GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.319.804/02 arrest van 9 september 2025 in de zaak van [appellant] , wonende te [woonplaats] , appellant in principaal hoger beroep, geïntimeerde in incidenteel hoger beroep, hierna aan te duiden als [appellant] , advocaat: mr. M.A.F. Evers te [A] , tegen 1 [geïntimeerde sub 1] ,wonende te [woonplaats] , 2. Maja Investments Oisterwijk B.V.,gevestigd te [vestigingsplaats] , 3. Maja Deelnemingen B.V.,gevestigd te [vestigingsplaats] , geïntimeerden in principaal hoger beroep, appellanten in incidenteel hoger beroep, hierna gezamenlijk aan te duiden als [geïntimeerden] en ieder afzonderlijk als [geïntimeerde sub 1] respectievelijk Maja Investments en Maja Deelnemingen, advocaat: mr. H.L.J.M. van Grinsven te Tilburg, op het bij exploot van dagvaarding van 6 oktober 2022 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 20 juli 2022, door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, gewezen tussen [appellant] als eiser in conventie en verweerder in reconventie en [geïntimeerden] als gedaagden in conventie en eisers in reconventie. 1Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/370451 / HA ZA 21-303) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis. 2Het geding in hoger beroep Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep; de memorie van grieven met producties en eiswijziging; de memorie van antwoord in principaal hoger beroep, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep met producties; de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep met producties; de mondelinge behandeling op 12 november 2024, waarbij partijen spreekaantekeningen hebben overgelegd; de bij H3 formulier van 1 november 2024 door [geïntimeerden] aan het hof toegezonden akte overlegging productie, met productie 40 die bij de mondelinge behandeling bij akte in het geding heeft gebracht; de bij H3 formulier van 6 november 2024 door [appellant] aan het hof toegezonden akte overlegging productie met productie 75, die hij bij de mondelinge behandeling bij akte in het geding heeft gebracht. Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. 3De beoordeling in principaal en incidenteel hoger beroep Vooraf: het geschil in het kort 3 [appellant] heeft met [geïntimeerden] overeenkomsten gesloten. In hoger beroep zijn met name drie overeenkomsten aan de orde, te weten (verkort weergegeven en in hoofdlijnen): Effectenportefeuille a. [appellant] en [geïntimeerde sub 1] hebben op 3 december 2004 een geldleningsovereenkomst gesloten in het kader van een effectenportefeuille. [appellant] heeft zich verplicht om 1/3e deel van de opbrengst uit de portefeuille aan [geïntimeerde sub 1] te betalen. [appellant] heeft zich ook verplicht om [geïntimeerde sub 1] op de hoogte te houden van de ontwikkelingen van de portefeuille. [geïntimeerde sub 1] heeft zich daartegenover verplicht om per jaar een vergoeden te betalen als compensatie voor de kosten van het beheer van de portefeuille. Aankoop van 45 ha gronden [appellant] en [geïntimeerde sub 1] hebben op 1 november 2009 een geldleningsovereenkomst gesloten in het kader van additionele financiering van aankoop van 45 ha gronden in [A] . [appellant] heeft, na in april 2009 een lening voor een bedrag van € 1.000.000 aan [geïntimeerde sub 1] te hebben verstrekt additioneel een bedrag van € 350.000 aan [geïntimeerde sub 1] geleend tegen een rente van 7,5% per jaar. [geïntimeerde sub 1] heeft zich verplicht om bij een winst op het project hiervan 18,75% te doen toekomen aan [appellant] . [geïntimeerde sub 1] heeft zich ook verplicht om inlichtingen te verstrekken die voor [appellant] van belang kunnen zijn. Realisatie van [XX] Campus Cluster I (BIC Cluster I) [appellant] en Maja Investments en/of Maja Deelnemingen hebben op 13 december 2017 een geldleningsovereenkomst gesloten in het kader van de realisatie van BIC Cluster I. [appellant] heeft een bedrag van € 1.650.000 verstrekt tegen een rente van 12% per jaar. Maja Investments en Maja Deelnemingen hebben zich verplicht om binnen het overeengekomen winstrecht bij verkoop van BIC Cluster I een vergoeding van 18,75% van hun winstaandeel in BIC Cluster I, met een minimum van € 500.000, te doen toekomen aan [appellant] . Tussen partijen zijn geschillen ontstaan over de nakoming van de verbintenissen die hieruit voor hen voortvloeien. In het bijzonder gaat het om de afwikkeling van financiële verplichtingen en het verstrekken van de daarvoor benodigde inlichtingen aan elkaar. Volgens [appellant] is [geïntimeerde sub 1] op grond van de overeenkomst van 1 november 2009 verplicht om aan hem, bij verkoop van de gronden, een vergoeding te betalen van 18,75% van zijn winstaandeel in het project (€ 1.994.740,12). Volgens [appellant] zijn Maja Investments en Maja Deelnemingen op grond van de overeenkomst van 13 december 2017 verplicht om aan hem, bij verkoop van BIC Cluster I, een vergoeding te betalen van 18,75% van hun winstaandeel (€ 1.994.740,12). En volgens [appellant] moeten [geïntimeerde sub 1] , Maja Investments en Maja Deelnemingen hem alle informatie doen toekomen die hij noodzakelijk acht, op straffe van een dwangsom. Volgens [geïntimeerde sub 1] is [appellant] op grond van de overeenkomst van 3 december 2004 verplicht om hem te informeren over de effectenportefeuille, op straffe van een dwangsom, en moet [appellant] aan hem een bedrag betalen van 1/3e deel van de opbrengsten van de effectenportefeuille. De procedure bij de rechtbank De rechtbank heeft de vorderingen van [appellant] met betrekking tot de overeenkomst van 1 november 2009 afgewezen en de vorderingen van [appellant] met betrekking tot de overeenkomst van 13 december 2017 gedeeltelijk toegewezen. De rechtbank heeft verklaard voor recht dat Maja Investments en Maja Deelnemingen verplicht zijn om bij de verkoop van BIC Cluster I aan [appellant] een vergoeding te doen toekomen van 18,75% van hun winstaandeel in BIC Cluster I, met een minimum van € 500.000 en verklaard voor recht dat zij alle informatie aan [appellant] moeten doen toekomen die hij in het kader van deze overeenkomst noodzakelijk acht. De rechtbank heeft de vorderingen van [geïntimeerde sub 1] met betrekking tot de overeenkomst van 3 december 2004 gedeeltelijk toegewezen. De rechtbank heeft voor recht verklaard dat [appellant] verplicht is om [geïntimeerde sub 1] te informeren over de effectenportefeuille en hem alle informatie te verstrekken, op straffe van een dwangsom. De rechtbank heeft [appellant] veroordeeld tot betaling van een bedrag aan [geïntimeerde sub 1] gelijk aan 1/3e deel van de opbrengsten van de effectenportefeuille. De procedure in hoger beroep [appellant] en [geïntimeerde sub 1] c.s. hebben hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank. Volgens [appellant] heeft de rechtbank zijn vorderingen met betrekking tot de overeenkomst van 1 november 2009 ten onrechte afgewezen. Het hof volgt hem hierin gedeeltelijk, namelijk voor zover de vorderingen zien op het verstrekken van informatie. Het hof volgt [appellant] niet in zijn standpunt dat [geïntimeerde sub 1] gehouden is om hem bij verkoop van de gronden een vergoeding te betalen van 18,75% van zijn winstaandeel in het project. Volgens [appellant] heeft de rechtbank zijn vorderingen met betrekking tot de overeenkomst van 13 december 2017 ten onrechte gedeeltelijk afgewezen. Het hof volgt hem hierin, in zoverre dat [appellant] minimaal een vergoeding van € 500.000 toekomt zodra het winstaandeel van Maja Investments en/of Maja Deelnemingen in BIC Cluster I is vastgesteld. [geïntimeerden] zal worden veroordeeld tot betaling van de door [appellant] gemaakte beslagkosten (€ 5.304,78), omdat het winstaandeel kan worden berekend en niet nihil is, zodat niet kan worden geoordeeld dat de beslagen ten onrechte zijn gelegd. Het hof kan niet zelf het winstaandeel berekenen. Het hof heeft daarom het voornemen om een deskundige te benoemen voor de berekening van de aan [appellant] toekomende vergoeding van 18,75% van het winstaandeel van Maja Investments en/of Maja Deelnemingen in BIC Cluster I. Het hof stelt partijen in de gelegenheid om zich over dit voornemen uit te laten. Het (incidenteel) hoger beroep van [geïntimeerde sub 1] ziet op de overeenkomst van 3 december 2004 met betrekking tot de effectenportefeuille. Het hof zal [appellant] veroordelen tot betaling van een voorschot aan [geïntimeerde sub 1] van € 635.685 (1/3e deel van de opbrengst verminderd met de door [geïntimeerde sub 1] verschuldigde compensatie voor de kosten van het beheer). [appellant] zal ook worden veroordeeld tot nakoming van zijn verbintenis om informatie aan [geïntimeerde sub 1] te verstrekken. Het hof ziet geen aanleiding om hieraan (betaling van) een dwangsom te verbinden. De feiten 3.1 In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten. 3.1.1 [appellant] is actief als ondernemer en investeerder. 3.1.2 [geïntimeerde sub 1] is aandeelhouder en (voormalig) bestuurder van Maja Investments. Als gevolg van een uitspraak van de Ondernemingskamer van 10 oktober 2017 is [persoon D] (hierna: [persoon D] ) aangesteld geweest als onafhankelijk bestuurder van Maja Investments. Maja Investments is enig aandeelhouder en enig bestuurder van Maja Deelnemingen. 3.1.3 Op 3 december 2004 heeft [geïntimeerde sub 1] een overeenkomst van geldlening gesloten met [appellant] en [persoon A] , een broer van [appellant] . Deze overeenkomst houdt onder meer in: “(…) IN AANMERKING NEMENDE : (
- i)[appellant] heeft rechtstreeks of middellijk geïnvesteerd in een effectenportefeuille zoals gespecificeerd in Bijlage 1. (hierna te noemen: de “ Portefeuille ” ). De Portefeuille is gewaardeerd op € 12.600.000,-. (
- ii)[geïntimeerde sub 1] is bereid aan [appellant] een som van € 4.200.000,- (zegge: vier miljoen tweehonderdduizend Euro), hierna te noemen: de “ Hoofdsom ” , ter leen te verstrekken, gelijk [appellant] dit bedrag van [geïntimeerde sub 1] wenst te lenen. (iii) [appellant] verplicht zich de Hoofdsom, inclusief de daarover verschuldigde rente, uiterlijk voor 1 oktober 2010 aan [geïntimeerde sub 1] terug te betalen; (…) Artikel 1 - Hoofdsom 1.1 [geïntimeerde sub 1] zal de Hoofdsom aan [appellant] ter leen verstrekken, gelijk [appellant] de Hoofdsom ter leen zal ontvangen, zulks onder de voorwaarden van deze Overeenkomst. 1.2 Ondergetekenden I.a. en I.b. zijn beiden hoofdelijk aansprakelijk voor de nakoming van alle verplichtingen uit hoofde van deze Overeenkomst. Artikel 2 – Duur, aflossing, kosten en rente 2.1 Deze Overeenkomst wordt aangegaan voor een bepaalde periode, zulks tot 1 oktober 2010. (…) 2.3 In geval van een opbrengst in welke vorm dan ook (dividenden, verkoopopbrengsten, rentes etc.) uit de Portefeuille, zal [appellant] binnen één week na betaalbaarstelling van de opbrengst, een bedrag gelijk aan 1/3-deel van de opbrengst uitbetalen aan [geïntimeerde sub 1] , door overmaking naar een door [geïntimeerde sub 1] aan te geven bankrekening. (…) 2.12 [appellant] staat in voor een goed beheer van de Portefeuille. [geïntimeerde sub 1] zal € 50.000 per jaar vergoeden als compensatie voor alle kosten van het bewaren en beheren van de Portefeuille. (…) Artikel 7 Informatieplicht 7.1 [appellant] zal binnen twee weken na afloop van een elk kwartaal aan [geïntimeerde sub 1] een complete actuele opgave verstrekken van de samenstelling en waardering van de Portefeuille naar de toestand per het einde van dat betreffende kwartaal. Tevens wordt een overzicht van de mutaties en inkomsten in de Portefeuille gedurende dat kwartaal in de opgave vermeld. (…)”. 3.1.4 [geïntimeerde sub 1] , althans een aan hem gelieerde vennootschap, heeft in 2009 45 hectare grond in [A] gekocht met als doel om deze gronden in de toekomst te gaan ontwikkelen. Deze gronden zijn uiteindelijk voor een deel ontwikkeld tot [XX] Campus (hierna: BIC). BIC is een initiatief vanuit de industrie dat mede mogelijk is gemaakt door SDK Vastgoed B.V., de provincie Noord-Brabant, de gemeente [A] en de Brabantse Ontwikkelingsmaatschappij. 3.1.5 In april 2009 heeft [appellant] aan [geïntimeerde sub 1] een bedrag geleend van € 1.000.000 tegen een rentevergoeding van 7,5% op jaarbasis ten behoeve van de aankoop van voornoemde 45 hectare grond in [A] . 3.1.6 Na de aankoop van de 45 hectare grond had [geïntimeerde sub 1] een additionele financieringsbehoefte van € 350.000. [appellant] heeft [geïntimeerde sub 1] deze additionele geldlening verstrekt. Partijen hebben naar aanleiding van de door [appellant] verstrekte bedragen op 1 november 2009 een overeenkomst van geldlening gesloten. Deze geldleningsovereenkomst van 1 november 2009 houdt onder meer in: “(…) IN AANMERKING NEMENDE: (
- i)[appellant] heeft in april 2009 een lening aan [geïntimeerde sub 1] verstrekt ter grootte van €1.000.000,- (zegge 1 miljoen euro), met een rente van 7.5% op jaarbasis. (
