← Nederland

ECLI:NL:GHSHE:2025:2397

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH Team familie- en jeugdrecht Uitspraak : 19 augustus 2025 Zaaknummers : 200.356.399/01 en 200.356.339/02 Zaaknummer eerste aanleg : C/03/328977 / FA RK 24-1148 in de zaak in hoger beroep van: [de vader] , wonende te [woonplaats] , verzoeker in hoger beroep, hierna te noemen: de vader, advocaat: mr. H. van Straten, tegen [de moeder] , wonende op een voor het hof bekend geheim adres, verweerster in hoger beroep, hierna te noemen: de moeder, thans zonder advocaat. Deze zaak gaat over: [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2020 te [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] . Als belanghebbende merkt het hof aan: Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg, gevestigd te [vestigingsplaats] , hierna te noemen: de GI (gecertificeerde instelling) In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend: de Raad voor de Kinderbescherming, hierna te noemen: de raad. 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond , van 16 mei 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. 2Het geding in hoger beroep 2.1. Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de rechtbank: bepaald dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de moeder zal zijn; aan de moeder vervangende toestemming verleend, welke in de plaats treedt van de toestemming van de vader, om [minderjarige] in te schrijven bij [school 1] school te [plaats] ; een zorgregeling bepaald tussen [minderjarige] en de vader, waarbij [minderjarige] om de week gedurende een week bij de vader verblijft, waarbij het wisselmoment op maandagochtend (voor school en op vrije dagen om 10.00 uur) zal zijn; bepaald dat in de zomervakantie [minderjarige] in de even jaren de eerste drie weken bij de vader en de laatste drie weken bij de moeder verblijft en in de oneven jaren de eerste drie weken bij de moeder en de laatste drie weken bij de vader; bepaald dat [minderjarige] in de oneven jaren eerste Kerstdag bij de moeder verblijft en tweede Kerstdag bij de vader. In de even jaren zal [minderjarige] eerste Kerstdag bij de vader zijn en tweede Kerstdag bij de moeder zijn. Het wisselmoment vindt plaats om 10.00 uur; bepaald dat [minderjarige] tijdens Oud en Nieuw in de oneven jaren bij de moeder verblijft en in de even jaren bij de vader. Het wisselmoment vindt plaats op 31 december en op 1 januari om 16.00 uur. 2.2. De vader kan zich met deze beslissing niet verenigen voor wat betreft de hoofdverblijfplaats, de vervangende toestemming en het co-ouderschap en hij is hiervan in hoger beroep gekomen. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 19 juni 2025 en zoals verbeterd tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep, heeft de vader verzocht: in de hoofdzaak: voormelde beschikking te vernietigen voor zover het betreft de hoofdverblijfplaats, de aan de moeder verleende vervangende toestemming om [minderjarige] in te schrijven op [school 1] school te [plaats] en het co-ouderschap, en in zoverre opnieuw rechtdoende, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: I. te bepalen dat het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de vader zal zijn; II. aan de vader vervangende toestemming te verlenen om [minderjarige] in te schrijven op basisschool [school 2] te [woonplaats vader] ; III. de zorgregeling tussen [minderjarige] en de moeder te wijzigen, waarbij wordt bepaald dat: [minderjarige] in de even weken van woensdagmiddag na schooltijd tot woensdagavond na het eten (18.30 uur) bij de moeder is. De moeder haalt [minderjarige] op uit school en de vader haalt [minderjarige] vervolgens op bij de moeder; in de oneven weken [minderjarige] van woensdagmiddag na schooltijd tot woensdagavond na het eten (18.30 uur) en op vrijdagmiddag na schooltijd tot zondagavond (18.30 uur) bij de moeder is. De moeder haalt [minderjarige] op beide middagen uit school en de vader haalt [minderjarige] vervolgens op bij de moeder; althans een zorgregeling vast te stellen als het hof in goede justitie vermeent te behoren. in het incident: om de uitvoerbaarheid bij voorraad van de beschikking waarvan hoger beroep te schorsen. 