeder kan niet terugkeren naar Nederland. De rechtbank heeft zorgvuldig de feitelijke situatie beoordeeld, oog gehad voor de specifieke omstandigheden van alle drie de kinderen afzonderlijk, en terecht geconcludeerd dat het belang van de kinderen gediend is met een verhuizing naar Duitsland. De moeder heeft voor de kinderen een stabiele leefomgeving weten te realiseren. In Nederland heeft de moeder geen woning en geen werk. De woning van de vader betrekken is geen optie, er zijn praktische en juridische belemmeringen. De moeder erkent dat de afgesproken overdrachten van [minderjarige 1] in de laatste weekenden van november en december 2024 niet hebben plaatsgevonden, dit kwam door een financiële noodsituatie en door ziekte van [minderjarige 1] . De moeder heeft de vader tijdig op de hoogte gesteld maar stuitte op onbegrip en rigiditeit. De moeder staat open voor het inhalen van de gemiste contactmomenten. Op 10 januari 2025 ontstond opnieuw conflict toen de moeder wegens een voertuigdefect de afgesproken overdracht niet kon uitvoeren. Hoewel zij de vader wederom tijdig informeerde en voorstelde een alternatief te zoeken, besloot hij eigenmachtig [minderjarige 1] op te halen en haar pas op maandag terug te brengen. Uit bezorgdheid schakelde de moeder de politie in om escalatie te voorkomen. De moeder vindt het contact tussen [minderjarige 1] en de vader belangrijk mits het plaatsvindt binnen een stabiel, respectvol en kindgericht kader. Het contact moet plaatsvinden in Duitsland en onder begeleiding. De moeder heeft meermaals contact opgenomen met de Duitse Jugendamt. Door betrokken hulpverleners werd gewezen op signalen dat de omgangsvorm heroverwogen diende te worden. Op basis van die signalen besloot de moeder [minderjarige 1] tijdelijk niet mee te geven. In reactie hierop heeft de vader aangifte gedaan. De moeder ziet dit als verdere escalatie en een uiting van de starre houding van de vader die weigert samen te werken aan een constructieve zorgregeling in het licht van de gewijzigde omstandigheden. Na het verkrijgen van vervangende toestemming om met [minderjarige 1] naar Duitsland te verhuizen heeft de moeder direct een verzoek tot wijziging van de zorgregeling ingediend bij de rechtbank in Duitsland. De verhuizing bracht een aanzienlijke geografische afstand met zich mee en praktische, emotionele en logistieke obstakels. Deze afstand is te groot voor een weekendregeling in de veertien dagen. Haar voorstel - omgang in haar woonplaats - was geen poging tot vervreemding of uitsluiting van de vader. De moeder stelt voor om het contact tussen de vader en de kinderen te organiseren door bijvoorbeeld via videobellen of door het faciliteren van incidentele bezoeken, indien de omstandigheden dit toelaten. Wat betreft [minderjarige 2] is er op dit moment geen gerechtelijke regeling. De moeder betwist dat zij het contact tussen [minderjarige 2] en de vader principieel zou afwijzen. De vader heeft geen echte bereidheid getoond om de situatie te verbeteren of in goede trouw over een oplossing te onderhandelen. De moeder heeft niet geweigerd om afspraken te maken over vakantie- en feestdagen; zij heeft aangegeven dat de omstandigheden, zowel voor haar als voor de kinderen, eerst moesten worden gestabiliseerd. De situatie is nu niet voldoende geaccepteerd om dit op een verantwoorde manier te doen. [minderjarige 1] heeft inmiddels een nieuwe school in Duitsland, waar zij zich redelijk goed heeft aangepast en waar zij stabiliteit en structuur ervaart. Het is belangrijk dat haar school en haar vriendschappen niet opnieuw verstoord worden door frequente, lange reizen naar Nederland voor het bezoeken van de vader. De moeder verzet zich tegen het voorstel om de zorgregeling voor de vakanties en feestdagen te wijzigen op basis van de veronderstelling dat [minderjarige 1] in Nederland zou wonen en dat zij volledig op de Nederlandse schoolkalender zou zijn afgestemd. Het betrekken van [minderjarige 2] in de regeling voor [minderjarige 1] kan onterecht druk uitoefenen op hem, aangezien hij mogelijk niet dezelfde behoefte heeft aan de frequentie en het type contact dat voor [minderjarige 1] wordt voorgesteld. De moeder stelt voor om, indien nodig, een afzonderlijke regeling voor [minderjarige 2] op te stellen die beter past bij zijn behoeften, wat zal helpen om de specifieke situatie van elk kind te respecteren. 4.
