← Nederland

ECLI:NL:GHSHE:2025:239

Parketnummer : 20-001694-24 Uitspraak : 30 januari 2025 TEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv) Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 17 juni 2024 met parketnummer 01-079476-24 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf met parketnummer 20-000851-20, in de strafzaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1980, wonende te [adres 1] . Hoger beroep De politierechter heeft de verdachte bij vonnis waarvan beroep ter zake van:- feit 1: oplichting en - feit 2: diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door een valse sleutel,veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de politierechter de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] volledig toegewezen tot een bedrag van € 1.000,00, bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 december 2023 en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente. De verdachte is veroordeeld in de proceskosten van de benadeelde partij, tot aan het vonnis begroot op nihil. Daarnaast heeft de politierechter de tenuitvoerlegging gelast van een gedeelte van de voorwaardelijke opgelegde gevangenisstraf onder parketnummer 20-000851-20, te weten 4 maanden, en de proeftijd voor het overige gedeelte van deze voorwaardelijke straf verlengd met één jaar en de bijzondere voorwaarden gewijzigd, te weten – kort samengevat – meldplicht bij reclassering, ambulante behandeling, vinden en behouden dagbesteding en meewerken aan schuldhulpverlening. Tot slot heeft de politierechter het tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven met ingang van het tijdstip waarop de duur daarvan gelijk wordt aan de duur van de opgelegde vrijheidsstraf. Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, met uitzondering van de opgelegde straf en de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden en ten aanzien van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf onder parketnummer 20-000851-20 de tenuitvoerlegging van een gedeelte van minstens 6 maanden zal gelasten en de vordering voor het overige gedeelte zal afwijzen. De raadsman van de verdachte heeft vrijspraak bepleit van het onder feit 1 tenlastegelegde. Ten aanzien van het onder feit 2 tenlastegelegde heeft de raadsman zich gerefereerd. Voorts heeft de raadsman een straftoemetingsverweer gevoerd en primair verzocht de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen, subsidiair verzocht de proeftijd te verlengen voor de duur van één jaar en meer subsidiair verzocht om een gedeeltelijke tenuitvoerlegging van maximaal 2 maanden gevangenisstraf. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis, met vervanging van de gronden ten aanzien van het bewijs en aanvulling van de gronden ten aanzien van de opgelegde straf, en met uitzondering van de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging. In zoverre zal het vonnis waarvan beroep worden vernietigd. Bewijsmiddelen Hierna wordt – tenzij anders vermeld – steeds verwezen naar het proces-verbaal van voorgeleiding, einddossier van de politie Eenheid Oost-Brabant, teamrecherche Eindhoven Noord, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 1] , brigadier van politie, registratienummer PL2100-2024001896, gesloten d.d. 7 maart 2024, inhoudende een verzameling in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal van politie met daarin gerelateerde bijlagen, met doorgenummerde paginanummers 1-

  1. De inhoud daarvan is hier telkens zakelijk weergegeven. Feit 1 en feit 2
  2. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 10 januari 2024, dossierpagina’s 20-22, voor zover inhoudende als verklaring van aangeefster [benadeelde] : Op 27 december 2023, omstreeks 16:15 uur, was ik in mijn woning, gelegen aan [adres 2] . Ik hoorde toen dat mijn deurbel af ging. Toen ik mijn voordeur opende, zag ik een man staan. Ik kan de man als volgt omschrijven: - Man - 30-35 jaar oud - Nette lichtblauwe spijkerbroek - Korte strakke jas, kleur onbekend - Normaal postuur Ik hoorde dat de man tegen mij zei dat hij voor [bedrijf 1] werkte en dat hij kwam voor een storing. Ik zei tegen de man dat ik niet bij [bedrijf 1] zat, maar bij [bedrijf 2] . Ik hoorde dat de man tegen mij zei dat dat bij [bedrijf 1] hoorde. Ik liet de man vervolgens binnen. Ik begeleidde