2.3. De moeder heeft tijdens de mondelinge behandeling verweer gevoerd. 2.4. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 19 augustus 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord: de vader, bijgestaan door mr. Van Straten; de moeder, de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI 1] en [vertegenwoordiger van de GI 2] ; de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] . 2.5. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van het V6-formulier met bijlagen d.d. 12 augustus 2025 namens de vader. 3De feiten 3.1. De vader en de moeder hebben een relatie gehad en zij zijn de ouders van [minderjarige] . De vader heeft [minderjarige] erkend en de ouders hebben in het gezagsregister laten aantekenen dat zij gezamenlijk zijn belast met het gezag over [minderjarige] . 3.2. De moeder heeft nog een zoon uit een eerdere relatie: [zoon] . 3.3. Na het uiteengaan van partijen is [minderjarige] bij de vader gaan wonen. 3.4. [zoon] heeft van januari 2022 tot april 2024 bij de vader gewoond op basis van een machtiging tot uithuisplaatsing. Sindsdien woont hij weer bij de moeder. 3.5. Bij beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond , van 22 september 2022 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van een jaar. Deze maatregel is vervolgens steeds verlengd, laatstelijk tot 22 september 2025. 3.6. Bij beschikking van de rechtbank van 7 december 2023 is, met instemming van de ouders, bepaald dat de verdeling van zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders buiten de vakanties als volgt wordt verdeeld: [minderjarige] gaat een keer in de twee weken van woensdagavond 18.00 uur (de moeder haalt hem

  1. op)tot maandagmorgen naar de moeder (de vader haalt hem in de morgen op voor schooltijd). De vader brengt [minderjarige] vervolgens naar school/opvang. Ook is een verdeling voor de vakanties en feestdagen bepaald. 4De beoordeling 4.1. De vader voert – samengevat – het volgende aan. Ten onrechte heeft de rechtbank de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de moeder bepaald en overwogen dat het volgen van het raadsadvies waarschijnlijk zal leiden tot meer nadelige gevolgen voor [minderjarige] . [minderjarige] heeft, zoals geadviseerd in het raadsrapport, recht op de continuering van een stabiele opvoedomgeving. [minderjarige] verbleef al jaren bij de vader die hem deze stabiele en emotioneel veilige opvoedomgeving biedt, door aan te sluiten bij zijn opvoedingsbehoeften en het contact met de moeder te stimuleren. Volgens de raad is een minder frequent contact van [minderjarige] met [zoon] en de moeder ondergeschikt aan stabiliteit en continuïteit in zijn primaire opvoedingsomgeving. Daarbij twijfelt de raad of het de moeder lukt om [minderjarige] uit de strijd te houden en om hem een onbelast contact met de vader te laten hebben. Gebleken is dat dit de moeder niet lukt; het gaat sinds de bestreden beschikking minder goed met [minderjarige] . Bij de moeder is er continu sprake van instabiliteit. De GI deelt de zorgen over [minderjarige] en deze zorgen komen terug in het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling. Dat klemt te meer omdat de vader heeft getracht om een zorgregeling voor [zoon] te treffen zodat [minderjarige] en [zoon] meer contact met elkaar zouden kunnen hebben. De moeder staat die zorgregeling echter niet toe, althans zij stelt daaraan allerlei oneigenlijke, vexatoire voorwaarden die niet uitvoerbaar zijn. De rechtbank overweegt ten onrechte dat de moeder meer beschikbaar is voor [minderjarige] dan de vader en miskent de problematiek van de moeder. Zij is gediagnostiseerd met hechtingsproblemen, borderline, PTSS, depressie en ADHD. De moeder heeft haar persoonlijke problematiek nog niet onder controle en is daardoor niet altijd voldoende stabiel om [minderjarige] te bieden wat hij nodig heeft. De moeder kampt met emotie-regulatieproblemen waardoor ze haar eigen handelen niet altijd in de hand heeft en de gevolgen daarvan voor [minderjarige] niet of onvoldoende overziet. Dit heeft invloed op de veiligheid voor [minderjarige] (en [zoon] ). Dat blijkt onder andere uit het incident van 10 juni 2025, waarbij de moeder de oma (