  31. De raad adviseert – samengevat – het volgende. Er moeten afspraken over de contactregeling worden gemaakt. De raad gaat onderzoek doen naar de zorgelijke situatie van [minderjarige 1] waarbij er sprake is van contactverlies met de vader, dat is de uitkomst van de beschermtafel van juni
  32. Het is op dit moment voor de raad nog niet duidelijk of de Nederlandse rechter of de Duitse rechter bevoegd zou zijn om te beslissen over een beschermingsmaatregel. Het feit dat er twee landen zijn betrokken maakt de situatie lastig. Er moet een strakke samenwerking zijn tussen de ouders en de instanties in beide landen. De raad begrijpt dat de vader verzoekt om [minderjarige 1] naar hem te laten komen. Het is mogelijk dat als het hof de raad onderzoek naar de verhuizing en de zorgregeling laat doen, ook in die tussentijd er geen contact op gang komt. Als dat het geval is wordt het steeds moeilijker om te zeggen dat een terugverhuizing verstandig is, [minderjarige 1] heeft dan al een lange tijd in Duitsland gewoond en het zou dan ingrijpend voor haar zijn om weer terug naar Nederland te moeten komen. De raad vindt dat zorgelijk. Het is echter ook ingrijpend om op dit moment te beslissen dat [minderjarige 1] per direct naar de vader moet. Ook is het dan de vraag of de moeder gaat meewerken. Er zou dan een omgekeerde situatie kunnen ontstaan waarbij [minderjarige 1] bij de vader is maar het niet lukt om contact af te spreken tussen [minderjarige 1] en de moeder, met een mogelijk risico dat [minderjarige 1] de moeder dan niet ziet. Dan is alsnog niet het doel bereikt dat [minderjarige 1] contact heeft met beide ouders. Gegeven de situatie ziet de raad dermate weinig motivatie bij de moeder om de zorgregeling na te komen, dat een terugverhuizing van [minderjarige 1] gerechtvaardigd zou zijn. Ook zou het een mogelijkheid zijn om het aanvullende verzoek van de vader, dat [minderjarige 1] bij hem komt, toe te wijzen gedurende het raadsonderzoek. De raad heeft nagedacht over een eventuele kinderbeschermingsmaatregel maar heeft niet de mogelijkheid om dat tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep te verzoeken. 4.
  33. Het hof overweegt als volgt. 4.4.
  34. Namens de vader is in hoger beroep op 29 april 2025 een aanvullend verzoek gedaan. Het hof begrijpt dat dit verzoek ziet op de situatie dat de vervangende toestemming voor de verhuizing naar Duitsland aan de moeder wordt vernietigd, en de moeder desondanks niet bereid is terug te verhuizen naar Nederland, zodat het verzoek niet anders kan worden gelezen dan een verzoek tot (wijziging van de) hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] naar de vader. Internationale bevoegdheid en rechtsmacht 4.4.
  35. Het hof zal de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter beoordelen op grond van artikel 7 lid 1 van Verordening (EU) 2019/1111 van 25 juni 2019 (hierna: Brussel II-ter). Op grond van de hoofdregel van artikel 7 Brussel II-ter zijn in zaken van ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig is gemaakt. Het hof zal daarom moeten beoordelen in welke lidstaat [minderjarige 1] haar gewone verblijfplaats had op het moment van de procesinleiding, te weten 29 maart
  36. 4.4.
  37. Voor het bepalen welke plaats vervolgens als gewone verblijfplaats van een kind moet worden aangemerkt dient aansluiting te worden gezocht bij de jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie. Uit de jurisprudentie volgt dat de gewone verblijfplaats de plaats is die een zekere integratie van het kind in een sociale en familiale omgeving tot uitdrukking brengt, waartoe onder meer rekening moet worden gehouden met de duur, de regelmatigheid, de omstandigheden en de redenen van en het verblijf op het grondgebied van een lidstaat en van de verhuizing van het gezin naar die staat, de nationaliteit van het kind, de plaats waar en de omstandigheden waaronder het kind naar school gaat, de talenkennis en de familiale en sociale banden van het kind in die staat. 4.4.
  38. Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat, gelet op de feiten en omstandigheden in onderhavige zaak, de gewone verblijfplaats van [minderjarige 1] ten tijde van het inleidend verzoek Nederland was. Van belang is dat [minderjarige 1] in Nederland is geboren, sinds haar geboorte in Nederland staat ingeschreven en tot op het moment dat de moeder haar ongeoorloofd meenam naar Duitsland, hier naar de kinderopvang ging. 4.4.