de man naar mijn CV ketel en de meterkast. Ik hoorde na enkele minuten dat de man tegen mij zei, dat er geen problemen waren met mijn CV ketel en meterkast. Ik hoorde toen dat de man aan mij vroeg wat ik nu betaalde voor gas en elektra en wat ik volgens de brief komend jaar ga betalen. Nadat ik deze brief liet zien, hoorde ik dat de man tegen mij zei dat het bedrag wat ik volgend jaar ga betalen, veel te hoog is. Nadat de man het gesprek met zijn collega gevoerd had via de telefoon, zei de man tegen mij dat ik een teruggave van € 132,00 mocht krijgen. Om dit te regelen, wilde de man mijn identiteitsbewijs zien. Ik liep vervolgens naar de keuken, waar ik normaal gesproken mijn identiteitsbewijs had liggen naast het koffie apparaat. Ik zag echter dat niet mijn identiteitsbewijs naast het koffie apparaat lag, maar mijn pinpas. Ik legde mijn pinpas vervolgens terug naast het koffie apparaat. Ik liep toen naar de gang toe, waar ik normaal gesproken mijn pinpas had liggen. Daar lag nu mijn identiteitsbewijs. Ik liep vervolgens met mijn identiteitsbewijs naar de man toe, welke mijn pas bekeek. Vervolgens haalde de man zijn telefoon tevoorschijn. Ik hoorde dat de man tegen mij zei dat ik op zijn telefoon mijn pincode in moest voeren, zodat de € 132,00 teruggestort zouden worden. Nadat ik dit gedaan had, hoorde ik dat de man tegen mij zei dat hij weer weg ging en dat hij mij over 15 minuten terug zou bellen, om door te geven of alles gelukt was. Ik zag toen dat de man mijn woning weer verliet. Na ongeveer 15 minuten werd ik gebeld door de man. Ik zag in mijn scherm geen telefoonnummer staan, wel zag ik '0000' staan. Ik hoorde dat de man tegen mij zei dat alles goed gegaan was. Die avond kreeg ik toch een vervelend gevoel over wat er gebeurd was. Ik vertrouwde het toch niet helemaal. Ik besloot toen om mijn internetbankieren te controleren. Ik zag toen tot mijn grote schrik dat er voor 1000,- euro gepind was, bij een pinautomaat in Veldhoven. De gegevens van deze pintransactie betreffen de volgende: Geldmaat [adres 3] Pasvolgnr: 018 27-12-2023 17:07 Bedrag: € 1.000,00 Mijn buren op nummer [nummer] hebben een camera naast de poort hangen. Ik doe u deze beelden toekomen. Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.
  3. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 14 februari 2024, dossierpagina’s 27-28, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 2] : Op 2 februari 2024 was ik, verbalisant [verbalisant 2] , belast met het uitkijken en beschrijven van de camerabeelden welke door aangever zijn aangeleverd. Deze camerabeelden zijn afkomstig van de buurman van aangever aan [adres 2] . Door aangever zijn de volgende bestanden met camerabeelden aangeleverd: -
  4. ch01_20231227165800.mp4 -
  5. ch01_20231227170000.mp4 -
  6. ch01_20231227165800.mp4 Linksboven in beeld staat de datum 27 december 2023 en als tijd 16:58:00 uur. Het is mij onbekend of deze tijd overeenkomt met de daadwerkelijke tijd. Om 16:58:52 uur zie ik een wit voertuig aan komen rijden vanuit de richting [straat] / [straat 2] . Om 16:59:42 uur is te zien dat iemand vanaf de voorzijde van het voertuig schuin via het fietspad de stoep komt opgelopen en in de richting van [adres 2] . Ik kan deze persoon, hierna te noemen NN1, als volgt omschrijven. - Man - licht getinte huidskleur - donker kort opgeschoren haar - zwarte gewatteerde jas, op heuplengte, met capuchon. - donkergrijze jeans - zwarte schoenen. De beelden stoppen om 17:01 uur. -
  7. ch01_20231227170000.mp4 Om 17:27:38 uur zie ik dat NN1 vanaf de oprit van [adres 2] weer schuin via de stoep en het fietspad naar de witte auto loopt welke eerder aldaar geparkeerd was. Hij loopt achter de auto langs via de zijkant van de auto richting de bestuurderskant. Daar verdwijnt hij uit het zicht van de camera. Om 17:28:29 uur rijd het voertuig weg in de richting van 't Hofke te Eindhoven. [Het hof gaat ervan uit dat de tijdstippen die door de verbalisant zijn waargenomen op de beelden niet overeenkomen met de daadwerkelijke tijd op 27 december 2023, maar kunnen worden verklaard doordat de camera nog ingesteld stond op zomertijd. In samenhang met bewijsmiddel 1 staat voor het hof vast dat op de door aangeefster aangeleverde beelden de man wordt waargenomen waarover zij in haar aangifte verklaart.]