- ii)[geïntimeerde sub 1] had ten behoeve van de recente aankoop van onroerend goed (gronden gelegen te [A] , groot ca 45ha. hierna " het Project ") een additionele financieringsbehoefte van € 350.000,- (zegge drie honderd vijftig duizend euro). [appellant] is bereid geweest te financieren, onder de toezegging van [geïntimeerde sub 1] dat [appellant] 18,75 % van de winst uit het project ontvangt. Partijen wensen de onderling gemaakte afspraken schriftelijk vast te leggen. (…) Artikel 1 – Definities In deze Overeenkomst gelden de navolgende definities, tenzij hiervan uitdrukkelijk is afgeweken: Hoofdsom: een bedrag ten belope van maximaal Euro 1.350.000,- (zegge: een miljoen drie honderd vijftig duizend euro), zoals dat door [appellant] aan [geïntimeerde sub 1] ter beschikking is gesteld: (…) Artikel 2 - Hoofdsom [appellant] heeft de Hoofdsom aan [appellant] verstrekt, gelijk [geïntimeerde sub 1] de Hoofdsom heeft ingeleend, zulks onder de voorwaarden van deze Overeenkomst. Artikel 3 - Duur en aflossing 3.1 De Hoofdsom wordt tot uiterlijk 1 november 2013 ter beschikking gesteld. 3.2 Extra aflossingen zijn mogelijk, indien [appellant] daarvoor toestemming verleent. 3.3 Bij verkoop van het Project heeft [appellant] recht op vervroegde aflossing van de hoofdsom Artikel 4 - Rente 4.1 Over het ter beschikking gestelde en nog niet afgeloste gedeelte van de Hoofdsom verschuldigde rente bedraagt 7,5% (zegge zeven en een half procent) per jaar. (…) Artikel 7- Bepalingen 7.1 Geldnemer is verplicht al die inlichtingen ten aanzien van geldnemer aan geldgever te verstrekken welke voor geldgever als schuldeiser van belang kunnen zijn. 7.2 Alle kosten verbonden aan deze overeenkomst of eruit voortvloeiende, zijn voor rekening van geldnemer. 7.3 [geïntimeerde sub 1] zal bij een winst op het Project hiervan 18,75 % doen toekomen aan [appellant] . (…)”. 3.1.7 Bij e-mail van 3 november 2011 heeft [geïntimeerde sub 1] [appellant] bericht: “(…) jou lening in deze is 350 k plus rente en hiervoor heb je recht voor 18,75% v d opbrengst van ons deel van dit project ik denk dat het reeel is dat jou geld terug betaald word uit de eerste opbrengst van dit project want het is niet eerlijk al;s je nu bij verkoop van 0 winst jou 18,75% krijgt van het gedeelte [ZZ] je doet mee op de winst van het totaal ps winst verwachting op de project is meer dan 25 mio dus 18,75 van de helft van dit bedrag is nog altijd 2.343750 plus je geinvesteerd vermogen plus rente (…)”. 3.1.8 Bij koopovereenkomst van 28 oktober 2014 heeft [appellant] 20% van de aandelen in Swiss Sense Holding B.V./ZBF Holding B.V. van [geïntimeerde sub 1] gekocht. Een deel van de koopsom is [appellant] destijds verschuldigd gebleven. De restant koopsom dat [appellant] aan [geïntimeerde sub 1] diende te voldoen op grond van deze overeenkomst bedroeg € 4.490.000. Vermeld bedrag moest worden voldaan bij een verkoop door [appellant] van voornoemde 20% van de aandelen, dan wel een beursgang. Daarnaast diende [appellant] aan Maja Investments een bedrag te betalen van € 15.000 per maand tot het moment van voldoening van het onder de betreffende overeenkomst verschuldigde bedrag van € 4.490.000. [geïntimeerde sub 1] heeft zijn rechten en verplichtingen uit voornoemde overeenkomst overgedragen aan Maja Investments. 3.1.9 In de geconsolideerde jaarrekening van Swiss Sense International B.V. van 2020 is onder meer opgenomen: “ (…) Swiss Sense International B.V. is in boekjaar 2020 opgericht en heeft 100% van de aandelen in Dinvest Holding XV B.V. en Dinvest Holding VII B.V. verkregen. Daarnaast heeft het op dezelfde dag 100% van de aandelen in Swiss Sense Holding B.V. verkregen, deels door een directe aankoop van aandelen en deels doordat Dinvest Holding XV B.V. en Dinvest Holding VII B.V. aandelen houden in Swiss Sense Holding B.V. (…)”. 3.1.10 V.O.F. [XX] Campus ( hierna: vof BIC ) betreft de samenwerking tussen Maja Deelnemingen en SDK Vastgoed Deelnemingen B.V. inzake de ontwikkeling van [XX] Campus. Maja Deelnemingen is van 1 december 2016 tot en met 16 april 2018 vennoot geweest van vof BIC . Op 16 april 2018 is Maja Deelnemingen uitgetreden als vennoot. Maja Deelnemingen I B.V. is op dezelfde dag toegetreden als vennoot van vof BIC . 3.1.11 Vanaf oktober 2017 hebben [appellant] , Maja Investments en Maja Deelnemingen onderhandeld over een door [appellant] te verstrekken financiering van € 1.650.000. Op 24 oktober 2017 heeft [geïntimeerde sub 1] een voorstel van [persoon B] (adviseur van [appellant] , hof) voor additionele financiering ontvangen. Op 24 oktober 2017 heeft [geïntimeerde sub 1] aan [persoon B] geschreven: “(…) Bij punt 3.1 staat dat de termijn 1/11/2018 afloopt Ik ontvang de winst bij verkoop aan een eindbelegger Dus wil dit graag veranderen dat dit sychroon loopt met deze verkoop Daarnaast is de 18,75 0/0 rendament hetgeen we al hebben afgesproken op dit project wat valt onder bic fase 1 Het gebouw waar we over gesproken hebben Het is niet bedoeld als deze 18,75 2x (…)”. Daar op reageert [persoon B] bij e-mail van 25 oktober 2017: “(…) Je had aangegeven dat de verkoop ergens mei 2018 zou kunnen plaatsvinden en daar heb ik een marge bij aangehouden en ben zo op 1 november uitgekomen. Als dit niet realistisch is moeten we dit aanpassen, maar ik wil wel een einddatum aanhouden De winstregeling 18,75% is inderdaad niet bedoeld als 2x (…)”. 3.1.12 Bij e-mail van 12 november 2017 heeft [geïntimeerde sub 1] aan [persoon B] geschreven: “(…) Wil wel zeggen dat het gaat om 18,72 0/0 van de winst Een minimum van 1 mio is een lachertje ,maar ik wil het gewoon houden op de 18,72 van de winst Zet er anders in op hal 1 minimaal 500 k Ik kan ook niet zien wat er in de wereld gebeurd Oplevering data met eind datum is accoord 31/12/2018 (…)”. Bij e-mail van 12 november 2017 15:36 reageert [persoon B] als volgt: “(…) We hebben al 3 weken geleden een voorstel gedaan waarop het zou kunnen werken. Dat had al uitgewerkt en geregeld kunnen zijn. (…) Ik voel erweinigvoor om aan de voorgestelde lening te tornen. Einddatum 31 12 2018 is goed. (…)”. 3.1.13 Op 5 december 2017 heeft [geïntimeerde sub 1] een namens [appellant] door [persoon B] aan hem toegezonden verklaring van 29 november 2017 ondertekend, daarin verklaart [geïntimeerde sub 1] : “(…) In aanmerking nemende dat [appellant] in 2009 een geldlening heeft verstrekt heeft bij de aankoop van 45 ha gronden te [A] waarbij aan [appellant] een winstrecht ad 18,75% op het project overeengekomen is. verklaren dat onder het project altijd is verstaan tevens alle ontwikkelingsactiviteiten die op vermelde grondposities plaats zullen vinden. Derhalve vallen dus ook alle opbrengsten die aan de ontwikkelingsactiviteiten zijn toe te rekenen onder het winstrecht van 18,75%. (…)”. 3.1.14 Voornoemde onderhandelingen hebben geleid tot een geldleenovereenkomst van 13 december 2017 tussen [appellant] als leningverstrekker enerzijds en Maja Investments en/of Maja Deelnemingen als leningnemer anderzijds. Deze overeenkomst houdt onder meer in: (…)” A. Inleiding 1. Op 1 december 2016 zijn Leningnemer en SDK Vastgoed Deelnemingen I B.V. een vennootschap onder firma aangegaan genaamd V.O.F. [XX] Campus (de VOF). Het doel van de VOF is het ontwikkelen van de zogeheten [XX] Campus in [A] (het BIC Project). De financiering van het project is nog niet gefinaliseerd. Rabobank heeft een financieringsvoorstel gedaan. Een van de eisen die Rabobank stelt voor het verstrekken van financiering aan de VOF is de inbreng van extra risicokapitaal door de vennoten. 2. Leningnemer vraagt aan Leningverstrekker een geldlening van in totaal € 1.650.000,- (zegge: een miljoen zeshonderd vijftig duizend Euro), waarbij dit bedrag aangewend wordt voor inbreng van risicokapitaal in de VOF. 3. Leningnemer zal naar verwachting pas in staat zijn de Lening en de overeengekomen rente (terug) te betalen aan Leningverstrekker als en wanneer de eerste fase (partijen genoegzaam bekend) van het BIC Project is verkocht en Leningnemer vervolgens haar gedeelte van de VOF zal ontvangen. 4. Leningverstrekker is bereid een geldlening te verstrekken, welke Leningnemer wenst te aanvaarden; 5. Partijen wensen de termen en voorwaarden van deze geldlening bij schriftelijke overeenkomst te regelen. (…) Artikel 1 Geldlening 1.1 Leningverstrekker leent aan Leningnemer een bedrag van € 1.650.000,-- (zegge: een miljoen zeshonderd vijftig duizend Euro) welk bedrag Leningnemer in leen aanvaardt, hierna te noemen: de “Lening”. De Lening zal ter beschikking worden gesteld aan Leningnemer door overboeking op diens bankrekening binnen vijf dagen na ondertekening van deze Overeenkomst. De lening dient te worden aangewend door geldnemer voor het verrichten van de benodigde kapitaalstorting(
- en)in de VOF. 1.2 De leningen van Leningverstrekker onder deze Overeenkomst zijn niet overdraagbaar, zoals bedoeld in artikel 3;83 lid 2 BW en niet vatbaar voor bezwaring met rechten van derden. Partijen beogen een goederenrechtelijke werking van dit beding Artikel 2 Rente 2.1 De Lening draagt een rente van 12% (zegge: twaalf procent) per jaar over het nog niet afgeloste nominale bedrag van de Lening. 2.2 De rente wordt betaald bij aflossing van de lening (…) Artikel 3 Looptijd en aflossing 3.1 Bij verkoop van de eerste fase van het BIC Project (BIC Cluster I), zoals partijen genoegzaam bekend en waarna de VOF de opbrengsten zal uitkeren, zal de lening algeheel worden afgelost. (…) Artikel 9 Aanvullende leningsvoorwaarden 9.1 Leningnemer heeft Leningverstrekker medegedeeld dat zij als vennoot in de VOF zal kunnen voldoen aan haar verplichtingen tot inbreng van € 3,3 mln kapitaal, thans noodzakelijk voor de realisatie van BIC Cluster I. 9.2 Binnen het overeengekomen winstrecht zal bij verkoop van de eerste fase van [XX] Campus (BIC Cluster I) Leningnemer aan Leningverstrekker doen toekomen een vergoeding groot 18,75% van het winstaandeel van Leningnemer in BIC Cluster I, met een minimum van € 500.000,- (vijfhonderd duizend euro). 9.3 Leningverstrekker zal Leningnemer op eerste verzoek alle informatie doen toekomen die Leningverstrekker in het kader van deze overeenkomst noodzakelijk acht. (…)”. 3.1.15 [appellant] heeft uitvoering gegeven aan de overeenkomst van geldlening en € 1.650.000 aan Maja Investments en Maja Deelnemingen betaald. Maja Investments en Maja Deelnemingen hebben conform artikel 9.1 van de overeenkomst van geldlening van 13 december 2017 de ontvangen gelden als risicodragend kapitaal ingebracht in vof BIC om te voldoen aan de door de Rabobank gestelde voorwaarde voor financiering. 3.1.16 In september 2020 is [appellant] geïnformeerd over de verkoop van BIC Cluster I. [appellant] heeft op 29 september 2020 een factuur aan Maja Deelnemingen en Maja Investments toegezonden, met betrekking tot de aflossing van de openstaande lening en de verschuldigde rente, toegezonden. Deze factuur ten bedrage van € 2.266.593 is door Maja Deelnemingen en Maja Investments voldaan. 3.1.17 Op 26 oktober 2020 heeft [persoon C] (hierna: [persoon C] ), adviseur van [geïntimeerden] , een e-mail met bijlagen gezonden aan [persoon F] (hierna: [persoon F] ), de adviseur van [appellant] . In dit e-mail bericht wordt namens Maja Deelnemingen en Maja Investments aan [appellant] een cashflowoverzicht ter beschikking gesteld dat betrekking heeft op de verkoop van BIC Cluster I. Hieruit volgt, onder meer, dat BIC fase 1 is verkocht voor een verkoopprijs van € 130.920.193, waarbij een bedrag van € 61.545.657 is betaald als koopprijs voor de verkochte aandelen en een bedrag van € 69.374.536 is betaald als aflossing van de door Rabobank verstrekte lening. Maja Deelnemingen heeft volgens het cashflowoverzicht per saldo € 24.376.244 ontvangen van de notaris die de levering van de aandelen heeft begeleid. 3.1.18 Een e-mail bericht van [persoon F] aan [persoon C] en [persoon D] van 5 november 2020 houdt onder meer in: “(…) Om het winst recht van [appellant] te kunnen vaststellen, hebben we, naast het cash-flow overzicht, natuurlijk ook een winstberekening (p&
