← Nederland

ECLI:NL:GHSHE:2025:2390

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH Team familie- en jeugdrecht Uitspraak : 4 september 2025 Zaaknummer : 200.351.131/01 Zaaknummer eerste aanleg : C/02/383267 FA RK 21-1149 in de zaak in hoger beroep van: [de vader] , wonende te [woonplaats] , verzoeker in hoger beroep, hierna te noemen: de vader, advocaat: mr. B.H. van der Zwan, tegen [de moeder] , wonende te [woonplaats] , verweerster in hoger beroep, hierna te noemen: de moeder, advocaat: mr. C.L.M. Gommers. Deze zaak gaat over: [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2020 te [geboorteplaats] , hierna: [minderjarige] . In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend: de Raad voor de Kinderbescherming, hierna te noemen: de raad. 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 12 november 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. 2Het geding in hoger beroep 2.

  1. Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking is het verzoek van de vader om hem mede met het gezag over [minderjarige] te belasten afgewezen, is een informatieregeling vastgesteld en is bepaald dat de vader en [minderjarige] gerechtigd zijn tot omgang met elkaar, om de veertien dagen op zaterdag van 8.30 uur tot 18.00 uur. 2.
  2. De vader kan zich met deze beslissing niet verenigen voor zover het betreft de omgangsregeling en hij is hiervan in hoger beroep gekomen. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 12 februari 2025, heeft de vader verzocht voormelde beschikking te vernietigen voor wat betreft de omgangsregeling en opnieuw rechtdoende te bepalen dat er een omgangsregeling wordt vastgesteld waarbij [minderjarige] om het weekend van zaterdagochtend 8.30 uur tot zondag 18.00 uur bij de vader verblijft, althans een door het hof in goede justitie te bepalen omgangsregeling. 2.
  3. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 29 april 2025, heeft de moeder verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek in hoger beroep, althans dit verzoek af te wijzen. 2.
  4. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 24 juli
  5. Bij die gelegenheid zijn gehoord: de vader, bijgestaan door mr. Van der Zwan; de moeder, bijgestaan door mr. Gommers, de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] . 3De feiten 3.
  6. De ouders hebben een relatie gehad en zij zijn de ouders van [minderjarige] . 3.
  7. De vader heeft [minderjarige] erkend. De moeder heeft alleen het gezag over [minderjarige] . 4De beoordeling 4.
  8. De vader voert – samengevat – het volgende aan. Ten onrechte heeft de rechtbank het verzoek van de vader tot vaststelling van een omgangsregeling met overnachting afgewezen. Het huidige contact tussen [minderjarige] en de vader verloopt prettig en zij genieten van elkaars aanwezigheid. [minderjarige] geeft bij de vader aan dat zij bij hem wenst te overnachten. De vader vangt [minderjarige] op straat op bij de aanvang van omgangsmomenten. De vader verblijft tijdens de omgangsmomenten vaak bij zijn ouders of gaat langs bij een goede vriendin zodat [minderjarige] met haar kinderen kan spelen. De rechtbank heeft overwogen dat de vader geen opvoedondersteuning heeft ingeschakeld, terwijl dat wel noodzakelijk werd geacht. De vader merkt op dat het niet vanwege zijn weigerachtige houding is geweest dat opvoedondersteuning niet is ingezet, maar vanwege het feit dat het niet haalbaar was met zijn werk. De vader is tijdens de procedure bij de rechtbank werkloos geworden aangezien hij te veel afspraken had met de hulpverlening. Na enige tijd heeft hij een nieuwe baan gevonden, maar hiermee was het niet mogelijk om opvoedondersteuning in te zetten op een doordeweekse dag. Er bleek verder geen organisatie te zijn die opvoedondersteuning in de weekenden kon faciliteren. De vader heeft in dit kader nog contact opgenomen met het Sociaal team [gemeente 1] , maar zij gaven aan dat de vader zich dient te wensen tot de gemeente waar [minderjarige] woonachtig is. De vader heeft contact opgenomen met de gemeente [gemeente 2] , maar kon daar niets in gang zetten omdat hij niet het gezag over [minderjarige] heeft. De vader komt zodoende niet verder. De vader komt per 1 augustus 2025 in vaste dienst bij zijn werkgever en hoopt dat er dan wellicht iets geregeld kan worden zodat de vader doordeweeks opvoedondersteuning kan krijgen. Er hebben jaren omgangsmomenten plaatsgevonden onder begeleiding van [instantie 1] , de omgangsmomenten zijn toen uitgebreid. Er zijn destijds geen concrete zorgen geuit over de opvoedcapaciteiten van de vader. Het is daarom opmerkelijk dat [instantie 1] later opvoedondersteuning adviseert om zicht te krijgen op zijn opvoedvaardigheden. Daar had al zicht op moeten komen in de jaren dat [instantie 1] de omgangsmomenten begeleidde. In het raadsrapport is benoemd dat de vader niets zou doen met adviezen van de moeder. Dat is inmiddels veranderd en de vader neemt nu juist contact op met de moeder om informatie in te winnen over bijvoorbeeld passend speelgoed voor [minderjarige] . Dat de communicatie tussen de ouders niet goed verloopt is vervelend, maar is geen contra-indicatie om de omgang niet uit te breiden. De zorgen van de moeder komen voort uit haar behoefte om de controle te behouden. Zij maakt de zorgen onnodig groot: de vader heeft [minderjarige] een keer enkele minuten te laat teruggebracht, dat is niet zo gek bij een ruime reistijd. [minderjarige] is inderdaad een keer verbrand, maar de zon scheen niet zodat hij er niet aan had gedacht haar in te smeren. Met een bezoek aan de huisartsenpost en antibiotica om die reden overdrijft de moeder. 4.
  9. De moeder voert – samengevat – het volgende aan. De ouders hebben via hulpverlening stappen gezet om tot enigszins normale verhoudingen te komen, om zo op een verantwoorde wijze omgang te laten plaatsvinden tussen [minderjarige] en de vader. Zowel de raad als de hulpverlening hebben aangegeven dat in de situatie van de ouders het hoogst haalbare is bereikt. Hierbij speelt een rol dat persoonlijke hulp aan de zijde van de vader is uitgebleven. Opvoedondersteuning voor de vader was van aanvang af geïndiceerd maar is door hem afgewezen. De vader had de moeder kunnen vragen om in haar gemeente hiervoor iets aan te vragen. Er zijn zorgen geweest over de opvoedsituatie aan de zijde van de vader, met name over het sensitief opvoeden, het kunnen inleven in wat [minderjarige] vraagt of nodig heeft maar ook op het gebied van hygiëne. [minderjarige] is recent met verbrande schouders teruggekomen na een omgangsmoment. Na zindelijkheidsproblemen had de vader wel de onderbroek verschoond, maar niet de spijkerbroek. De moeder ervaart met regelmaat dat de vader haar niet serieus neemt als zij informatie over [minderjarige] met hem deelt, bijvoorbeeld als [minderjarige] moe is en het daarom belangrijk is dat zij goed slaapt. Toen [minderjarige] een ontstoken vinger had, moest de vader hard lachen. De overdrachtsmomenten vinden al een half jaar op straat plaats, de moeder vindt dat niet prettig. Het is geen optie om dat met de vader te bespreken. Als de vader te laat is om [minderjarige] terug te brengen, meldt hij dat niet aan de moeder. In het ouderschapsplan is opgenomen dat de omgangsmomenten incidenteel in goed overleg kunnen worden aangepast. De moeder ervaart dat de vader hierin heel dwingend is en het niet accepteert als de moeder een ander alternatieve datum voorstelt dan hij. De communicatie vanuit de vader is onaangenaam, hij reageert vanuit strijd en heeft de neiging gesprekken te laten escaleren. De moeder laat bepaalde communicatie nog steeds via de hulpverlener van [instantie 2] verlopen. De vader vermeldt dat hulpverlening aan zijn zijde niet is aangevangen omdat hij dit niet met zijn werk kan combineren, maar vermeldt ook dat er geen hulpverlening nodig zou zijn. De moeder leidt daaruit af dat de vader niet werkelijk gemotiveerd is zich daarvoor in te zetten. 4.