  8. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 22 februari 2024, dossierpagina 30, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 3] : Naar aanleiding van het pinnen met de gestolen pinpas, werden de camerabeelden van de bank gevorderd, waar op 27 december 2023 om 17.07 uur gepind werd met de gestolen pinpas. Ik zag dat de persoon die op de printscreens stond inderdaad op 27-12-2023 om 17.07 uur pint bij de automaat waarvan de beelden gevorderd waren. Tevens heb ik de printscreens bekeken van de persoon die bij de aangever aan de deur gefilmd is op 27 december
  9. De tijden van de camera die, die beelden vastlegde zijn niet gecontroleerd. De persoon, de vermoedelijke verdachte van de diefstal, komt om 16.58 uur in beeld en gaat dan vermoedelijk de woning van aangever binnen. Ik zie dat die persoon qua kleding, postuur en vorm gelaat, overeenkomt met de persoon die om 17.07 uur geld pint met de gestolen pinpas.
  10. Het proces-verbaal van de terechtzitting bij de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, d.d. 17 juni 2024, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte: Het klopt dat ik op 27 december 2023 te Veldhoven een geldbedrag van € 1.000,00, dat toebehoorde aan [benadeelde] , heb weggenomen met het oogmerk om het me wederrechtelijk toe te eigenen, door middel van een pinpas. Bewijsoverweging De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven opgenomen bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd. Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft. In hetgeen door de raadsman, overeenkomstig de ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde pleitnota, naar voren is gebracht – te weten dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de onder feit 1 tenlastegelegde oplichting, nu op grond van het dossier en de screenshots van de camerabeelden niet kan worden vastgesteld dat de verdachte de persoon is geweest die op de pleegdatum bij aangeefster is langs geweest – ziet het hof geen aanleiding om tot een andere bewezenverklaring te komen dan de politierechter nu dit verweer zijn weerlegging vindt in de hierboven opgenomen bewijsmiddelen. Daarbij overweegt het hof dat de verdachte degene is geweest die heeft gepind met de pinpas van aangeefster, nadat aangeefster diezelfde dag na ongeveer 16.15 uur de betreffende pinpas nog heeft gezien naast het koffieapparaat in de keuken van haar woning toen ook de man daar was die zich voordeed als medewerker van [bedrijf 1] . Verbalisant [verbalisant 3] ziet dat de persoon die op de camerabeelden van de [straat] in beeld komt en vermoedelijk de woning van aangeefster binnengaat, qua kleding, postuur en vorm van het gelaat overeenkomt met de persoon die kort daarna, om 17.07 uur geld pint met de gestolen pinpas bij het geldautomaat in Veldhoven. De verdachte heeft voor deze omstandigheden die op zichzelf en in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd redengevend worden geacht voor het bewijs van het ten laste gelegde feit, geen redelijke, die redengevendheid ontzenuwende verklaring gegeven. Aanvullende strafmotivering In hetgeen door de raadsman van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep naar voren is gebracht ten aanzien van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, ziet het hof geen aanleiding om tot een andere strafoplegging te komen dan de gevangenisstraf die de politierechter heeft opgelegd, gelet op de aard van het delict en de omstandigheid dat de verdachte in een proeftijd liep van een eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf. Vordering tot tenuitvoerlegging De officier van justitie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij arrest van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, van 25 mei 2022 onder parketnummer 20-000851-20 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 1 jaar. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de vordering zal toewijzen tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden en de vordering voor het overige gedeelte zal afwijzen. De raadsman van de verdachte heeft primair verzocht de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen, subsidiair verzocht de proeftijd te verlengen voor de duur van één jaar en meer subsidiair verzocht om een gedeeltelijke tenuitvoerlegging van maximaal 2 maanden gevangenisstraf. Het hof is ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging van oordeel dat, nu gebleken is dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan twee strafbaar feiten schuldig heeft gemaakt en gelet op de aard van die feiten en de kwalijke handelswijze van de verdachte, de tenuitvoerlegging van de gehele voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf dient te worden gelast. Daarbij neemt het hof tevens in aanmerking dat de bij arrest van 25 mei 2022 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 1 jaar eveneens is opgelegd ter zake van soortgelijke feiten en de omstandigheid dat de verdachte in de proeftijd van deze voorwaardelijke straf liep hem kennelijk niet hinderde om zich opnieuw schuldig te maken aan soortgelijke strafbare feiten. BESLISSING Het hof: vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging en doet in zoverre opnieuw recht: beveelt de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 25 mei 2022, parketnummer 20-000851-20, te weten van: een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) jaar; bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het vorenoverwogene. Aldus gewezen door: mr. A.C. Bosch, voorzitter, mr. O.M.J.J. van de Loo en mr. dr. D.V.E.M. van der Wiel-Rammeloo, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. A. Benschop, griffier, en op 30 januari 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.