  2. mz)heeft geslagen in een rijdende auto in het bijzijn van [minderjarige] en [zoon] . Bij de moeder thuis is de situatie verder geëscaleerd waarna een buurtbewoner de politie heeft ingeschakeld. Als gevolg hiervan is de moeder aangehouden en heeft ze een nacht op het politiebureau doorgebracht. Ook is de crisisdienst toen betrokken. Naar aanleiding van het incident heeft de GI ambulante spoedhulp (ASH) bij de moeder ingezet. De vader maakt zich al jaren zorgen over de veiligheid van [minderjarige] wanneer hij bij de moeder verblijft en het incident benadrukt dit. Het is in het belang van [minderjarige] dat hij zo weinig mogelijk wordt blootgesteld aan deze risicovolle omgeving. In het veiligheidsplan is de veiligheid bij de moeder ingeschat op niveau 3 op een schaal van 1 tot 10. De hoop die de rechtbank heeft uitgesproken dat de moeder in staat is om de strijd met de vader te staken is ondoordacht en naïef (gebleken). De vader scoort evenmin een 10 maar hij kan [minderjarige] wel rust en structuur bieden. Afwachten of de situatie bij de moeder met de inzet van hulpverlening verbetert, is voor [minderjarige] onverantwoord. Ten onrechte heeft de rechtbank tussen partijen een co-ouderschapsregeling bepaald. Voor een dergelijke regeling is een meer dan goede samenwerking tussen de ouders een absolute voorwaarde. Beide ouders zijn alsdan verantwoordelijk voor de doordeweekse verplichtingen van de kinderen en zullen dit en overige opvoedingstaken steeds met elkaar moeten afstemmen. Het enorme wantrouwen en de zeer gebrekkige communicatie tussen de ouders biedt hier op dit moment geen draagvlak voor. De rechtbank heeft ook het duidelijke raadsadvies genegeerd, inhoudende dat een co-ouderschapsregeling niet in het belang van [minderjarige] is omdat hij dan nog meer belast zal worden met de strijd tussen de ouders. Gezien de duidelijke contra-indicaties voor een co-ouderschap is het oordeel van de rechtbank onbegrijpelijk. Tot slot heeft de rechtbank ten onrechte aan de moeder vervangende toestemming verleend voor de toestemming van de vader om [minderjarige] in te schrijven bij [school 1] school te [plaats] . De raad adviseerde dat het het meest in het belang van [minderjarige] is dat hij de school in de woonplaats [woonplaats vader] bezoekt, omdat hij dan gemakkelijk met vrienden kan afspreken en op dit vlak geen uitzonderingspositie heeft. [minderjarige] woont al zijn hele leven in [woonplaats vader] en heeft daar al vriendjes en vriendinnetjes die ook allemaal in [woonplaats vader] naar school gaan. Het is in zijn belang dat hij die vriendschapsbanden kan (onder)houden. Voor de vader is het ook niet haalbaar om op schooldagen iedere morgen en middag naar [plaats] te rijden. De uitvoering van de beschikking ten aanzien van het hoofdverblijf en het co-ouderschap heeft tot een zodanige escalatie geleid, dat het noodzakelijk is dat de uitvoerbaar bij voorraadverklaring wordt geschorst. 4.2. De moeder voert – samengevat – het volgende aan. Uit de raadsonderzoeken en de conclusies van ASH zijn geen specifieke zorgen over de opvoedcapaciteiten van de moeder gekomen. De kinderen ervaren geen problemen door het gebrek aan emotieregulatie bij de moeder, maar hebben last van de vechtscheiding. De moeder heeft eerder zelf al aangegeven dat er hulpverlening moest komen voor [minderjarige] . Het klopt niet dat de moeder de kinderen zou slaan. Dat heeft [minderjarige] gezegd in een gesprek nadat hij bij de vader was geweest. Als er met [minderjarige] gesproken zou worden nadat hij bij de moeder is geweest zou hij andere dingen zeggen. De moeder heeft geen emotie-regulatieproblematiek. In gesprekken over volwassenzaken kunnen de emoties oplopen, maar daar hebben de kinderen geen last van. Naar de kinderen toe verheft de moeder alleen soms haar stem als zij bijvoorbeeld iets gevaarlijks doen. De moeder is getraumatiseerd omdat ze zelf vroeger uit huis is