  10. De raad adviseert – samengevat – het volgende. De raad blijft bij het advies uit het eerdere raadsrapport. De raad ziet niet dat de situatie dusdanig is veranderd dat uitbreiding van de omgang mogelijk is. Er is sprake van een kwetsbaar evenwicht tussen de ouders. Er moet niet veel mis gaan. De raad acht de kans groot dat als er iets zou gebeuren waardoor de spanningen tussen de ouders oplopen, dit direct effect op [minderjarige] heeft. De opvoedondersteuning bij de vader is nodig. Er moet meer zicht komen op hoe de vader aansluit bij [minderjarige] . Er zijn zorgen maar de vader herkent deze niet. Er is geen vertrouwen tussen de ouders. Wanneer een ouder tien minuten te laat zou komen na een omgangsmoment, hoeft dat normaliter geen probleem te zijn. Vanwege het gebrek aan vertrouwen, geeft dat echter stress bij de moeder. De vader krijgt vervolgens weer stress door de reactie van de moeder. Die verstandhouding krijgt [minderjarige] mee. Via [instantie 1] is geprobeerd iets in de verstandhouding te wijzigen, maar dat is niet goed gelukt. Het is aan de vader om via zijn werkgever iets te proberen te regelen zodat opvoedondersteuning mogelijk wordt. Het zou gaan om één keer per twee weken. Wellicht kan hij vanuit zijn eigen gemeente wel ondersteund worden om dat gesprek met zijn werkgever aan te gaan. 4.
  11. Het hof overweegt als volgt. 4.4.
  12. Ingevolge artikel 1:377a van het Burgerlijk Wetboek (BW) stelt de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast. 4.4.
  13. De rechtbank heeft naar aanleiding van het rapport van het Uniform Hulpaanbod van 18 september 2022 en de daaropvolgende rapportage van de raad van 18 juni 2024 het raadsadvies gevolgd en bepaald dat [minderjarige] één keer per twee weken een zaterdag bij de vader is van 8.30 tot 18.00 uur. Naar voren is gekomen dat deze omgangsregeling, ondanks spanningen tussen de ouders, redelijk goed verloopt. Het hof acht het van groot belang om deze situatie stabiel te houden. De ouders komen van ver en er is in de afgelopen jaren veel hulpverlening geweest. Uit de trajecten bij [instantie 1] en [instantie 2] zijn zorgen naar voren gekomen. De vader (h)erkent deze zorgen. Het hof constateert dat er tot op heden te weinig zicht is op de opvoedingscapaciteiten van de vader wat betreft het sensitief opvoeden van [minderjarige] en het bij haar kunnen aansluiten, terwijl hier wel zorgen over zijn. Het gaat dan om het inspelen op de behoefte van [minderjarige] , passend bij haar leeftijd. De vader heeft nog geen hulp gehad hierbij. Afgezien van het feit dat de vader heeft aangegeven dat dat door praktische aangelegenheden komt, zijn hierdoor de zorgen over de vader rondom het opvoeden van [minderjarige] onverminderd aanwezig. Gelet hierop, en ook op de leeftijd van [minderjarige] en het kwetsbare evenwicht tussen de ouders, acht het hof een verdere uitbreiding van de omgang op dit moment niet in het belang van [minderjarige] . Er bestaat een te groot risico dat bij uitbreiding van de zorgregeling op dit moment er zich meer problemen gaan voordoen in de verstandhouding van de ouders, waar [minderjarige] last van zal ervaren. Dat is niet in haar belang. 4.
  14. Op grond van het vorenstaande zal het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigen. 5De beslissing Het hof: bekrachtigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 12 november 2024, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen; wijst af het meer of anders verzochte. Deze beschikking is gegeven door mrs. E.M.C. Dumoulin, S.P.A. Wensink-Vergunst en E.F.M. van Swaaij en is op 4 september 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van mr. C.A.M. Smolders, griffier.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.