- l)van het BIC project nodig. @ [persoon C] zou jij hiervoor kunnen zorgen? @ [persoon D] zou jij bij de verstrekte p&l kunnen verklaren dat de opgenomen kosten en opbrengsten juist en volledig zijn weergegeven? Daarnaast zouden wij graag de volgende documenten willen ontvangen: • Jaarrekeningen 2015 t/m 2019 en meest recente tussentijdse cijfers van: o Maja Investments Oisterwijk B.V. o Maja Deelnemingen B.V. o BIC Holdings 1 B.V. vh Maja Deelnemingen I B.V. o BIC GP B.V. o [XX] Campus C.V. o Maja Deelnemingen II B.V. o V.O.F. [XX] Campus • Definitieve completion accounts behorende bij de SPA zodra beschikbaar • Splitsingsakte + splitsingsbalans BIC Holdings 1 B.V. vh Maja Deelnemingen I B.V. • Onderbouwing van de hoogte van het depotbedrag • Factuur makelaarskosten € 1,2 mln • Afrekening van NIBC i.z. het winstrecht + specificatie van de berekening • Vaststellingsovereenkomst Roozen van Hoppe d.d. 4 december 2015 • Overzicht van alle (in)directe stortingen en onttrekkingen van Maja Deelnemingen B.V. in Maja Deelnemingen I B.V., V.O.F. [XX] Campus / [XX] Campus C.V./ BIC GP B.V. • Lening overeenkomsten Reggeborgh, Montalchino, Mommy en Frebadebi. En verder hebben we nog de volgende vragen: • Is onze conclusie terecht dat (op basis van de draft completion accounts) het winstaandeel van Leningnemer in BIC Cluster I gelijk is aan: Totale property sale value included value adjustments € 134.277.560 + (voorwaardelijke) opbrengst WestWing € 4.754.000 -/- Onderhanden werk fiscaal € 109.891.363 = € 29.140.197 x 50% = € 14.570.099 (tevens grondslag voor de berekening van de belastinglatentie), verminderd met makelaarskosten en eventuele (huur)garantie aanspraken van Koper en vermeerderd met een eventuele additionele koopsom? • Hoe wil Leningnemer in het kader van de overeengekomen winstdeling omgaan met eventuele toekomstige (garantie)aanspraken van Koper van BIC I? • Hoe wil Leningnemer in het kader van de overeengekomen winstdeling omgaan met de eventueel te ontvangen additionele koopsom ? • Zit het volledige resultaat (m.u.v. de verkoopwinst op de aandelen BIC Holdings 1 B.V. en BIC Holdings 2 B.V.) van de eerste fase van het BIC Project (BIC Cluster I) in BIC GP B.V., [XX] Campus C.V. en V.O.F. [XX] Campus ? Zo nee, welke opbrengsten en kosten zitten hier niet in en waarom zijn die niet 50:50 voor rekening van SDK? • Zitten er in voornoemde entiteiten resultaten die niet zien op BIC Cluster I? • Zijn er in de ohw-waardering van de CV rente- of anders kosten van de vennoten geactiveerd? Zit er in de waardering van het ohw een winstopslag? • Wat heeft de agiostorting in Maja II, bestemd voor de VOF in het kader van de verdere ontwikkeling van [XX] Campus te maken met het resultaat van BIC 1? Waarom wijkt het bedrag in het excel overzicht af van de overeenkomst? • Op welke projecten zag de samenwerking met Roozen van Hoppe? • Wat heeft de afboeking op de vorderingen o.b.v. de vaststellingsovereenkomst € -1.012.152 en de latere kwijtschelding van € 750k aan Roozen van Hoppe te maken met het resultaat op BIC I en waarom wordt de door Roozen van Hoppe betaalde rente buiten beschouwing gelaten? • Wat is de relatie door het in het overzicht genoemde verlies bij splitsing Maja Deelnemingen va € 148.843 en de bijlage 12 "verlies VSO" waarin de toelichting op de V&W is opgenomen? Wat heeft dit met het resultaat van BIC I te maken? • Wat heeft de Financieringspremies van FGH € 500k te maken met het resultaat van BIC I? • Wat heeft de succesvergoeding RTH van 250k te maken met het resultaat van BIC I? • Wat heeft de fee betaling van € 50k door FREBADEBI B.V. aan NIBC te maken met het resultaat op BIC l? • Betreft bijlage 14 een overzicht van de leningen die Frebadebi B.V. heeft verstrekt aan Maja Deelnemingen I B.V. ter financiering van stortingen in V.O.F. [XX] Campus ad € 5.585k + 6% rente per jaar? • Betreft bijlage 15 een overzicht van de leningen die Mommy Holding B.V. heeft verstrekt aan Maja Deelnemingen I B.V. ter financiering van stortingen in V.O.F. [XX] Campus ad € 1.650k + 12% rente per jaar? Wanneer is de hoofdsom betaald (graag bewijs bijvoegen)? • Waarop ziet de Rente inbreng 350K MD naar MB? • Waarop ziet de inbreng van 350k die over is genomen door Maja? • Waaruit bestonden de activiteiten van [persoon D]
(280k)en [persoon G]
(165k), ziet dat volledig op BIC I? • Waaruit bestaande de 11 x 50k kosten [appellant] ? • Komen de kosten van Houthof volledig voor rekening van Maja of betaalt SDK daar ook de helft van? • Heeft Maja tussentijds uitkeringen ontvangen van de BIC Holdings? Graag ontvangen wij voor 16 november 2020 jullie reactie. (…)”. 3.1.19 De reactie van [persoon D] van 5 november 2020 hield, kort gezegd, in dat de stukken en antwoorden op de gestelde vragen om verschillende redenen voorlopig niet kunnen worden verstrekt. 3.1.20 Bij brief van 26 november 2020 van zijn advocaat, mr. Van Steenbergen, heeft [appellant] [persoon D] gesommeerd binnen 10 dagen de vragen die zijn gesteld te beantwoorden en de documenten die zijn gevraagd te verstrekken. 3.1.21 Bij gebreke van een reactie heeft [appellant] bij brief van zijn advocaat van 16 december 2020 geschreven dat hij zich vrij acht om (rechts-)maatregelen te nemen. 3.1.22 Bij brief van 22 december 2020 heeft [persoon D] aan mr. Van Steenbergen bericht: “(…) Geachte heer van Steenbergen, In antwoord op uw schrijven van 16 december 2020, kan ik u het volgende berichten. Weliswaar reeds volledig bekend bij uw client, zal ik nogmaals toelichten waarom thans, maar ook op korte termijn niet, het bepalen van het verschuldigde bedrag niet mogelijk is. Verkopers hebben aan kopers een huurgarantie verstrekt voor de nog te verhuren meters in BIC 1. De garantie geldt tot de laatste vierkante meters zijn verhuurd. (Inschatting door SDK is dat volledige verhuur tenminste twee jaar kan duren). Er lopen mediation trajecten met twee onderaannemers over meer- en minderwerk. Het is niet bekend hoe lang dit traject kan duren en wat de mogelijke uitkomst van de mediation zal zijn. Door verkopers zijn extra investeringen in het verkochte pand gedaan. Deze extra investeringen zullen door kopers worden vergoed zodra ook deze ruimten zijn verhuurd. Uit het bovenstaande mag duidelijk zijn dat de uitkomst van het resultaat, zowel in tijd als in geld, ongewis is. Zodra er volledige duidelijkheid is over het finale verkoopresultaat, zullen wij de opstelling naar uw client sturen. (…)”. 3.1.23 Bij e-mail bericht van 12 januari 2021 heeft mr. Van Steenbergen namens [appellant] aan [persoon D] en Ongenae bericht dat zij kennelijk niet bereid zijn de gevraagde documenten en informatie te verstrekken en dat [appellant] zich vrij acht rechtsmaatregelen te treffen. 3.1.24 [appellant] heeft [persoon E] (hierna: [persoon E] ), Senior Expert Corporate Finance bij Witlox Van den Boomen, ingeschakeld om op basis van de op 26 oktober 2020 door Maja Deelnemingen en Maja Investments ter beschikking gestelde documenten de projectwinst te berekenen. Op 22 januari 2021 heeft [persoon E] [persoon F] bericht dat hij over onvoldoende informatie beschikt om de projectwinst exact te becijferen. [persoon E] heeft [persoon F] daarbij aangegeven dat hij, om een schatting te kunnen maken van de projectwinst, kan aansluiten op de voorziening voor de fiscale winst die is overeengekomen met de koper van BIC Cluster I, hetgeen volgens [persoon E] uit zou komen op € 10.638.614. 3.1.25 Op 12 maart 2021 heeft [appellant] aan de Rechtbank Oost-Brabant verlof gevraagd tot het leggen van conservatoir beslag ten laste van [geïntimeerde sub 1] , Maja Investments en Maja Deelnemingen voor een bedrag van € 2.373.951. Dit bedrag is opgebouwd uit 18,75 % van het winstaandeel, berekend over de minimale winst van € 10.638.614, vermeerderd met rente en kosten. Bij beschikking van 16 maart 2021 heeft de rechtbank het verlof verleend. Op 23 maart 2021 heeft [appellant] het eerste beslag gelegd. 3.1.26 [appellant] heeft Witlox van den Boomen en Aeternus B.V. (hierna: Aeternus) ingeschakeld om op basis van de van Maja Investments en Maja Deelnemingen ontvangen informatie te berekenen wat de aan [appellant] toekomende vergoeding is voor BIC fase 1. Witlox van den Boomen concludeert in zijn rapport van 8 februari 2023 dat de aan [appellant] toekomende vergoeding inzake BIC 1 € 2.172.000 bedraagt. Aeternus concludeert dat dat de aan [appellant] toekomende vergoeding inzake BIC I € 1.956.567 bedraagt. 3.1.27 Op 12 juni 2023 heeft Witlox van den Boomen een vergelijking gemaakt tussen de door [geïntimeerde sub 1] bij e-mail van 3 november 2011 afgegeven winst(delings)verwachtingen te weten € 25.000.000 en de winstverwachting volgens de e-mail van [persoon B] aan [geïntimeerde sub 1] van 16 oktober 2017, te weten € 24.000.000 en de winstrealisatie conform de SPA 21-09-2020, te weten € 29.140.197. Op grond hiervan is de aan [appellant] toekomende vergoeding, na kosten en uitgaande van een winstrecht van 18,75%, becijferd op respectievelijk € 2.343.750, € 1.546.875 en € 2.731.893. 3.1.28 [geïntimeerden] heeft een rapport van BDO van 4 maart 2024 overgelegd. De aan [appellant] toekomende vergoeding zou volgens dit rapport onder het minimum toegezegde aandeel van € 500.000 uitkomen. Volgens het addendum van 1 november 2024 bij dit rapport waarin is opgemerkt dat inmiddels alle eenheden zijn verhuurd, en geen verdere nakomende kosten uit hoofde van de huurgarantie zijn te verwachten, zou het resterend aandeel van [appellant] in de voorlopige winst € 714.513 zijn. 3.1.29 [appellant] heeft een overzicht van Witlox Van den Boomen, opgesteld door [persoon E] van [bedrijf A] , dat op 5 november 2024 aan [persoon F] is gezonden, overgelegd. Het overzicht ziet op het inzichtelijk maken van de verschillen tussen de resultaatsberekening van Witlox Van den Boomen enerzijds en BDO anderzijds. [persoon E] geeft daarin aan dat Witlox Van den Boomen, anders dan BDO, ervan uitgaat dat [appellant] “(…) aanspraak kan maken op een percentage van de winst voor belasting. (…)”. De vorderingen in eerste aanleg 3.2.1 In de onderhavige procedure heeft [appellant] in eerste aanleg in conventie gevorderd, kort gezegd, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, dat de rechtbank: 1. voor recht verklaart dat [geïntimeerde sub 1] op grond van artikel 7.3 van de geldleningsovereenkomst van 1 november 2009 contractueel verplicht is om bij verkoop van het door [geïntimeerde sub 1] aangekochte onroerend goed zoals bedoeld in de geldleningsovereenkomst van 1 november 2009, aan [appellant] te doen toekomen een vergoeding groot 18,75% van het winstaandeel van [geïntimeerde sub 1] in het project, 2. voor recht verklaart dat Maja Investments en Maja Deelnemingen op grond van artikel 9.2 van de van de overeenkomst van geldlening d.d. 13 december 2017 contractueel verplicht zijn om bij verkoop van de eerste fase van Brainport Industries Campus BIC Cluster I aan [appellant] te doen toekomen een vergoeding groot 18,75% van het winstaandeel van Maja Investments en Maja Deelnemingen in BIC Cluster I, met een minimum van EUR 500.000,--, 3. voor recht verklaart dat [geïntimeerde sub 1] op grond van artikel 7.1 van de geldleningsovereenkomst van 1 november 2009 [appellant] op eerste verzoek alle informatie moeten doen toekomen, die [appellant] in het kader van de geldleningsovereenkomst van 1 november 2009 noodzakelijk acht, 4. voor recht verklaart dat Maja Deelnemingen en Maja Investments op grond van artikel 9.3 van de overeenkomst van geldlening d.d. 13 december 2017 [appellant] op eerste verzoek alle informatie moeten doen toekomen, die [appellant] in het kader van de overeenkomst van geldlening d.d. 13 december 2017 noodzakelijk acht, 5. [geïntimeerde sub 1] veroordeelt om aan [appellant] te doen toekomen 18,75% van de winst op het Project, te weten een bedrag van € 1.994.740,12, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente ex artikel 6:1 19(
- a)BW vanaf de dag van verzuim tot de dag der algehele voldoening, 6. Maja Investments en Maja Deelnemingen hoofdelijk veroordeelt om aan [appellant] te doen toekomen 18,75% van het winstaandeel van Maja Deelnemingen en Maja Investments in BIC Cluster, te weten een bedrag van € 1.994.740,12, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente ex artikel 6:1 19(
- a)BW vanaf de dag van verzuim tot de dag der algehele voldoening, 7. [geïntimeerden] hoofdelijk veroordeelt tot het op eerste verzoek doen toekomen van alle informatie die [appellant] in het kader van de geldleningsovereenkomst van 1 november 2009 en van de overeenkomst van geldlening van 13 december 2017 noodzakelijk acht, waaronder doch niet beperkt tot de door [appellant] bij e-mail van 5 november 2020 (productie 11 bij dagvaarding) opgevraagde informatie, op straffe van een in goede justitie vast te stellen dwangsom voor het geval [geïntimeerden] niet aan de hoofdveroordeling voldoen, 8. [geïntimeerden] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van de door [appellant] gemaakte beslagkosten van € 5.304,78 + P.M., te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf de dag van verzuim tot de dag der algehele voldoening, 9. [geïntimeerden] hoofdelijk veroordeelt tot vergoeding van de door [appellant] gemaakte buitengerechtelijke kosten en deze te begroten op grond van de staffel Buitengerechtelijke Incassokosten op € 6.775,-, althans een in goede justitie vast te stellen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf de dag van verzuim tot de dag der algehele voldoening, 10. [geïntimeerden] hoofdelijk veroordeelt in de proceskosten inclusief de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf de dag van verzuim tot de dag der algehele voldoening. 3.2.2 In eerste aanleg in reconventie heeft Brouwers c.s., na wijziging van eis, kort gezegd, gevorderd dat de rechtbank: a. voorwaardelijk, namelijk indien en voor zover de rechtbank in conventie een (voorlopig) bedrag aan winstrecht aan [appellant] toewijst, voor recht verklaart dat Maja Deelnemingen en/of Maja Investments (alsnog) gerechtigd is/zijn om een bedrag van € 359.679,—, dan wel een in goede justitie vast te stellen bedrag, te verrekenen met het nog definitief vast te stellen winstrecht van [appellant] , althans [appellant] te veroordelen tot betaling van dit bedrag, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119 a BW, dan wel de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW, vanaf de dag der verzuim, althans vanaf een dag door uw rechtbank in goede justitie te bepalen, tot aan de dag der algehele voldoening, b. onder de voorwaarde zoals genoemd onder nummers 99 en 100 conclusie van antwoord tevens houdende (voorwaardelijke) eis in reconventie, [appellant] , binnen zeven dagen na dagtekening van het vonnis, de door hem ten laste van [geïntimeerden] gelegde beslagen op te heffen (en door te doen halen), en hem te verbieden om een nieuw beslag ten laste van [geïntimeerden] te (doen) leggen totdat zijn vorderingen in appel alsnog worden toegewezen en dat arrest in kracht van gewijsde is gegaan, een en ander op straffe van een dwangsom van € 10.000,00 per beslag en € 5.000,00 per dag dat het beslag voortduurt. 3.2.3 In eerste aanleg in reconventie heeft Maja Investments, kort gezegd, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, gevorderd dat de rechtbank: indien en voor zover tijdens de procedure bij de rechtbank Oost Brabant locatie 's-Hertogenbosch met kenmerk C/01/368494 komt vast te staan dat de uitkomst van mediation tussen [geïntimeerde sub 1] en [appellant] niet bindend was, [appellant] te veroordelen tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Maja Investments te betalen een bedrag gelijk aan de wettelijke (handels)rente ex artikel 6:119(