  39. Gelet op het voorgaande is de Nederlandse rechter bevoegd. 4.4.
  40. Geen grieven zijn gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat Nederlands recht van toepassing is. Daarom zal het hof uitgaan van toepasselijkheid van Nederlands recht. Wettelijk kader 4.4.
  41. Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter worden voorgelegd. Indien de ouders het niet eens worden over de woonplaats van een kind zal de rechter hierover een beslissing nemen. Bij een dergelijke beslissing dient het hof – conform vaste rechtspraak – alle omstandigheden in acht te nemen en alle belangen af te wegen. Dit kan er ook toe leiden dat andere belangen zwaarder wegen dan het belang van het kind, hoezeer ook dat belang een overweging van de eerste orde dient te zijn. 4.4.
  42. In het geval van een geschil omtrent de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken kan de rechter, gelet op artikel 1:253a lid 2, aanhef en sub a, BW, een regeling vaststellen. De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Inhoudelijke beoordeling 4.4.
  43. De vraag welke zorgregeling in het belang van [minderjarige 1] is, is onlosmakelijk verbonden met de vraag of de moeder met [minderjarige 1] naar [woonplaats moeder] , Duitsland, mag verhuizen. Bij een verzoek tot vervangende toestemming tot verhuizing spelen verschillende omstandigheden een rol. Behalve de noodzaak en de voorbereiding van een eventuele verhuizing, gaat het hierbij onder meer om het recht van de ouder(s) en het kind op onverminderd contact met elkaar in hun vertrouwde omgeving en de verdeling van de zorgtaken en continuïteit van de zorg. 4.4.
  44. De rechtbank heeft de moeder in de bestreden beschikking vervangende toestemming verleend voor een verhuizing met [minderjarige 1] naar Duitsland, ervan uitgaande dat het contact tussen de vader en [minderjarige 1] en zijn betrokkenheid bij haar leven ook na een verhuizing voldoende zou zijn gewaarborgd. De rechtbank heeft de ouders duidelijk meegegeven dat zij hun uiterste best moeten doen om in het belang van [minderjarige 1] (en [minderjarige 2] ) afspraken te maken over een zorgregeling tussen de vader en [minderjarige 1] (en [minderjarige 2] ). In hoger beroep is duidelijk geworden dat dat niet is gelukt. Hoewel de moeder bij de rechtbank liet weten bereid te zijn om voor de zorgregeling met [minderjarige 1] naar Nederland te komen, is zij de zorgregeling niet nagekomen. De moeder is na de bestreden beschikking met [minderjarige 1] naar Duitsland vertrokken en sindsdien hebben [minderjarige 1] en de vader elkaar haast niet meer gezien. Het hof constateert dat de moeder het contact tussen de vader en de kinderen afhoudt. Waar zij aanvankelijk praktische bezwaren had tegen de zorgregeling met de vader, zo zou de reistijd te lang zijn voor [minderjarige 1] , spreekt zij tijdens de voortgezette mondelinge behandeling in hoger beroep over een onveilige situatie en de noodzaak van begeleide omgang. De moeder heeft geen enkel concreet voorstel gedaan over hoe het contact tussen [minderjarige 1] (en [minderjarige 2] ) en de vader er volgens haar uit zou moeten zien. Tijdens de mondelinge behandeling is duidelijk geworden dat de moeder op zijn hoogst openstaat voor begeleid contact in Duitsland. Over frequentie en duur heeft zij zich niet uitgesproken. Ook de regeling die de ouders tijdens de eerste mondelinge behandeling in hoger beroep zijn overeengekomen is niet uitgevoerd wegens bezwaren van de moeder. De moeder is in Duitsland meerdere procedures gestart waaronder een tot het wijzigen van de zorgregeling tussen de vader en [minderjarige 1] . De vader heeft onbetwist naar voren gebracht dat hij recent in Duitsland was en aan de moeder heeft gevraagd om contact met [minderjarige 1] , maar dat zij ook dit heeft afgehouden. De moeder heeft tot op heden ook niet meegewerkt aan het realiseren van de erkenning door de vader van [minderjarige 2] in Duitsland en contact tussen de vader en [minderjarige 2] . 4.4.
