← Nederland

ECLI:NL:GHSHE:2025:2394

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH Team familie- en jeugdrecht Uitspraak : 4 september 2025 Zaaknummers : 200.355.837/01 en 200.355.848/01 Zaaknummer 1e aanleg : C/03/340665 / JE RK 25-583 en C/03/340666 / JE RK 25-584 in de zaken in hoger beroep van: [de moeder] , wonende te [woonplaats] , verzoekster in hoger beroep, hierna te noemen: de moeder, advocaat: mr. L.A.W. Hermans, tegen het Landelijk Expertiseteam Jeugdbescherming, hierna te noemen: het LET JB, namens Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg, gevestigd te [vestigingsplaats] , verweerster in hoger beroep, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI). Deze zaak gaat over de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen: - [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2015, hierna te noemen [minderjarige 1] ; - [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] 2017 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige 2] . Het hof merkt als belanghebbende aan: [de vader] , wonende in [woonplaats] , hierna te noemen: de vader, advocaat: mr. D.M.J.M.G. Cuijpers. In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend: de Raad voor de Kinderbescherming, hierna te noemen: de raad. 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 18 april 2025, uitgesproken onder voormelde zaaknummers. 2Het geding in hoger beroep 2.

  1. Bij beroepschriften met productie, beiden ingekomen ter griffie op 4 juni 2025, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen. 2.
  2. Tijdens de mondelinge behandeling heeft mr. Hermans de verzoeken mondeling aangevuld en gewijzigd, aldus dat de moeder het hof verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende het verzoek van de GI tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] bij de vader voor de duur van de ondertoezichtstelling af te wijzen, dan wel te beperken tot een kortere periode. 2.
  3. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 28 juli 2025, heeft het LET JB verzocht het hoger beroep van de moeder af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen. 2.
  4. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 6 augustus 2025, heeft de vader verzocht de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar hoger beroep dan wel haar verzoek in hoger beroep af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen, met veroordeling van de moeder in de proceskosten van onderhavige procedure. 2.
  5. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 12 augustus
  6. Bij die gelegenheid zijn gehoord: de moeder via een digitale verbinding (zonder beeld), bijgestaan door mr. Hermans; het LET JB, vertegenwoordigd door twee personen; de vader, bijgestaan door mr. Cuijpers. 2.
  7. De raad heeft zich bij brief van 17 juli 2025 afgemeld voor de mondelinge behandeling. 2.
  8. Het hof heeft verder kennisgenomen van de inhoud van: het door het hof bij mr. Hermans opgevraagde verzoek van de GI tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van 7 april 2025 (met bijlagen), ontvangen op 24 juli 2025 en 6 augustus 2025; producties 2 en 5 van de zijde van de moeder, ontvangen op 4 augustus
  9. 3De beoordeling 3.
  10. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] staan sinds 3 november 2022 onder toezicht van de GI. De ondertoezichtstelling is laatstelijk verlengd tot 3 november
  11. 3.
  12. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn op grond van een daartoe strekkende machtiging sinds 28 januari 2025 uit huis geplaatst bij de vader. 3.
  13. Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de vader verlengd voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot uiterlijk 3 november
  14. 3.
  15. De uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregel gebeurt sinds 12 mei 2025 door het LET JB onder verantwoordelijkheid van de GI. 3.
  16. De moeder kan zich met de bestreden beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen. 3.6.
  17. De moeder voert in de beroepschriften de volgende grieven aan. De rechtbank heeft ten onrechte niet heroverwogen of de situatie bij de moeder en de stiefvader veilig is, waardoor een verlenging van de uithuisplaatsing niet noodzakelijk is. De rechtbank is ten onrechte over de zorgen van de moeder heen gestapt en heeft ten onrechte geen rekening gehouden met de niet neutrale situatie bij de vader. De rechtbank komt verder ten onrechte tot de conclusie dat een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk is in het belang van de kinderen. Deze overweging heeft de rechtbank onvoldoende onderbouwd. 3.6.
  18. De moeder geeft tijdens de mondelinge behandeling te kennen dat een thuisplaatsing van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] bij haar en de stiefvader op dit moment niet aan de orde is. De moeder ontkent dat de situatie bij haar en de stiefvader niet veilig is voor de kinderen, maar zij ziet dat de kinderen (deels) aansluiting missen. Een terugplaatsing is op dit moment niet in het belang van de kinderen, aldus de moeder. 3.