geplaatst. Daarom heeft ze ook een moeizame verstandhouding met de GI. Het incident met oma kwam door het toedoen van de oma; zij heeft de moeder eerst geslagen. De behandeling van de moeder is nog niet gestopt, ze krijgt onder andere nog EMDR. De vader kan [minderjarige] niet uit de strijd houden. [minderjarige] heeft bij [instantie] aangegeven dat de vader het leuk vindt als [minderjarige] grapjes over de moeder maakt of de moeder zwart maakt. Over de vader zijn ook zorgen. Hij heeft de moeder eerder in elkaar geslagen, rijdt onder invloed waar de kinderen bij zijn en er is geregeld politie bij hem. Ook is de vader niet thuis voor [minderjarige] en verblijft [minderjarige] steeds bij gastouders. Het gaat niet goed met de kinderen. Met [minderjarige] gaat het wel beter sinds de bestreden beschikking. Hij zit bij [zoon] op school en daar gaat het goed met hen. [minderjarige] gaat schade toegebracht worden als hij wordt gescheiden van [zoon] . 4.3. De GI voert – samengevat – het volgende aan. De GI heeft een verlenging van de ondertoezichtstelling verzocht. De GI heeft onder andere zorgen over de emotie-regulatieproblematiek van de moeder. De GI heeft gesprekken met de moeder gevoerd waarbij emoties hoog kunnen oplopen, waarbij de kinderen aanwezig zijn. Het is moeilijk om dingen bespreekbaar te maken met de moeder. De GI heeft vragen over keuzes die door de moeder gemaakt worden. Er gebeurt steeds iets in de opvoedomgeving. Er is aan ASH gevraagd om meer zicht te krijgen op de situatie. Daaruit is naar voren gekomen dat er geen acute onveiligheid is, maar wel dat de moeder het moeilijk heeft. ASH wil intensieve thuishulp inzetten. De GI vindt het belangrijk om dat op te pakken, daar is de GI mee bezig. Er moet hulp komen voor de moeder en voor de kinderen. De GI maakt zich zorgen over hoe het op dit moment met de kinderen gaat. 4.4. De raad adviseert – samengevat – het volgende. De raad blijft bij het in eerste aanleg gegeven advies. [minderjarige] kan bij de vader een stabiele opvoedsituatie hebben. Bij de moeder blijkt dat heel lastig. Dat heeft twee oorzaken: de ouders kunnen niet met elkaar door een deur en er zijn zorgen over de opvoedvaardigheden van de moeder. Het is duidelijk dat er meer rust en duidelijkheid is voor [minderjarige] bij de vader dan bij de moeder. De rechtbank is te ver gegaan door een co-ouderschapsregeling zo centraal te stellen. Hiermee is [minderjarige] alle rust ontnomen. Er zijn op dit moment twee mogelijkheden: de situatie terugdraaien of nog meer hulp inzetten en afwachten of het misschien over een tijd beter gaat. Dan zullen er mogelijk schriftelijke aanwijzingen moeten komen en dit zal wellicht leiden tot een verzoek van de GI tot plaatsing bij de vader als het niet positief uitpakt. De raad maakt zich zorgen en adviseert de situatie terug te draaien. 4.5. Het hof overweegt als volgt. in de zaak met zaaknummer 200.356.399/01: 4.5.1. Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter worden voorgelegd. Daartoe behoort ook het geschil bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft, een geschil omtrent de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en een geschil omtrent de inschrijving op een basisschool. De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt. 4.5.2. Het hof is van oordeel dat de (woon)situatie voor [minderjarige] bij de moeder minder stabiel is dan de (woon)situatie voor [minderjarige] bij de vader. Op grond van de stukken en het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling is duidelijk geworden dat er veel zorgen zijn over de thuissituatie bij de moeder. Er zijn zorgen over de emotie-regulatie van de moeder, haar emotionele beschikbaarheid voor [minderjarige] en of zij voldoende sensitief en responsief reageert op de behoeftes van [minderjarige] . Deze zorgen zijn dusdanig dat er intensieve thuishulp nodig zou zijn om de voor [minderjarige] benodigde verbetering te bewerkstelligen. De GI is bezig om deze hulp op te starten. De moeder is in beginsel niet afwijzend tegen hulpverlening, maar gezien wordt dat zij op dit moment overbelast is waardoor