- a)BW over de periode van februari 2019 (aanvang verzuim) tot en met september 2020 over de twintig termijnen van € 15.000,00 die [appellant] te laat voldaan heeft; en I. primair: a. [appellant] veroordeelt om aan Maja Investments te betalen de restant koopsom van € 4.490.000,—, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, ter zake de overeengekomen aflossing van de restant koopprijs wegens de verkoop van (de aandelen
- in)Swiss Sense Holding B.V., te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119 a BW, dan wel de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW, vanaf 27 augustus 2020, dan wel vanaf 11 september 2020, althans vanaf een in goede justitie te bepalen dag, tot aan de dag der algehele voldoening, subsidiair: a. [appellant] veroordeelt aan Maja Investments te betalen een in goede justitie te bepalen bedrag ter zake de overeengekomen aflossing van de restant koopprijs wegens de gehele dan wel gedeeltelijke verkoop door [appellant] van zijn aandelen van Swiss Sense Holding B.V., vermeerderd met de wettelijke (handels)rente vanaf de dag van verzuim, althans een in goede justitie te bepalen datum, tot aan de dag der algehele voldoening; b. [appellant] veroordeelt aan Maja Investments te betalen een bedrag van € 90.000,- te vermeerderen met € 15.000,00 per maand vanaf juli 2021 dat [appellant] het maandelijkse bedrag van € 15.000,00 niet aan Maja Investments voldaan heeft, vermeerderd met de wettelijke (handels)rente vanaf de dag van verzuim, althans een in goede justitie te bepalen datum, tot aan de dag der algehele voldoening; c. voor recht verklaart dat [appellant] op grond van de overeenkomst van 28 oktober 2014 tot het moment dat de volledig restant koopprijs voldaan is, verplicht is om Maja Investments nu en in de toekomst bij verkoop van (een deel van) zijn de aandelen van Swiss Sense Holding B.V. te informeren en geïnformeerd te houden over welke aandelen in Swiss Sense Holding B.V [appellant] hierbij verkocht heeft of zal verkopen; d. [appellant] veroordeelt tot het op uiterlijk 7 dagen na dagtekening van het vonnis, dan wel een in goede justitie te bepalen datum, verstrekken aan [geïntimeerde sub 1] van informatie over welke aandelen van Swiss Sense Holding B.V. verkocht zijn bij de verkoop van de aandelen van Swiss Sense Holding B.V., op straffe van een in goede justitie te bepalen dwangsom voor elke dag dat [appellant] niet aan deze verplichting voldoet, II. a. [appellant] veroordeelt om aan Maja Investments te betalen de buitengerechtelijke incassokosten van € 6.775 (exclusief btw) indien de primaire vordering bij I wordt toegewezen, dan wel € 1.675 (exclusief btw) indien de subsidiaire vordering onder II wordt toegewezen, althans een in goede justitie te bepalen bedrag. 3.2.4 In reconventie in eerste aanleg heeft [geïntimeerde sub 1] , kort gezegd, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad gevorderd dat de rechtbank: a. voor recht verklaart dat [appellant] op grond van artikel 7 van de overeenkomst van 3 december 2004 verplicht is om [geïntimeerde sub 1] nu en in de toekomst te informeren en geïnformeerd te houden over de samenstelling en waardering van de effectenportefeuille en eventuele herbeleggingen als ook aangaande de mutaties en inkomsten hiervan, een en ander tot het moment dat de volledige effectenportefeuille van 3 december 2004 en eventuele herbeleggingen hiervan zijn afgewikkeld en alle opbrengsten hiervan overeenkomstig de overeenkomst van 3 december 2004 verdeeld zijn en zijn betaald aan [geïntimeerde sub 1] ; b. [appellant] veroordeelt tot het op uiterlijk 7 dagen na dagtekening van het vonnis, dan wel een in goede justitie te bepalen datum, verstrekken aan [geïntimeerde sub 1] van alle informatie aangaande de huidige samenstelling en waardering van de effectenportefeuille en eventuele herbeleggingen van de overeenkomst van geldlening van 3 december 2004 als ook aangaande de jaarlijkse mutaties en inkomsten hiervan sinds 6 februari 2017, een en ander op basis van het laatst verstrekte overzicht van 6 februari 2017, op straffe van een in goede justitie te bepalen dwangsom voor elke dag dat [appellant] niet aan deze verplichting voldoet, c. [appellant] veroordeelt aan [geïntimeerde sub 1] te betalen een nader in goede justitie te bepalen bedrag, gelijk aan 1/3 van de opbrengsten van de effectenportefeuille van 3 december 2004 en eventuele herbeleggingen van deze effectenportefeuille sinds 6 februari 2017, vermeerderd met de wettelijke (handels)rente vanaf de dag van verzuim, althans vanaf een door uw Rechtbank in goede justitie te bepalen datum, tot aan de dag der algehele voldoening, In alle gevallen met veroordeling van [appellant] in de proceskosten in conventie en (voorwaardelijke) reconventie inclusief de nakosten te vermeerderen met de wettelijke rente. 3.2.5 [geïntimeerden] heeft verweer gevoerd in conventie. [appellant] heeft verweer gevoerd in reconventie. 3.3.1 Bij tussenvonnis van 14 juli 2021 heeft de rechtbank een mondelinge behandeling bepaald. De mondelinge behandeling is gehouden op 22 april 2022, het proces-verbaal bevindt zich bij de stukken. 3.3.2.1 Bij eindvonnis van 20 juli 2022 heeft de rechtbank in conventie geoordeeld: - dat de vordering van [appellant] met betrekking tot het winstaandeel op grond van de overeenkomst van geldlening van 1 november 2009 niet toewijsbaar is, omdat [appellant] zijn gestelde aanspraak op een winstaandeel op grond van die overeenkomst onvoldoende heeft onderbouwd. [appellant] heeft bovendien zelf erkend dat hij slechts aanspraak heeft op één winstaandeel, zodat zonder deugdelijke toelichting, die ontbreekt, niet valt in te zien hoe de door [appellant] ingestelde vorderingen jegens [geïntimeerde sub 1] op grond van de overeenkomst van 1 november 2009 zich verhouden tot de jegens Maja Deelnemingen en Maja Investments ingestelde vorderingen op grond van de overeenkomst van 13 december 2017. Gelet op het voorgaande wordt de gevorderde verklaring voor recht dat [geïntimeerde sub 1] op grond van artikel 7.3 van de geldleenovereenkomst van 1 november 2009 contractueel verplicht is om bij verkoop van het door [geïntimeerde sub 1] aangekochte onroerende goed zoals bedoeld in de geldleningsovereenkomst van 1 november 2009, aan [appellant] te doen toekomen een vergoeding groot 18,75% van het winstaandeel van [geïntimeerde sub 1] in het project, en de vordering van [appellant] om [geïntimeerde sub 1] te veroordelen aan [appellant] te voldoen 18,75% van de winst op het project, te weten een bedrag van € 1.994.740,12, te vermeerderen met de wettelijke (handels) rente afgewezen. [appellant] wordt bij gebreke aan belang niet ontvankelijk verklaard in zijn vordering om voor recht te verklaren dat [geïntimeerde sub 1] op grond van artikel 7.1 van de geldleenovereenkomst van 1 november 2009 op het eerste verzoek [appellant] alle informatie moet doen toekomen die [appellant] in het kader van de geldleenovereenkomst van 1 november 2009 noodzakelijk acht (rechtsoverwegingen 4.3. tot en met 4.5.). - dat de door [appellant] gevorderde verklaringen voor recht met betrekking tot zijn winstaandeel respectievelijk de informatieverplichting van Maja Investments en Maja Deelnemingen op grond van de artikelen 92 respectievelijk 93 van de overeenkomst van geldlening van 13 december 2017 zullen worden toegewezen. De rechtbank heeft daarbij opgemerkt dat met de toewijzing van de gevorderde verklaringen voor recht niet wordt beslecht het geschil van partijen over hoe de artikelen 9.2 en 9.3 van de overeenkomst van 13 december 2017 moeten worden uitgelegd (rechtsoverweging 4.8). - dat partijen het er over eens zijn dat [appellant] op grond van de overeenkomst van 13 december 2017 recht heeft op een winstaandeel van 18,75%, maar dat partijen twisten over de vraag hoe de winst moet worden berekend en wanneer een mogelijke vordering van [appellant] opeisbaar is. Dat in de overeenkomst van geldlening van 13 december 2017 niets geregeld voor de situatie waarin de winst na verkoop nog niet definitief kan worden vastgesteld, zodat de overeenkomst een leemte laat die moet worden ingevuld (rechtsoverweging 4.9). - dat niet vaststaat dat partijen met artikel 9.2 van de overeenkomst van 13 december 2017 hebben bedoeld overeen te komen dat de vordering van [appellant] met betrekking tot zijn winstrecht bij verkoop direct opeisbaar is ook indien de winst nog niet definitief kan worden vastgesteld. De vordering van [appellant] , betreft een aandeel in de winst waarvan hij meent dat die in ieder geval gerealiseerd zal worden en dient daarmee te worden aangemerkt als een vordering op een voorschot op zijn winstaandeel. Ter onderbouwing van een contractuele aanspraak op een voorschot heeft [appellant] echter onvoldoende gesteld, zodat het verweer van [geïntimeerden] dat een recht op een voorschot niet is overeengekomen slaagt (rechtsoverweging 4.13 tot en met 4.15). - evenmin kan worden geoordeeld dat van [appellant] redelijkerwijs niet kan worden verwacht dat hij afwacht totdat de winst definitief kan worden begroot. Bij dat oordeel betrekt de rechtbank dat de geldlening inclusief de rente vergoeding van 12% door Maja Investments en Maja Deelnemingen al is terug betaald (rechtsoverweging 4.16). - [appellant] heeft onvoldoende onderbouwd dat hij aanspraak kan maken op het subsidiair door hem gevorderde in goede justitie te bepalen bedrag. Dat hij op grond van de overeenkomst van 13 december 2017 recht zou hebben op een winstdeling van minimaal € 500.000 ook indien er geen winst wordt gemaakt, is door hem onvoldoende onderbouwd. De vordering met betrekking tot het winstaandeel van [appellant] op grond van de overeenkomst van 13 december 2017 zal daarom geheel worden afgewezen (rechtsoverweging 4.18.). - dat partijen in artikel 9.3 van de overeenkomst van 13 december 2017 een informatieverplichting voor Maja Investments en Maja Deelnemingen zijn overeengekomen waaraan geen beperkingen verbonden zijn en dat [appellant] op grond van die bepaling recht heeft op alle informatie die hij noodzakelijk acht voor de berekening van (zijn aandeel
- in)de winst. De vordering tot nakoming van de informatieverplichting zal worden toegewezen voor zover deze door [appellant] is geconcretiseerd in het e-mailbericht van 5 november 2020.Voor het overige is de vordering te algemeen geformuleerd om te worden toegewezen. De gevorderde dwangsom zal, zo heeft de rechtbank geoordeeld niet worden toegewezen (rechtsoverweging 4.21). - aan de benoeming van een deskundige, zoals Maja Investments en Maja Deelnemingen hadden verzocht, komt de rechtbank niet toe, nu dat niet is gevorderd en voor de beoordeling van de overige vorderingen niet noodzakelijk is (rechtsoverweging 4.22). De rechtbank heeft vervolgens geoordeeld dat, omdat de vorderingen van [appellant] met betrekking tot zijn winstaandeel zijn afgewezen, de door [appellant] gelegde conservatoire beslagen ten onrechte zijn gelegd en dat de gevorderde beslagkosten worden afgewezen. Volgens de rechtbank zijn de gevorderde buitengerechtelijke kosten niet toewijsbaar en dient [appellant] als grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten te worden veroordeeld (rechtsoverwegingen 4.23 tot en met 4.26). 3.3.2.2 In reconventie heeft de rechtbank ten aanzien van de vorderingen van [geïntimeerden] geoordeeld: - dat de voorwaarde voor de door [geïntimeerden] gevorderde verklaring voor recht betreffend de bevoegdheid tot verrekening van een bedrag van € 359.679 niet is vervuld en de rechtbank daarom niet aan de beoordeling van deze vordering toekomt (rechtsoverweging 4.27). - dat de vordering tot opheffing van de beslagen wordt toegewezen, omdat [appellant] met betrekking tot het winstrecht op [geïntimeerden] geen (opeisbare) vordering heeft en van belang is dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat er een reëel verhaalsrisico bestaat indien de beslagen worden opgeheven (rechtsoverweging 4.28). - dat de vordering van [geïntimeerden] om [appellant] te verbieden een nieuw (beslag) te doen leggen wordt afgewezen (rechtsoverweging 4.29). 