  19. Het LET JB voert – samengevat – aan dat de situatie bij de moeder en de stiefvader op dit moment nog niet veilig genoeg is voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] om hier weer te kunnen verblijven. Eerst moet het hulpverleningstraject worden doorlopen en moeten de verdere ontwikkelingen binnen de omgang worden afgewacht. 3.
  20. De vader voert – samengevat – aan dat er een bodemprocedure loopt over onder meer het hoofdverblijf van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken. De raad is bezig met een raadsonderzoek. Het is in het belang van de kinderen dat de huidige plaatsing bij de vader wordt gecontinueerd. 3.
  21. Het hof overweegt het volgende. 3.9.
  22. Ingevolge artikel 1:265b lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. 3.9.
  23. Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de rechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar. 3.9.
  24. Omdat de moeder enerzijds verzoekt om de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] alsnog af te wijzen, hetgeen zou betekenen dat de kinderen per direct terug naar de moeder en de stiefvader zouden gaan, en de moeder anderzijds aangeeft dat het niet in het belang is van de kinderen dat zij op dit moment weer bij de moeder gaan wonen, heeft het hof de (advocaat van de) moeder tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep gevraagd om een toelichting van dit inhoudelijk tegenstrijdige standpunt. Gebleken is dat de moeder met de procedure in hoger beroep wil bewerkstelligen dat het LET JB een andere weg inslaat, voortvarend aan de slag gaat met de hulpverlening voor [minderjarige 2] en [minderjarige 1] zodat het proces in een versnelling raakt. Zoals het hof de (advocaat van de) moeder heeft voorgehouden tijdens de mondelinge behandeling, is het voeren van een procedure in hoger beroep tegen de beschikking tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing terwijl er in feite wordt aangestuurd op een wijziging van de handelwijze van de GI hiervoor niet bedoeld. Het gaat immers bij de beoordeling van een hoger beroep tegen een machtiging tot uithuisplaatsing om de vraag of is voldaan aan de wettelijke vereisten van artikel 1:265b BW. De moeder heeft geen gronden aangevoerd die maken dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] niet meer aan de orde zou moeten zijn dan wel dat of tot wanneer de termijn zou moeten worden beperkt. Ook anderszins is het hof niet gebleken dat een terugkeer van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] naar de moeder op dit moment verantwoord is. 3.9.
  25. Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking zal worden bekrachtigd. 3.10.
  26. De vader verzoekt om de moeder te veroordelen tot vergoeding van de door hem gemaakte proceskosten in hoger beroep. In familiezaken is het gebruikelijk dat proceskosten worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij en/of belanghebbende de eigen proceskosten draagt. Het hof ziet in deze zaak echter aanleiding om de moeder te veroordelen in de kosten van de procedure in hoger beroep. De moeder heeft hoger beroep tegen de bestreden beschikking ingesteld en eerst tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep naar voren gebracht dat zij het niet in het belang van de kinderen acht dat de kinderen op dit moment weer bij haar gaan wonen. Ze heeft met het hoger beroep beoogd de werkwijze van het LET JB aan de orde te stellen en het proces te versnellen maar daar is, zoals het hof hiervoor heeft overwogen, het middel van hoger beroep niet voor bedoeld, hetgeen de (advocaat van de) moeder had moeten weten. Onder die omstandigheden kan niet anders worden geoordeeld dan dat de moeder door deze proceshouding voor de vader onnodig en ongegrond kosten heeft veroorzaakt. Het hof zal daarom de moeder veroordelen in de proceskosten in hoger beroep gevallen aan de zijde van de vader. 3.10.
  27. Het hof zal voor de begroting van de proceskosten aansluiten bij het toepasselijke liquidatietarief. Het hof gaat daarbij uit van tarief II in hoger beroep (zaken van onbepaalde waarde) van € 1.214,- per punt. Het hof stelt de kosten in hoger beroep vast op € 1.214,- x 2 (1 punt voor het verweerschrift en 1 punt voor het bijwonen van de mondelinge behandeling), in totaal op € 2.428,-. In de onderhavige zaak is door het hof geen griffierecht geheven, zodat de proceskosten beperkt blijven tot het liquidatietarief. Dit leidt tot de volgende beslissing. 4De beslissing Het hof: bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 18 april 2025; veroordeelt de moeder in de proceskosten van het hoger beroep aan de kant van de vader, tot aan deze uitspraak vastgesteld op € 2.428,- overeenkomstig het liquidatietarief; wijst af het meer of anders verzochte. Deze beschikking is gegeven door mrs. A.M. Bossink, C.M.J. Peters en E.F.M. van Swaaij en is op 4 september 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.