  45. Op dit moment heeft het verblijf van [minderjarige 1] met de moeder in Duitsland dus tot gevolg dat zij haar vader niet meer ziet. Dit is niet in haar belang omdat er geen enkele concrete, onderbouwde reden naar voren is gekomen waarom dit contact zou moeten uitblijven of onder begeleiding moet plaatsvinden. Het hof heeft dan ook grote zorgen over [minderjarige 1] . [minderjarige 1] heeft in haar vroege leven al veel meegemaakt. Zij is in Nederland geboren en heeft tot eind januari 2024 bij haar vader en moeder in Nederland gewoond. De moeder heeft [minderjarige 1] ontvoerd naar Duitsland. Na ongeveer vier maanden is zij teruggekeerd naar Nederland, nadat de moeder was bevallen van [minderjarige 2] . [minderjarige 1] heeft toen enige tijd met de moeder en [minderjarige 2] op verschillende campings in Nederland verbleven en is vervolgens eind 2024 weer naar Duitsland verhuisd. Sinds dat moment heeft [minderjarige 1] haar vader, waar zij tot januari 2024 bij woonde, vrijwel niet meer gezien. [minderjarige 1] is inmiddels al ruim anderhalf jaar weg uit haar eerste woonplaats [woonplaats vader] en dus bij de vader. Het hof maakt zich – met de raad – grote zorgen over dit contactverlies en de wijze waarop de moeder omgaat met de kinderen. De moeder weigert tot op heden op flagrante wijze invulling te geven aan haar wettelijke verplichting om het contact tussen de vader en [minderjarige 1] te bevorderen. 4.4.
  46. Anderzijds betekent een situatie waarin de moeder geen toestemming meer zou hebben voor de verhuizing met [minderjarige 1] , feitelijk dat zij met haar gezin terug naar Nederland moet komen. De moeder heeft in Nederland echter geen woning, werk of sociaal netwerk en zal dan mogelijk aangewezen zijn op tijdelijke verblijfplekken, terwijl zij ook nog, naast [minderjarige 1] en [minderjarige 2] een ander minderjarig kind heeft dat afhankelijk van haar is, [minderjarige 3] en dat mee zou moeten verhuizen naar Nederland. Daar komt bij dat de moeder tijdens de voortgezette mondelinge behandeling in hoger beroep heeft laten weten dat zij niet naar Nederland zal komen als het hof beslist dat [minderjarige 1] (voorlopig) terug naar Nederland moet komen. Dit zou mogelijk betekenen dat [minderjarige 1] dan niet meer bij haar moeder zou zijn en zonder haar zus en broertje bij de vader komt te wonen, met wie zij al geruime tijd nauwelijks contact heeft gehad. Ook dit zou bijzonder ingrijpend zijn, ook al lijkt de vader zich hiervan bewust en zegt hij allerlei hulp in te schakelen. Bovendien is het voor het hof onvoldoende duidelijk of de vader de volledige zorg voor [minderjarige 1] kan dragen onder andere in verband met zijn werk als internationaal vrachtwagenchauffeur. 4.4.
  47. Het hof acht zich onvoldoende voorgelicht om op dit moment een verantwoorde, definitieve, beslissing te kunnen nemen. Het hof heeft meer zicht nodig op wat in het belang van [minderjarige 1] is en wat de mogelijkheden van de ouders zijn om haar te kunnen bieden wat zij nodig heeft. Het hof zal daarom de raad vragen een onderzoek in te stellen. Uit het verslag van de beschermtafel van 17 juni 2025 (aangepast op 11 juli 2025) volgt dat de raad een beschermingsonderzoek zal starten. Mogelijk kunnen deze onderzoeken worden gecombineerd. Het hof zal de raad verzoeken om een onderzoek in te stellen en te rapporteren en adviseren omtrent de volgende vragen: in hoeverre komt een verhuizing van [minderjarige 1] naar [woonplaats moeder] , Duitsland, tegemoet aan haar belangen? in hoeverre komt een verblijf van [minderjarige 1] in Nederland bij de vader tegemoet aan haar belangen? welke verdeling van de zorg- en opvoedingstaken door de ouders komt tegemoet aan de belangen van [minderjarige 1] , zowel in de situatie dat zij met de moeder in [woonplaats moeder] , Duitsland blijft wonen als in de situatie dat zij in Nederland zou wonen, met de moeder danwel bij de vader? hoe is de persoonlijke situatie van beide ouders qua huisvesting, werk, gezondheid en hulpverlening (zowel in Nederland als in Duitsland) en zorg voor andere kinderen? zijn er bijzonderheden/belemmeringen bij [minderjarige 1] dan wel de ouders aanwezig waarmee rekening gehouden moet worden bij het vaststellen van de regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken? welke andere feiten en/of omstandigheden die uit het onderzoek naar voren zijn gekomen, zijn niet in voorgaande vragen aan de orde gesteld en zijn wel van belang om in de rapportage en het advies te vermelden? Hierbij wordt opgemerkt dat het hof het wenselijk vindt dat de raad contact zoekt met het Duitse Jugendamt om de situatie bij de moeder in kaart te brengen. 4.4.