3.3.2.3 Ten aanzien van de vorderingen van Maja Investments heeft de rechtbank in reconventie geoordeeld: - dat de rechtbank niet toekomt aan de vordering van Maja Investments betreffende de veroordeling van [appellant] de wettelijke (handels) rente over 20 termijnen van € 15.000 te betalen, omdat volgens Maja Investments in de procedure met zaaknummer C/01/368494 is vastgesteld dat mediation bindend is en daarom de voorwaarde voor de behandeling van deze vordering niet is ingetreden (rechtsoverweging 4.30). - dat de restantkoopsom van € 4.490.000,-- opeisbaar en toewijsbaar is, omdat voldoende is komen vast te staan dat [appellant] de aandelen Swiss Sense Holding B.V./ZBF Holding B.V. op 27 augustus 2020 heeft verkocht en dat de mogelijkheid dat [appellant] nog (indirecte) vennootschapsrechtelijke belangen heeft, omdat hij bij verkoop nieuwe aandelen van Swiss Sense International B.V. heeft verkregen in het kader van een herstructurering, voor de verplichting tot aflossing van de restant koopprijs aan Maja Investments bij gebreke van voldoende informatie niet doorslaggevend is, en het beroep op opschorting van [appellant] op grond van artikel 6:52 BW wordt verworpen, omdat hij niet de vereiste tegenvordering op Maja Investments heeft en [appellant] met betrekking tot de betalingsverplichting bovendien op 10 april 2015 schriftelijk heeft verklaard zich niet op verrekening te zullen beroepen. Waarbij komt dat [appellant] na 11 september 2020 met zijn aflossingsverplichting in verzuim is, dus voordat de verkoop van BIC Cluster I had plaatsgevonden, om welke reden een beroep op artikel 6:52 ook niet opgaat (rechtsoverwegingen 4.33 tot en met 4.35). Over de restant koopsom zal de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 worden toegewezen vanaf de datum waarop het verzuim is ingetreden, 11 september 2020 (rechtsoverweging 4.36). - dat voor toewijzing van de gevorderde buitengerechtelijke kosten betreffende de primaire vordering van Maja Investments (de betaling van het restant koopsom, hof) geen plaats is (rechtsoverweging 4.37). 3.3.2.4 Ten aanzien van de vorderingen van [geïntimeerde sub 1] in reconventie, betreffende de effectenportefeuille, heeft de rechtbank geoordeeld: - dat het beroep van [appellant] op opschorting van zijn verplichtingen uit de overeenkomst van 3 december 2004 faalt (rechtsoverweging 4.40), en dat nu partijen het eens zijn dat de overeenkomst van 3 december 2004 na 1 oktober 2010 is voortgezet, mede in verband met de afwikkeling van S&Z Invest II B.V. en Bergler Holding B.V. en Bergler Nederland B.V., [appellant] [geïntimeerde sub 1] op grond van artikel 7.1 van de overeenkomst over de afwikkeling had moeten informeren. Daar [appellant] in die verplichting is tekortgeschoten zal de gevorderde verklaring voor recht en veroordeling van [appellant] om informatie te verschaffen worden toegewezen. Voor de gevorderde informatievoorziening hanteert de rechtbank een termijn van 7 dagen na betekening van het vonnis. De dwangsom vordering zal met een daaraan gekoppeld maximum bedrag worden toegewezen (rechtsoverwegingen 4.41 tot en met 4.42). - dat de vordering van [geïntimeerde sub 1] tot betaling van 1/3 deel van de opbrengsten van de effectenportefeuille zal worden toegewezen op de in het dictum aangegeven wijze en dat over het toegewezen bedrag de wettelijke rente en niet de wettelijke handelsrente toewijsbaar is (rechtsoverwegingen 4.45 tot en met 4.46). Ten aanzien van de proceskosten heeft de rechtbank in reconventie geoordeeld dat [appellant] als grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten zal worden veroordeeld (rechtsoverweging 4.47). 3.3.2.5 In conventie heeft de rechtbank beslist als volgt: 5.1. verklaart voor recht dat Maja Investments en Maja Deelnemingen op grond van artikel 9.2 van de van de overeenkomst van geldlening d.d. 13 december 2017 contractueel verplicht zijn om bij verkoop van de eerste fase van [XX] Campus BIC Cluster I aan [appellant] te doen toekomen een vergoeding groot 18,75% van het winstaandeel van Maja Investments en Maja Deelnemingen in BIC Cluster I, met een minimum van EUR 500.000,-, 5.2. verklaart voor recht dat Maja Deelnemingen en Maja Investments op grond van artikel 9.3 van de overeenkomst van geldlening d.d. 13 december 2017 [appellant] op eerste verzoek alle informatie moeten doen toekomen, die [appellant] in het kader van de overeenkomst van geldlening d.d. 13 december 2017 noodzakelijk acht, 5.3. verklaart [appellant] in zijn vordering weergegeven bij rechtsoverweging 3.1.3 niet ontvankelijk (hof: deze vordering is hiervoor vermeld onder 3.2.1 sub 3), 5.4. veroordeelt Maja Investments en Maja Deelnemingen om [appellant] te doen toekomen de informatie die [appellant] in het kader van de geldleningsovereenkomst van 13 december 2017 bij e-mail van 5 november 2020 van [persoon F] (productie 11 bij dagvaarding) heeft verzocht, 5.5. veroordeelt [appellant] in de proceskosten, aan de zijde van [geïntimeerden] tot op heden begroot op € 12.198,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van veertien dagen na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling, 5.6. veroordeelt [appellant] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 255,-- aan salaris advocaat (voor conventie en reconventie tezamen), te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [appellant] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 85,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening, 5.7. verklaart dit vonnis in conventie, althans de daarvoor in aanmerking komende onderdelen, tot zover uitvoerbaar bij voorraad, 5.8. wijst het meer of anders gevorderde af. 3.3.2.6 In reconventie heeft de rechtbank beslist als volgt: 5.9. gebiedt [appellant] om alle door hem ten laste van [geïntimeerden] gelegde beslagen op te heffen (en door te doen halen) binnen zeven dagen na dagtekening van dit vonnis, 5.10. veroordeelt [appellant] tot betaling aan [geïntimeerden] van een dwangsom van € 5.000,-- voor iedere dag of gedeelte van een dag dat hij in gebreke blijft aan voormelde veroordeling bij 5.9. te voldoen, met dien verstande dat boven de som van € 100.000,- geen dwangsommen meer worden verbeurd, 5.11. veroordeelt [appellant] om aan Maja Investments te betalen een bedrag van € 4.490.000,-- (vier miljoen vierhonderdnegentig duizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag vanaf 11 september 2020 tot de dag van volledige betaling, 5.12. verklaart voor recht dat [appellant] op grond van artikel 7 van de overeenkomst van 3 december 2004 verplicht is om [geïntimeerde sub 1] nu en in de toekomst te informeren en geïnformeerd te houden over de samenstelling en waardering van de effectenportefeuille en eventuele herbeleggingen als ook aangaande de mutaties en inkomsten hiervan, een en ander tot het moment dat de volledige effectenportefeuille van 3 december 2004 en eventuele herbeleggingen hiervan zijn afgewikkeld en alle opbrengsten hiervan overeenkomstig de overeenkomst van 3 december 2004 zijn verdeeld en zijn betaald aan [geïntimeerde sub 1] , 5.13. veroordeelt [appellant] om uiterlijk 7 dagen na betekening van dit vonnis aan [geïntimeerde sub 1] alle informatie te verstrekken aangaande de huidige samenstelling en waardering van de effectenportefeuille en eventuele herbeleggingen van de overeenkomst van geldlening van 3 december 2004 als ook aangaande de jaarlijkse mutaties en inkomsten hiervan sinds 6 februari 2017, een en ander op basis van het laatst verstrekte overzicht van 6 februari 2017, 5.14. veroordeelt [appellant] tot betaling aan [geïntimeerde sub 1] van een dwangsom van € 1.000,- voor iedere dag of gedeelte van een dag dat hij in gebreke blijft aan voormelde veroordeling bij 5.13. te voldoen, met dien verstande dat boven de som van € 50.000,- geen dwangsommen meer worden verbeurd, 5.15. veroordeelt [appellant] om aan [geïntimeerde sub 1] te betalen een bedrag gelijk aan 1/3 van de opbrengsten van de effectenportefeuille en eventuele herbeleggingen sinds 6 februari 2017, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag vanaf de dag van dagvaarding, 6 april 2021, tot de dag van volledige betaling, 5.16. veroordeelt [appellant] in de proceskosten, aan de zijde van [geïntimeerden] tot op heden begroot op € 7.998,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van veertien dagen na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling, 5.17. verklaart dit vonnis in reconventie, althans de daarvoor in aanmerking komende onderdelen, tot zover uitvoerbaar bij voorraad, 5.18. wijst het meer of anders gevorderde af. De vorderingen in hoger beroep 3.4.1 In hoger beroep heeft [appellant] acht grieven aangevoerd en zijn eis gewijzigd. Na wijziging van eis vordert [appellant] in hoger beroep: Verklaringen voor recht I. te verklaren voor recht dat [geïntimeerde sub 1] op grond van artikel 7.3 van de geldleningsovereenkomst van 1 november 2009 en de verklaring van 29 november 2017 contractueel verplicht is om van alle ontwikkelingsactiviteiten op de gronden BIC 2 (cluster 2a en 2b) en Landelijk Strijp zoals afgebeeld op de kaart die onder punt 2.4 van de memorie van grieven is opgenomen, aan [appellant] te doen toekomen een vergoeding groot 18,75% van het winstaandeel van [geïntimeerde sub 1] en/of diens rechtsopvolgers; II. Primair: te verklaren voor recht dat Maja Investments en Maja Deelnemingen op grond van artikel 9.2 van de overeenkomst van geldlening van 13 december 2017 contractueel verplicht zijn om bij verkoop van BIC 1 een bedrag uit te keren van € 500.000 ongeacht of winst of verlies wordt gemaakt; Subsidiair: te verklaren voor recht dat Maja Investments en Maja Deelnemingen op grond van artikel 9.2 van de overeenkomst van geldlening van 13 december 2017 contractueel verplicht zijn om bij verkoop van BIC 1 een minimaal bedrag van € 500.000 uit te keren als sprake is van winst zoals bedoeld in de overeenkomst van geldlening van 13 december 2017; III te verklaren voor recht dat Maja Investments en Maja Deelnemingen op grond van artikel 9.2 van de overeenkomst van geldlening van 13 december 2017 contractueel verplicht zijn om bij verkoop van BIC 1 aan [appellant] te doen toekomen een vergoeding groot 18,75% van het winstaandeel van Maja Investments en Maja Deelnemingen in BIC 1; IV. te verklaren voor recht dat [geïntimeerde sub 1] op grond van artikel 7.1 van de geldleningsovereenkomst van 1 november 2009, [appellant] op eerste verzoek alle informatie moet doen toekomen, die [appellant] in het kader van de overeenkomst van geldlening van 1 november 2009 noodzakelijk acht. V. te verklaren voor recht dat Maja Investments en Maja Deelnemingen op grond van artikel 9.3 van de overeenkomst van geldlening van 13 december 2017, [appellant] op eerste verzoek alle informatie moet doen toekomen, die [appellant] in het kader van de overeenkomst van geldlening van 13 december 2017 noodzakelijk acht. Vorderingen die strekken tot een veroordeling tot een prestatie VI. [geïntimeerde sub 1] te veroordelen om aan [appellant] te doen toekomen 18,75% van de bij verkoop gerealiseerde winst over alle ontwikkelingsactiviteiten die zullen plaatsvinden op BIC 2 (cluster 2a en 2b) en Landelijk Strijp (zoals afgebeeld op de kaart die onder 2.4 van de memorie van grieven is opgenomen); VII. Maja Investments en Maja Deelnemingen hoofdelijk te veroordelen tot uitkering van een bedrag van € 500.000, te weten het overeengekomen minimumbedrag van het winstrecht; VIII. Primair: Maja Investments en Maja Deelnemingen hoofdelijk te veroordelen tot het aan [appellant] doen toekomen van 18,75% van het winstaandeel van Maja Deelnemingen en Maja Investments in BIC 1, te weten een bedrag € 2.731.893 (een en ander te verminderen met een bedrag van € 500.000 als vordering VII. wordt toegewezen), althans een in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf de dag van verzuim tot de dag der algehele voldoening; Subsidiair: Maja Investments en Maja Deelnemingen hoofdelijk te veroordelen tot het aan [appellant] doen toekomen van 18,75% van het winstaandeel van Maja Deelnemingen en Maja Investments in BIC 1, te weten een bedrag van € 2.172.000 althans € 1.956.56 (het hof begrijpt: € 1.956.567), (een en ander te verminderen met een bedrag van €500.000 als vordering VII. wordt toegewezen), althans een in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf de dag van verzuim tot de dag der algehele voldoening; Meer subsidiair: Maja Investments en Maja Deelnemingen hoofdelijk te veroordelen tot vergoeding van de schade van [appellant] , te weten een bedrag van € 2.343.750 (de door [geïntimeerde sub 1] geprognotiseerde winst inzake BIC cluster I), te vermeerderen met wettelijke rente, althans een veroordeling tot schadevergoeding op te maken bij staat; IX. [geïntimeerde sub 1] , Maja Investments en Maja Deelnemingen hoofdelijk te veroordelen tot het op eerste verzoek doen toekomen van alle informatie, die [appellant] in het kader van de geldleningsovereenkomst van 1 november 2009 (productie 7) en de overeenkomst van geldlening van 13 december 2017 (productie 9) noodzakelijk acht, waaronder doch niet beperkt tot: ● Overzichten van het verloop van het depotbedrag zoals ontvangen van VDB notarissen; ● Informatie inzake de verhuur van “Additional Space” Westwing, zoals bedoeld in artikel 1.17 van de bijlage 12 van de SPA; ● Status mediation traject en de (verwachte) financiële uitkomst; ● Overzicht van grondverkopen aan de gemeente [A] en de gerealiseerde financiële