dit nog niet van de grond is gekomen. Het hof acht het niet in het belang van [minderjarige] om deze hulp en de resultaten daarvan af te wachten, temeer omdat de thuissituatie bij de vader bekend is voor [minderjarige] . Hij heeft bijna vier jaar bij de vader gewoond, alwaar het goed met hem ging en hij zich goed heeft ontwikkeld. Het hof acht het in het belang van [minderjarige] wenselijk dat hij zo snel mogelijk in de voor hem meest stabiele thuissituatie komt te wonen. Dat hij hierdoor minder contact zal hebben met [zoon] doet aan het voorgaande niets af. [minderjarige] is een jonge jongen en zijn ontwikkeling is gebaat bij rust en stabiliteit in de thuissituatie. 4.5.3. Het hof acht een co-ouderschapsregeling niet in het belang van [minderjarige] . Niet alleen zijn hier praktische bezwaren tegen mede in verband met de reisafstand naar school, ook is de verstandhouding tussen de ouders dusdanig verstoord dat zij hier geen goede invulling aan kunnen geven. Het hof acht de eerder door de raad geadviseerde en in hoger beroep door de vader verzochte zorgregeling waarbij [minderjarige] iedere woensdagmiddag uit school tot na het eten (18.30 uur) en in de oneven weken van vrijdag uit school tot zondagavond 18.30 uur bij de moeder verblijft, in het belang van [minderjarige] wenselijk. In verband hiermee zal het hof de vader vervangende toestemming voor de toestemming van de moeder verlenen om [minderjarige] in te schrijven op basisschool [school 2] te [woonplaats vader] . [minderjarige] zal het grootste deel van de tijd in [woonplaats vader] verblijven en het is zowel praktisch als in verband met sociale aangelegenheden wenselijk dat hij daar naar school gaat. 4.6. Op grond van het vorenstaande zal het hof de beschikking waarvan beroep vernietigen voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de vader bepalen, vervangende toestemming verlenen aan de vader om [minderjarige] in te schrijven op basisschool [school 2] te [woonplaats vader] en een zorgregeling vaststellen tussen [minderjarige] en de moeder. Het hof zal deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaren. in de zaak met zaaknummer 200.356.339/02: 4.7. Omdat het hof direct mondeling uitspraak heeft gedaan in de hoofdzaak, heeft de vader geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van zijn verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraadverklaring van de bestreden beschikking. Dit brengt mee dat de vader niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het schorsingsverzoek. 5De beslissing Het hof: in de zaak met zaaknummer 200.356.399/01: vernietigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond , van 16 mei 2025, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen; en in zoverre opnieuw rechtdoende: bepaalt het hoofdverblijf van [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2020 te [geboorteplaats] , bij de vader; verleent aan de vader, ter vervanging van de toestemming van de moeder, toestemming om [minderjarige] in te schrijven op basisschool [school 2] te [woonplaats vader] ; stelt omtrent de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen [minderjarige] en de moeder vast dat [minderjarige] bij de moeder is: iedere woensdag na school tot na het eten (18.30 uur), waarbij de moeder [minderjarige] uit school ophaalt en de vader [minderjarige] bij de moeder ophaalt; in de oneven weken van vrijdag na school tot zondag 18.30 uur, waarbij de moeder [minderjarige] uit school ophaalt en de vader [minderjarige] bij de moeder ophaalt. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad; wijst af het meer of anders verzochte. in de zaak met zaaknummer 200.356.339/02: verklaart de vader niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot schorsing van de werking van de bestreden beschikking. Deze beschikking is gegeven door mrs. A.M. Bossink, G.M. Goes en M.E.M. Beijersbergen en is op 19 augustus 2025 mondeling uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van mr. C.A.M. Smolders, griffier, en op schrift gesteld op 2 september 2025.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.