  48. De definitieve beslissing wordt vier maanden aangehouden, teneinde de resultaten van het onderzoek en het advies van de raad af te wachten. Partijen zullen vervolgens in de gelegenheid worden gesteld binnen twee weken schriftelijk te reageren op het rapport en het advies van de raad. 4.4.
  49. Het hof zal voor de voorlopige situatie alvast een beslissing nemen. De raad heeft voor deze voorlopige situatie geadviseerd dat een terugverhuizing van [minderjarige 1] , dan wel [minderjarige 1] tijdelijk bij de vader laten verblijven, gerechtvaardigd is onder de omstandigheid dat de moeder op geen enkele manier meewerkt aan de zorgregeling. Hoewel het hof door de wijze van handelen van de moeder hiertoe zeker aanleiding ziet, heeft het hof onvoldoende informatie of dit op dit moment in het belang van [minderjarige 1] is. Zoals hiervoor overwogen zal een verhuizing naar de vader, heel ingrijpend zijn voor [minderjarige 1] . De definitieve beslissing wordt aangehouden, waarmee het nog onduidelijk is waar [minderjarige 1] uiteindelijk zal gaan wonen. Het hof acht het nu niet in het belang van [minderjarige 1] om zonder nadere informatie op dit moment opnieuw een grote verandering aan te brengen in haar leven. 4.4.
  50. Voor [minderjarige 1] is het nodig dat zij zo spoedig mogelijk weer contact heeft met de vader. Het is van groot belang dat de moeder haar medewerking verleent aan deze regeling. Het uitblijven van contact met de vader is schadelijk voor [minderjarige 1] . Het is aan de moeder om te laten zien dat bij een verhuizing van [minderjarige 1] naar Duitsland het recht van de ouder(s) en het kind op onverminderd contact met elkaar, gewaarborgd kan worden. 4.4.
  51. De vader heeft over de huidige, door de rechtbank vastgestelde, regeling opgemerkt dat deze vanwege de reisafstand belastend kan zijn voor [minderjarige 1] . Het hof is zal, gelet daarop, als voorlopige zorgregeling, voor de duur van het raadsonderzoek en totdat er definitief op de verzoeken wordt beslist, conform het verzoek van de vader beslissen dat [minderjarige 1] en de vader gerechtigd zijn tot contact een keer per drie weken van donderdag 18.00 uur tot en met zondag 18.00 uur, waarbij de moeder [minderjarige 1] op donderdag brengt naar de vader thuis in [woonplaats vader] en de vader [minderjarige 1] op zondag 18.00 uur terugbrengt naar de moeder thuis in [woonplaats moeder] , Duitsland. Het eerste contactmoment zal plaatsvinden in het weekend van 11 tot en met 14 september
  52. Het hof merkt op dat, ondanks dat de procedure in het onderhavige beroep met deze beslissing nog niet tot een einde komt, deze beslissing onmiddellijke werking heeft. Dit betekent dat de ouders deze zorgregeling direct moeten nakomen. 4.
  53. Op grond van het vorenstaande zal het hof de raad verzoeken een onderzoek in te stellen, een voorlopige zorgregeling vaststellen en iedere verdere beslissing aanhouden. 5De beslissing Het hof: stelt een voorlopige zorgregeling vast tussen [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] 2022 te [geboorteplaats] , en [de vader], geboren op [geboortedatum] 1977 te [geboorteplaats] , waarbij zij gerechtigd zijn tot contact een keer per drie weken van donderdag 18.00 uur tot en met zondag 18.00 uur, waarbij de moeder [minderjarige 1] op donderdag brengt naar de vader thuis in [woonplaats vader] en de vader [minderjarige 1] op zondag 18:00 uur terugbrengt naar de moeder thuis in [woonplaats moeder] , Duitsland, waarbij het eerste contactmoment zal plaatsvinden in het weekend van 11 tot en met 14 september 2025; verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad; verzoekt de raad om een onderzoek in te stellen conform hetgeen hiervoor overwogen in rechtsoverweging 4.4.13.; verzoekt de raad tijdig vóór hierna te noemen pro forma datum rapport en advies uit te brengen aan het hof, onder gelijktijdige vertrekking van een afschrift daarvan aan de raadslieden van partijen; houdt iedere verdere beslissing PRO FORMA aan tot 29 december
  54. Deze beschikking is gegeven door mrs. E.M.C. Dumoulin, S.P.A. Wensink-Vergunst en E.F.M. van Swaaij en is op 1 september 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van mr. C.A.M. Smolders, griffier.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.