opbrengsten; ● Alle informatie inzake de vervulling van de additionele voorwaarden van artikel 1.1. sub a van de bijlage 12 van de SPA; ● Alle informatie inzake de huidige feitelijke situatie met betrekking tot de (niet) verhuurde ruimtes; Projectafrekening over BIC cluster I, waaruit de winst van het project blijkt volgens Maja Investments en Maja Deelnemingen; op straffe van een in goede justitie vast te stellen dwangsom voor het geval [geïntimeerde sub 1] , Maja Investments en Maja Deelnemingen niet aan de hoofdveroordeling voldoen. Vordering tot vergoeding van de gemaakte beslagkosten X. [geïntimeerde sub 1] , Maja Investments en Maja Deelnemingen hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de door [appellant] gemaakte beslagkosten van € 5.304,78 + P.M., te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf de dag van verzuim tot de dag der algehele voldoening; Vordering tot vergoeding van de gemaakte buitengerechtelijke kosten XI. [geïntimeerde sub 1] , Maja Investments en Maja Deelnemingen hoofdelijk te veroordelen tot vergoeding van de door [appellant] gemaakte buiten gerechtelijke kosten en deze te begroten op grond van de staffel Buitengerechtelijke incassokosten op € 6.775, althans een in goede justitie vast te stellen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf de dag van verzuim tot de dag der algehele voldoening; Vordering tot vergoeding van de gemaakte kosten voor vaststellen van schade en aansprakelijkheid XII. [geïntimeerde sub 1] , Maja Investments en Maja Deelnemingen hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de door [appellant] gemaakte kosten voor inschakeling van Aeternus en Witlox Van den Boomen ad EUR 105.096,24, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf de dag van verzuim tot de dag der algehele voldoening; Vordering tot vergoeding van de gemaakte gerechtelijke kosten XIII. [geïntimeerde sub 1] , Maja Investments en Maja Deelnemingen hoofdelijk te veroordelen in: ● De kosten van het geding: -het salaris van de advocaat -de verschotten -kosten ter zake ambtshandelingen, verricht door gerechtsdeurwaarder. ● De nakosten Te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf de dag van verzuim tot de dag der algehele voldoening. [appellant] heeft geconcludeerd tot, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: I. vernietiging van het vonnis waarvan beroep voor zover bestreden, en tot opnieuw rechtdoende, II. de vorderingen van [appellant] onder I tot en met XIII alsnog toe te wijzen, III. veroordeling van [geïntimeerde sub 1] , Maja Investments en Maja Deelnemingen tot terugbetaling van al hetgeen [appellant] ter uitvoering van het vonnis waarvan beroep onverschuldigd aan hen heeft voldaan, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling tot aan de dag der terugbetaling, IV. veroordeling van [geïntimeerde sub 1] , Maja Investments en Maja Deelnemingen in de proceskosten van beide instanties, waaronder de nakosten, met de wettelijke rente over al deze kosten. 3.4.2 Bij memorie van antwoord in principaal hoger beroep tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep heeft [geïntimeerde sub 1] c.s., geconcludeerd tot, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: in principaal hoger beroep: bekrachtiging van het vonnis waarvan beroep voor zover [appellant] daartegen hoger beroep heeft ingesteld en indien en voor zover (een van) de vorderingen van [appellant] jegens: I Maja wordt toegewezen, te oordelen dat het bedrag van deze veroordeling tot zijn beloop is verrekend met de tegenvordering van Maja ad € 359.679; en/of II [geïntimeerde sub 1] worden toegewezen, te oordelen dat het bedrag van deze veroordeling tot zijn beloop is verrekend met de tegenvordering van [geïntimeerde sub 1] ad in ieder geval (primair) € 866.935, (subsidiair) € 635.685 en (meer subsidiair) € 560.685 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van verzuim, althans vanaf een door het hof in goede justitie te bepalen datum, tot aan de dag der algehele voldoening. in incidenteel hoger beroep: tot vernietiging van het vonnis voor zover bestreden in incidenteel hoger beroep en tot veroordeling van [appellant] : I om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Maja te betalen een bedrag van € 359.679; II om ter zake de effectenportefeuille tegen behoorlijk bewijs van kwijting bij wijze van voorschot aan [geïntimeerde sub 1] te betalen een bedrag van (primair) € 866.935, (subsidiair) € 635.685 en (meer subsidiair) € 560.685; III tot nakoming van zijn informatieverplichtingen uiterlijk binnen zeven dagen na betekening van dit arrest en tot betaling van een dwangsom van € 10.000, voor elke dag of deel daarvan dat [appellant] niet voldoet aan een of meerdere van deze verplichtingen een en ander met een maximum van € 200.000, althans een in goede justitie te bepalen dwangsom en maximum, waarbij de verbeurde dwangsom dient te worden vermeerderd met de wettelijke rente indien de dwangsom(men) niet binnen 14 dagen na iedere datum van verbeuren worden voldaan; IV om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [geïntimeerde sub 1] een bedrag van € 50.000 ter zake de verbeurde dwangsommen een en ander te vermeerderen met wettelijke rente vanaf zeven dagen na betekening van het vonnis aan [appellant] tot de dag der algehele voldoening. in principaal en incidenteel hoger beroep: veroordeling van [appellant] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [geïntimeerden] te voldoen de proceskosten van beide instanties, vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW. 3.4.3 Bij memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep heeft [appellant] geconcludeerd tot: in principaal hoger beroep: 1. vernietiging van het vonnis waarvan beroep en opnieuw rechtdoende de gewijzigde vordering van [appellant] toe te wijzen; in incidenteel hoger beroep: 2. [geïntimeerde sub 1] , Maja Investments en Maja Deelnemingen niet-ontvankelijk te verklaren in haar hoger beroep, althans de door hen aangevoerde grieven ongegrond te verklaren en af te wijzen; 3. bekrachtiging van het vonnis waarvan beroep voor zover [appellant] daartegen geen grieven heeft gericht; in principaal en incidenteel hoger beroep: 4. [geïntimeerde sub 1] , Maja Investments en Maja Deelnemingen te veroordelen in de in de kosten van beide instanties, te vermeerderen met de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente. Internationale aspecten 3.5.1 De onderhavige zaak heeft internationale aspecten. [appellant] woont in België, [geïntimeerde sub 1] woont in Nederland en Maja Investments en Maja Deelnemingen zijn in Nederland gevestigd. Nu [appellant] [geïntimeerden] , die woonplaats heeft, op het grondgebied van een lidstaat, heeft opgeroepen voor het gerecht van die lidstaat is de Nederlandse rechter bevoegd, artikel 4 lid 1 Verordening (EU) nr.1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking). Tegen de toepassing van Nederlands recht door de rechtbank is geen grief gericht, zodat het hof van de toepasselijkheid van Nederlands recht uitgaat. De eiswijziging bij memorie van grieven 3.5.2 Bij memorie van grieven heeft [appellant] zijn eis gewijzigd [geïntimeerden] heeft geen bezwaar gemaakt tegen de eiswijziging van [appellant] . Het hof ziet ook geen aanleiding de eiswijziging ambtshalve buiten beschouwing te laten wegens strijd met de goede procesorde. Recht zal worden gedaan op de gewijzigde eis. De grieven Vastgestelde feiten 3.6.1 Met grief 1 richt [appellant] zich tegen de door de rechtbank onder rechtsoverweging 2.4 en 2.10 vastgestelde feiten. Volgens [appellant] wordt met de feitenvaststelling in rechtsoverweging 2.4., dat [geïntimeerde sub 1] , althans een aan hem gelieerde vennootschap in 2009 45 hectare grond heeft gekocht, een onjuiste voorstelling van zaken gegeven, omdat tussen partijen niet in geschil is dat Maja Deelnemingen de gronden heeft gekocht. 3.6.2 Het hof oordeelt dat dit betoog van [appellant] niet slaagt. Dat tussen partijen niet in geschil is dat Maja Deelnemingen de gronden heeft gekocht maakt niet dat met rechtsoverweging 2.4 een onjuiste voorstelling van zaken wordt gegeven. Tussen partijen is niet in geschil dat Maja Investments de aandeelhouder is van Maja Deelnemingen en dat [geïntimeerde sub 1] aandeelhouder is van Maja Investments. Bij het voorgaande komt dat de vaststelling als door de rechtbank gedaan van belang is, omdat het [geïntimeerde sub 1] is geweest die in het kader van de aankoop van de gronden met [appellant] de overeenkomst van geldlening van 1 november 2009 heeft gesloten. Dat speelt in deze procedure een rol. Met grief 1 betoogt [appellant] voorts dat anders dan in rechtsoverweging 2.4 is opgenomen, niet al die 45 ha gronden zijn ontwikkeld. Dat betoog van [appellant] slaagt, het hof heeft daarmee bij de feiten vaststelling rekening gehouden. Ten aanzien van het betoog van [appellant] , met grief 1, dat de rechtbank, meer specifiek, met rechtsoverweging 2.10 de feiten onjuist en onvolledig heeft vastgesteld, omdat in de periode tussen de overeenkomst van 1 november 2009 en 17 november 2017 tussen partijen is gecorrespondeerd over de winstrechten uit beide overeenkomsten, oordeelt het hof als volgt. Het hof stelt zelf de relevante feiten vast, en heeft bij de vaststelling daarvan (onder 3.1.7, 3.1.11 en 3.1.12) rekening gehouden met het in zoverre onbetwiste betoog van [appellant] dat tussen 1 november 2009 en 17 november 2017 tussen partijen is gecorrespondeerd over de winstrechten. Ook in zoverre slaagt grief 1. Het in zoverre slagen van grief 1 kan evenwel niet leiden tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep. Winstaandeel op grond van de geldleningsovereenkomst van 1 november 2009 3.6.3 Grief 2 is gericht tegen rechtsoverweging 4.3 tot en met 4.5 van het vonnis waarvan beroep. Met deze grief betoogt [appellant] dat de aan hem toekomende vergoeding niet uitsluitend kan worden gebaseerd op de overeenkomst van 13 december 2017. In de laatste overeenkomst, waarbij [geïntimeerde sub 1] geen partij was, zijn nadere afspraken gemaakt over een deel van het winstrecht op het project, te weten Cluster I. Die afspraak heeft geen invloed op de oorspronkelijke afspraak voor de overige delen van het project die in de toekomst zullen worden ontwikkeld. Juist is dat partijen niet hebben bedoeld dat [appellant] zowel op basis van de overeenkomst van 2009 als op basis van de overeenkomst van 2017 en daarmee twee keer recht heeft op winst. Voor wat betreft Cluster I heeft [appellant] gelet op de nadere afspraken recht op winst op grond van de overeenkomst van 2017, maar met betrekking tot de winst op het overige deel van het project, Cluster 2a, 2b en Landelijk Strijp, geldt nog steeds de overeenkomst van 2009, aldus [appellant] . Blijkens de verklaring van 29 november 2017 van [appellant] en [geïntimeerde sub 1] ziet het winstrecht uit de overeenkomst van geldlening van 1 november 2009 niet uitsluitend op de verkoop van de gronden. Uit deze verklaring blijkt dat [appellant] recht heeft op 18,75% van alle opbrengsten die aan de ontwikkelingsactiviteiten van de 45 hectare gronden zijn toe te rekenen. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft [appellant] nader toegelicht dat ook uit de e-mail van 3 november 2011 volgt dat de aan hem toekomende vergoeding ziet op het totale project ‘ [ZZ] ’ (zie hiervoor onder 3.1.7, hof), aldus nog steeds [appellant] . 3.6.4 Het hof oordeelt dat grief 2 niet slaagt. Tussen partijen is niet in geschil dat het woord “Project” in de overeenkomst van 1 november 2009 aanvankelijk op de aankoop van de in die overeenkomst genoemde 45 ha gronden en speculatie op de waarde van die gronden zag, althans dat die overeenkomst aanvankelijk zag op een vergoeding gekoppeld aan de waarde van de gronden. Evenmin is tussen partijen in geschil dat de plannen in 2011 zijn gewijzigd in die zin dat het niet meer (alleen) ging om speculatie ten aanzien van de waarde van de gronden, maar om ontwikkeling van de in 2009 aangekochte 45 ha gronden. Artikel 7.3 van de door [persoon B] opgestelde overeenkomst van 1 november 2009 luidt: “[geïntimeerde sub 1] zal bij een winst op het Project hiervan 18,75% doen toekomen aan [appellant]” Bij de hiervoor genoemde e-mail van 3 november 2011 heeft [geïntimeerde sub 1] [appellant] bericht: “(…) jou lening in deze is 350 k plus rente en hiervoor heb je recht voor 18,75% v d opbrengst van ons deel van dit project ik denk dat het reeel is dat jou geld terug betaald word uit de eerste opbrengst van dit project want het is niet eerlijk als je nu bij verkoop van 0 winst jou 18,75% krijgt van het gedeelte [ZZ] je doet mee op de winst van het totaal (…)”. Op 5 december 2017 heeft [geïntimeerde sub 1] een namens [appellant] door [persoon B] aan hem toegezonden verklaring van 29 november 2017 ondertekend, zie hiervoor onder 3.1.13, daarin verklaart [geïntimeerde sub 1] : “(…) In aanmerking nemende dat [appellant] in 2009 een geldlening heeft verstrekt heeft bij de aankoop van 45 ha gronden te [A] waarbij aan [appellant] een winstrecht ad 18,75% op het project overeengekomen is. verklaren dat onder het project altijd is verstaan tevens alle ontwikkelingsactiviteiten die op vermelde grondposities plaats zullen vinden. Derhalve vallen dus ook alle opbrengsten die aan de ontwikkelingsactiviteiten zijn toe te rekenen onder het winstrecht van 18,75% (…)”. Ter zitting in hoger beroep is nader toegelicht dat [ZZ] , genoemd in de e-mail van 3 november 2011, de aangekochte 45 ha gronden omvat. Op een deel van die 45 ha is BIC Cluster I ontwikkeld (23
- ha)en op een ander deel daarvan is de ontwikkeling van Cluster 2a, 2b en Landelijk Strijp gepland. Naar het oordeel van het hof betekent het voorgaande dat [appellant] redelijkerwijs heeft mogen begrijpen dat de rechtsverhouding tussen partijen is gewijzigd in die zin dat deze niet meer ziet op een aan [appellant] toekomende vergoeding van 18,75% van de winst op de waardestijging van de 45 ha gronden. De omstandigheden evenwel dat [geïntimeerde sub 1] hooguit recht had op dividend en zelf geen winstgerechtigde was, dat wil zeggen niet ten aanzien van BIC Cluster I, hetgeen door [appellant] niet is betwist, en is gesteld nog gebleken dat [geïntimeerde sub 1] ten aanzien van Cluster 2a, 2b en Landelijk Strijp wel winstgerechtigde zou zijn, maakt evenwel dat [appellant] er niet op mocht vertrouwen dat [geïntimeerde sub 1] daarmee ten laste van zichzelf aanvullend aan de overeenkomst van 1 november 2009 tussen hem en [appellant] een vergoeding gebaseerd op een winstrecht ten aanzien van Cluster 2a, 2b en Landelijk Strijp, heeft bedoeld te geven. Weliswaar staat in de overeenkomst van 1 november 2009 dat [geïntimeerde sub 1] aan [appellant] een winst van 18,75% “(…) zal doen toekomen (…)”, maar nu in de e-mail van 3 november 2011 de woorden “(…) ons deel van dit project (…)” worden gebruikt en de verklaring van 29 november 2017 is afgegeven kort voor de totstandkoming van de overeenkomst van 13 december 2017 die ziet op BIC Cluster I, maakt dat, dat onvoldoende is onderbouwd dat [geïntimeerde sub 1] een vergoeding gebaseerde op een winstrecht ten laste van zichzelf heeft willen geven ten aanzien van de Clusters 2a, 2b, en Landelijk Strijp. Dat [geïntimeerde sub 1] heeft bedoeld Maja Deelnemingen en/of Maja Investments aan een nadere invulling van de overeenkomst van 1 november 2009 te binden is, voor zover [appellant] dat heeft beoogd te betogen, niet voldoende onderbouwd. Naar [appellant] onder verwijzing naar de BIC ONE verhuurbrochure ook zelf betoogt, had ten aanzien van Cluster 2a en 2b en Landelijk Strijp nog geen ontwikkeling plaatsgevonden, en is door partijen niets aangevoerd over de bestaande rechten en plichten van Maja Deelnemingen en Maja Investments aangaande winstrechten ten aanzien van Cluster 2a, 2b en Landelijk Strijp, daarmee kan niet worden aangenomen dat [appellant] er op mocht vertrouwen dat [geïntimeerde sub 1] heeft beoogd Maja Deelnemingen en/of Maja Investments, aan een vergoeding gebaseerd op een winstrecht ten voordele van [appellant] daarover te binden. Voor zover ervan uit zou moeten worden gegaan dat [appellant] er wel op mocht vertrouwen dat [geïntimeerde sub 1] ten laste van zichzelf een vergoeding gebaseerd op een winstrecht aan [appellant] heeft willen afgeven geldt dat de gevorderde verklaring voor recht, vordering I, dan toch niet zou kunnen worden afgegeven, omdat deze een vergoeding van 18,75% van het winstrecht van [geïntimeerde sub 1] betreft, terwijl [geïntimeerde sub 1] geen winstrecht heeft en voorts onvoldoende is onderbouwd wat met “(…) rechtsopvolgers (…)” in vordering I is bedoeld. Dat [geïntimeerde sub 1] (indirect) aandeelhouder is van Maja Investments en Maja Deelnemingen maakt niet dat deze zijn rechtsopvolgers zijn. Daarmee is de vordering onvoldoende duidelijk om te kunnen worden toegewezen. Grief 2 slaagt niet, althans kan niet leiden tot toewijzing van vordering I en VI van [appellant] in hoger beroep. Winstaandeel op grond van de overeenkomst van 13 december 2017 3.6.5 Grief 3 is gericht tegen de rechtsoverwegingen 4.9 tot en met 4.16 van het vonnis waarvan beroep. Volgens [appellant] heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat de overeenkomst van 13 december 2017 geen regeling bevat voor de situatie dat de winst na verkoop nog niet definitief kan worden vastgesteld zodat de overeenkomst een leemte bevat die moet worden uitgelegd, maar dat geen van partijen duidelijkheid heeft verschaft over wat partijen voor die situatie zijn overeengekomen. De rechtbank heeft volgens [appellant] verder ten onrechte geoordeeld dat de aan hem toekomende vergoeding nog niet opeisbaar is, dat geen voorschot kan worden gevorderd en dat artikel 6:248 BW niet meebrengt dat van [appellant] niet kan worden gevergd dat hij de uitwerking van alle variabelen afwacht. [appellant] betoogt dat de aan hem toekomende vergoeding volgens de overeenkomst van 13 december 2017 dient te worden betaald op het moment dat BIC Cluster I is verkocht. In die overeenkomst is opgenomen dat bij verkoop van de eerste fase van het BIC Project (BIC Cluster 1) de lening geheel wordt afgelost en de aan hem toekomende vergoeding gebaseerd op het winstaandeel wordt betaald. [appellant] heeft begrepen en mocht redelijkerwijs begrijpen dat hij direct bij verkoop van BIC Cluster I zowel de hoofdsom met rente als het aan hem toekomende bedrag uit het winstaandeel zou ontvangen. Dit mede gelet op de e-mail van 24 oktober 2017 van [geïntimeerde sub 1] waarin [geïntimeerde sub 1] heeft aangegeven “ (…) Ik ontvang de winst bij verkoop aan een eindbelegger Dus wil dit graag veranderen dat dit sychroon loopt met deze verkoop (…)”, aldus [appellant] . Daar tussen partijen niet in geschil is dat BIC Cluster I op 21 september 2020 is verkocht en dat Maja Investments en Maja Deelnemingen (het grootste gedeelte van) de koopsom toen ook hebben ontvangen, terwijl de uitgeleende gelden met rente op dat moment aan [appellant] zijn terugbetaald, staat zo betoogt [appellant] , de opeisbaarheid van zijn vordering tot uitkering van de aan hem toekomende vergoeding vanaf september 2020 vast. Slechts een beperkt deel van de koopsom is in depot geplaatst op basis van een huurgarantie. Het grootste gedeelte van de door Maja Investments en Maja Deelnemingen gerealiseerde winst staat dus al vast en het aan [appellant] toekomende percentage over deze gerealiseerde winst is ten onrechte nog niet aan hem uitgekeerd. [appellant] mocht, op basis van de door [geïntimeerde sub 1] geprognotiseerde winst, primair een winst verwachten van € 2.343.750. [appellant] betoogt subsidiair dat de aan hem toekomende vergoeding op basis van door Maja Investments en Maja Deelnemingen op 24 december 2022 verstrekte aanvullende informatie kan worden berekend. [appellant] heeft daartoe deskundigen ingeschakeld. Witlox Van den Boomen heeft in haar rapport geconcludeerd dat het de aan [appellant] ter zake BIC Cluster 1 toekomende vergoeding gebaseerd op het winstaandeel € 2.172.000 bedraagt. Aeternus heeft in haar rapport geconcludeerd dat het bedrag € 1.956.567 is. Deze bedragen zijn aldus [appellant] in lijn met de door [geïntimeerde sub 1] , als aangegeven in zijn e-mail van 3 november 2011, geprognotiseerde vergoeding van € 2.343.750 (naast rente en aflossingen). De rechtbank heeft ten onrechte geweigerd om een deskundige aan te stellen. Meer subsidiair betoogt [appellant] dat voor zover het winstaandeel nog niet bekend is Maja Investments en Maja Deelnemingen hem er op had moeten wijzen dat het winstaandeel in artikel 9.2 van de overeenkomst van 13 december 2017 niet duidelijk geredigeerd is, temeer omdat de overeenkomst van 2017 vanwege de financiële problemen bij Maja Investments en Maja Deelnemingen onder grote druk is gesloten. [appellant] kon ten tijde van het sluiten van de overeenkomst met [geïntimeerde sub 1] in 2009 en met Maja Deelnemingen en Maja Investments in 2017 geen rekening houden met mogelijke toekomstige verkoopconstructies die [geïntimeerden] zouden gaan bedenken. Uit de overeenkomst van 2017 blijkt dat partijen hebben beoogd af te rekenen bij verkoop en dat zij er ook van uit gingen dat afrekening bij verkoop mogelijk was. [geïntimeerden] heeft [appellant] er niet over geïnformeerd dat zij een constructie hebben gekozen waarbij afrekening bij verkoop niet zou kunnen plaatsvinden. [geïntimeerden] hebben niet gevraagd om wijziging of aanvulling van de overeenkomsten op basis van onvoorziene omstandigheden. Dit betekent volgens [appellant] dat [geïntimeerden] direct bij verkoop diende af te rekenen. Dat een gedeelte van de winst op de transactie voorwaardelijk is gemaakt is een nieuw en een niet voorzienbaar risico voor [appellant] , dat niet voor zijn rekening dient te komen. Als een gedeelte van de winst toch niet wordt gerealiseerd dienen Maja Investments en/of Maja Deelnemingen dit bedrag maar terug te vorderen aldus [appellant] . Voor zover het hof het primaire standpunt van [appellant] niet volgt vordert [appellant] subsidiair, op grond van artikel 6:162 BW een schadevergoeding van € 2.343.750 van [geïntimeerden] hoofdelijk. Meer subsidiair vordert [appellant] wijziging van de overeenkomst op grond van artikel 6:258 BW dan wel op grond van 6:248 BW en een veroordeling tot nakoming van de gewijzigde overeenkomst. De wijziging zou er volgens [appellant] in bestaan dat tussen [appellant] en [geïntimeerde sub 1] een regeling zou zijn getroffen conform de regeling die [geïntimeerden] met NIBC is overeengekomen. Te weten 18,75% van de ontwikkelingswinst (= netto opbrengst bij verkoop minus de som van € 4.500.000 en de door Maja Deelnemingen vanaf medio 2016 aantoonbaar als eigen vermogen geïnvesteerde bedragen in de vof., welk bedrag door [geïntimeerde sub 1] in zijn e-mail van 3 november 2011 is geprognotiseerd. 3.6.6 Daar beide zien op de vraag of de aan [appellant] toekomende vergoeding aan hem dient te worden betaald op het moment van verkoop van BIC Cluster I, ook indien het winstaandeel van Maja Investments en/of Maja Deelnemingen nog niet (volledig) kan worden berekend, beoordeeld het hof eerst het primaire betoog en het meer subsidiaire betoog van [appellant] . 3.6.6.1 Ten aanzien van het primaire betoog oordeelt het hof als volgt. Anders dan [appellant] betoogt heeft de rechtbank niet geoordeeld dat de leemte in de overeenkomst van 13 december 2017 moet worden uitgelegd maar dat deze moet worden ingevuld en de overeenkomst daartoe moet worden uitgelegd. Voor die invulling is voorts, volgens de rechtbank, geen plaats geweest omdat partijen dienaangaande geen duidelijkheid hebben verschaft. Geen grief is gericht tegen de maatstaf die volgens de rechtbank dient te worden toegepast bij de uitleg van de overeenkomst. De rechtbank heeft de uitleg gebaseerd op het arrest van de Hoge Raad van 5 april 2013, ECLI:NL:HR: 2013:BY8101. De in dat arrest van de Hoge Raad geven maatstaf luidt als volgt: “(…) Ook indien bij uitleg van een overeenkomst groot gewicht toekomt aan de taalkundige betekenis van de gekozen bewoordingen, kunnen de overige omstandigheden van het geval meebrengen dat een andere (dan de taalkundige) betekenis aan de bepalingen van de overeenkomst moet worden gehecht. Beslissend blijft immers de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. (…)”. Bij e-mail van 24 oktober 2017 heeft [persoon B] in concept een overeenkomst van oktober 2017 aan [geïntimeerde sub 1] gezonden. Daarin is in artikel 3 Looptijd en aflossing opgenomen: “(…) 3.1 De Lening is aangegaan voor de duur van maximaal 1 jaar en loopt uiterlijk tot 1 november 2018 en de Lening zal op deze datum geheel door Leningnemer zijn afgelost (…)”. Bij e-mail van 24 oktober 2017 heeft [geïntimeerde sub 1] gereageerd als volgt: “(…) Bij punt 3.1 staat dat de termijn 1/11/2018 afloopt Ik ontvang de winst bij verkoop aan een eindbelegger Dus wil dit graag veranderen dat dit sychroon loopt met deze verkoop (…)”. In de overeenkomst van 13 december 2017 is onder A. Inleiding punt 3 opgenomen: “(…) Leningnemer zal naar verwachting pas in staat zijn de Lening en de overeengekomen rente (terug) te betalen aan Leningverstrekker als en wanneer de eerste fase (partijen genoegzaam bekend) van het BIC Project is verkocht en Leningnemer vervolgens haar gedeelte van de VOF zal ontvangen (…)”. Volgens [geïntimeerden] is deze passage, die, naar hij betoogt, afwijkt van de e-mailwisseling, in de overeenkomst opgenomen, omdat Maja Deelnemingen eerst over de winst van de vof dient te beschikken daar zij anders niet in staat is haar verplichtingen jegens [appellant] te voldoen. [appellant] heeft laatst genoemde betoog van [geïntimeerde sub 1] niet betwist. Weliswaar betoogt [appellant] dat Maja Deelnemingen en Maja Investments op grond van artikel 9.2 van de overeenkomst van 13 december 2017 verplicht zijn om bij verkoop van BIC Cluster I aan [appellant] een vergoeding van 18,75% van het winstaandeel van Maja Deelnemingen en Maja Investments in BIC Cluster I aan [appellant] te doen toekomen, maar gelet op hetgeen is opgenomen onder A. Inleiding punt 3 van die overeenkomst, en het onbetwiste betoog van [geïntimeerden] van de reden daartoe, oordeelt het hof dat [appellant] redelijkerwijs niet mocht verwachten dat haar winstrecht al direct bij verkoop van BIC Cluster I zou worden uitgekeerd. [appellant] behoorde in redelijkheid te begrijpen dat eerst wanneer Maja Deelnemingen haar winst heeft ontvangen tot uitkering zou dienen te worden overgegaan. Feiten of omstandigheden die dit anders maken zijn door [appellant] niet aangevoerd. Het voorgaande betekent dat het, naar het hof begrijpt, primaire betoog van [appellant] dat zijn winstrecht opeisbaar is vanaf september 2020 toen BIC Cluster I is verkocht en Maja [geïntimeerden] de koopsom heeft ontvangen, niet opgaat. 3.6.6.2 Het hof beoordeelt vervolgens het meer subsidiaire betoog van [appellant] dat [geïntimeerden] direct bij verkoop diende af te rekenen, naar het hof begrijpt de aan [appellant] toekomende vergoeding, omdat het niet voor risico van [appellant] dient te komen dat [geïntimeerden] bij verkoop van BIC Cluster I voor een constructie heeft gekozen waarbij haar winst eerst een decennium na verkoop kon worden vastgesteld hetgeen voor [appellant] niet voorzienbaar was en Maja Investments of Maja Deelnemingen [appellant] er niet op heeft gewezen dat artikel 9.2 van de overeenkomst van 13 december 2017 niet duidelijk is geredigeerd. Naar het oordeel van het hof was het niet, zondermeer, Maja Investments of Maja Deelnemingen die [appellant] er op diende(
- n)te wijzen dat artikel 9.2 van de overeenkomst van 13 december 2017 onduidelijk was geredigeerd. Niet in geschil is dat de overeenkomst van 13 december 2017 van de zijde van [appellant] is opgesteld. Te weten door de heer Lahaije , de adviseur van [appellant] die, naar tussen partijen niet in geschil is, op dit vlak deskundig was. Dat het voor [appellant] niet voorzienbaar was dat, naar [appellant] betoogt, een gedeelte van de hem toekomende vergoeding voorwaardelijk was gemaakt, naar het hof begrijpt, omdat sprake was van een door VOF BIC in het kader van de verkoop van BIC Cluster I verstrekte huurgarantie, en dat [appellant] daarmee geen rekening kon houden, is niet voldoende onderbouwd. Gelet daarop oordeelt het hof dat het betoog van [appellant] dat direct bij verkoop diende te worden afgerekend, omdat [geïntimeerden] onduidelijkheid over de gekozen constructie hebben laten bestaan en Maja Investments of Maja Deelnemingen niet heeft gewezen op onduidelijkheid in de redactie van artikel 9.2 van de overeenkomst van 13 december 2017 niet opgaat. [appellant] heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd die dit anders maken. Dat Maja Investments of Maja Deelnemingen onrechtmatig heeft gehandeld door [appellant] niet over de aanstaande door haar gekozen constructie bij verkoop te informeren en door [appellant] niet in de gelegenheid te stellen om aanvullende/afwijkende afspraken te maken, is in het licht van het voorgaande niet voldoende onderbouwd. Daarmee dient de vordering tot schadevergoeding van [appellant] te worden afgewezen. Evenmin gaat op het beroep van [appellant] op artikel 6:258 BW. Van een omstandigheid waarin in de overeenkomst niet is voorzien is geen sprake. [appellant] behoorde te begrijpen dat partijen zijn overeengekomen dat [appellant] de hem toekomende vergoeding eerst zou ontvangen wanneer Maja Investments en/of Maja Deelnemingen haar winst aandeel had ontvangen. Feiten en omstandigheden op grond waarvan anders zou moeten worden geoordeeld zijn door [appellant] niet aangevoerd. Met het voorgaande faalt ook het beroep van [appellant] op wijziging van de overeenkomst op grond van artikel 6:248 BW. 3.6.6.3 Ten aanzien van het subsidiaire betoog van [appellant] dat de hem toekomende vergoeding kan worden berekend en de betwisting daarvan door [geïntimeerden] , omdat volgens [geïntimeerden] in het kader van de verkoop van BIC Cluster I een huurgarantie is overeengekomen, inhoudende dat VOF BIC een huurgarantie verstrekt met betrekking tot leegstaande ruimten in BIC Cluster I gedurende 11,5 jaar vanaf 29 september 2020 en pas als de huurgarantie volledig is uitgewerkt de vordering van [appellant] ad 18,75% van de aan Maja Investments en/of Maja Deelnemingen uitgekeerde winst opeisbaar is, oordeelt het hof dat bij de mondelinge behandeling in hoger beroep is gebleken dat partijen het er over eens zijn dat de door vof BIC aan de kopers van BIC Cluster I verstrekte huurgarantie niet meer aan de berekening van het winstaandeel van Maja Investments en/of Maja Deelnemingen in de weg staat daar alle ruimten zijn verhuurd. Was volgens het door [geïntimeerden] overgelegde rapport van BDO van 4 maart 2024 de aan [appellant] toekomende vergoeding onder het minimum toegezegde aandeel van € 500.000, volgens het addendum van 1 november 2024 bij dit rapport waarin is opgemerkt dat inmiddels alle eenheden zijn verhuurd, en geen verdere nakomende kosten uit hoofde van de huurgarantie zijn te verwachten zou het resterend aandeel van [appellant] in de voorlopige winst € 714.513 zijn. Van de zijde van [appellant] is een rapport van Witlox Van den Boomen van 8 februari 2023 en een rapport van Aeternus, waarvan het hof geen datum bekend is, overgelegd. Volgens het rapport van Witlox Van den Boomen is de aan [appellant] toekomende vergoeding € 2.172.000 en volgens het rapport van Aeternus is de aan [appellant] toekomende vergoeding € 1.956.567, hetgeen volgens [appellant] overeenkomt met de door [geïntimeerde sub 1] bij e-mail van 3 november 2011 geprognotiseerde vergoeding van € 2.343.750. Het hof kan bij gebrek aan deskundigheid ter zake niet zelf het winstaandeel van Maja Investments en/of Maja Deelnemingen en daarmee de aan [appellant] toekomende vergoeding berekenen en is voornemens voor de berekening daarvan een deskundige te benoemen om op basis van de hierna genoemde drie partijrapporten en het hierna genoemde addendum, met de aan deze rapporten en het addendum ten grondslag liggende stukken de aan [appellant] toekomende vergoeding te berekenen. Door partijen zal aan de deskundige worden voorgelegd: - de rapportage van Witlox Van den Boomen van 8-2-2023 Winstberekening BIC I, (productie 60 bij de memorie van grieven); - de rapportage van AETERNUS Vaststelling winstrecht [appellant] op project BIC Cluster I, (productie 61 bij de memorie van grieven); - het rapport Voorlopige winstberekening BIC CLUSTER 1 van BDO van 4 maart 2024 (productie 39 bij memorie van antwoord); en - het addendum van 1 november 2024 bij het rapport inzake “Voorlopige winstberekening BIC CLUSTER 1” van 4 maart 2024 (nagekomen productie 40) - en de aan deze rapporten en het addendum ten grondslag liggende stukken. - Eveneens dienen partijen aan de deskundige de nagekomen productie 75 van [appellant] , een door Witlox Van den Boomen, bij e-mail van 5 november 2024 van [persoon E] , senior expert corporate finance van [bedrijf A] aan [persoon F] gezonden, opgesteld overzicht betreffende de verschillen tussen de resultaatsbenadering door Witlox Van den Boomen enerzijds en BDO anderzijds, aan de deskundige voor te leggen. Het hof is voornemens aan de deskundige de vraag stellen: kunt u op basis van de rapportage van Witlox Van den Boomen van 8-2-2023 Winstberekening BIC I, productie 60 bij de memorie van grieven, de rapportage van AETERNUS Vaststelling winstrecht [appellant] op project BIC Cluster I, productie 61 bij de memorie van grieven, het rapport Voorlopige winstberekening BIC CLUSTER 1 van BDO van 4 maart 2024, productie 39 bij memorie van antwoord en het addendum van 1 november 2024 bij het rapport inzake “Voorlopige winstberekening BIC CLUSTER 1” van 4 maart 2024, nagekomen productie 40 en de aan deze rapporten en het addendum ten grondslag liggende stukken de aan [appellant] toekomende vergoeding gebaseerd op 18,75% van het winstaandeel van Maja Investments en/of Maja Deelnemingen in de verkoop van BIC Cluster I berekenen? Ten aanzien van het verschil van inzicht van partijen over het winstbegrip in die zin of [appellant] aanspraak kan maken op een gedeelte van de winst voor belasting, standpunt van [appellant] , of dat [appellant] aanspraak kan maken op een percentage van de winst na vennootschapsbelasting, standpunt van [geïntimeerden] , oordeelt het hof als volgt. Bij e-mail van 3 november 2011 heeft [geïntimeerde sub 1] [appellant] bericht: “(…) ps winst verwachting op de project is meer dan 25 mio dus 18,75 van de helft van dit bedrag is nog altijd 2.343750 plus je geinvesteerd vermogen plus rente (…)”. Zonder nadere toelichting die [geïntimeerden] niet heeft gegeven valt niet in te zien dat [appellant] bij het aangaan/opstellen van de overeenkomst van 13 december 2017 behoorde te begrijpen dat de aan hem toekomende vergoeding (het aan hem toekomende percentage van het winstaandeel) zou worden berekend na vennootschapsbelasting. Dat [geïntimeerde sub 1] dan wel Maja Deelnemingen en/of Maja Investments hem daar toen op hebben (heeft) gewezen is gesteld noch gebleken. De omstandigheid dat in de hiervoor genoemde rapporten van Witlox Van den Boomen en Aeternus andere bedragen worden genoemd, waarbij voor de berekening van de aan [appellant] toekomende vergoeding wordt uitgegaan winst vóór belasting, maakt dat niet anders. Integendeel, in deze rapporten wordt immers uitgegaan van winst vóór belasting. Daarbij komt dat Maja Investments en Maja Deelnemingen het door [appellant] betaalde bedrag conform de overeenkomst van 13 december 2017 hebben ingebracht in vof BIC om te kunnen voldoen aan de verplichtingen met betrekking tot de realisatie van BIC Cluster I (zie hiervoor onder 3.1.14 en 3.1.15). In het rapport van Aeternus staat hierover: “7.1.4 Winstrecht vóór of na belasting vaststellen. [appellant] is geen aandeelhouder in Maja Deelnemingen BV, maar enkel financier van het project. In die hoedanigheid kwalificeert het winstrecht (…) als kostenpost voor de uitkerende vennootschap. Derhalve dient het winstrecht van [appellant] vastgesteld te worden op basis van de gerealiseerde winst vóór belasting van het project BIC Cluster I. Analoog aan de berekening van winstrechten van derde partijen (…), dient in de berekening van het winstrecht van [appellant] ook de gerealiseerde winst vóór belasting van het project BIC Cluster I te worden bepaald en daarvan afgeleid het winstrecht (18,75%). Het te ontvangen winstrecht voor [appellant] is fiscaal belast. De uitkerende vennootschap van het winstrecht verkrijgt een aftrekpost voor de vennootschapsbelasting”. Evenmin maakt de omstandigheid dat in het rapport van BDO van 4 maart 2024 en het addendum van 1 november 2024 andere bedragen worden genoemd, waarbij voor de berekening van de aan [appellant] toekomende vergoeding, naar het hof begrijpt, wordt uitgegaan van winst na belasting, het voorgaande anders. Waar het om gaat is of [appellant] bij het aangaan van de overeenkomst van 13 december 2017 behoorde te begrijpen dat het aan hem toekomende percentage in het winstaandeel na aftrek van vennootschapsbelasting zou worden berekend. Daarvan is geen sprake. Gelet daarop oordeelt het hof dat de deskundige bij de berekening van de aan [appellant] toekomende vergoeding dient uit te gaan van een recht van [appellant] op een percentage van het winstaandeel vóór belasting. Minimale vergoeding van € 500.000? 3.6.7 Grief 4 is gericht tegen de rechtsoverwegingen 4.17 en 4.18 van het vonnis waarvan beroep. Met deze grief betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat uit niets blijkt dat [appellant] het minimumbedrag van € 500.000 ook ontvangt indien geen winst is gemaakt en dat de rechtbank ten onrechte de vordering tot de minimale vergoeding van € 500.000 heeft afgewezen. Volgens [appellant] had de rechtbank op basis van de letterlijke tekst van de overeenkomst de uitleg van [appellant] moeten volgen en was het aan [geïntimeerden] om tegenbewijs te leveren nu deze zich beroept op een bedoeling van partijen die afwijkt van de letterlijke tekst. Uit de letterlijke tekst van de overeenkomst en de e-mail van 12 november 2017 van [geïntimeerde sub 1] blijkt volgens [appellant] dat het minimale bedrag van € 500.000 altijd direct verschuldigd is zodra de verkoop heeft plaats gevonden. Niet is overeengekomen dat Maja Investments en Maja Deelnemingen dit bedrag niet zouden hoeven te betalen indien geen winst is gemaakt, terwijl niet aannemelijk is dat Maja Investments en Maja Deelnemingen verlies bij de verkoop van BIC Cluster 1 hebben gemaakt, aldus [appellant] . 3.6.8 Onder verwijzing naar hetgeen het hof ten aanzien van grief 3 heeft geoordeeld, te weten dat [appellant] in redelijkheid behoorde te begrijpen dat eerst wanneer Maja Investments en/of Maja Deelnemingen haar winst heeft ontvangen tot uitkering van de aan [appellant] toekomende vergoeding dient te worden overgegaan, oordeelt het hof dat ook de minimale vergoeding eerst aan [appellant] verschuldigd is wanneer Maja Investments en/of Maja Deelnemingen haar winstrecht uitgekeerd heeft gekregen. In zoverre faalt grief 4. Ten aanzien van het betoog van [appellant] dat de minimale vergoeding ook aan hem dient toe te komen indien geen winst is gemaakt oordeelt het hof dat weliswaar is overeengekomen dat de aan [appellant] toekomende vergoeding eerst dient te worden uitgekeerd indien Maja Investments en/of Maja Deelnemingen haar winst heeft ontvangen, maar dat in de overeenkomst niet is opgenomen welke hoogte het winstrecht van Maja Investments en/of Maja Deelnemingen dient te hebben om de minimale vergoeding aan [appellant] te doen toekomen en het dat het onlogisch zou zijn te oordelen dat wanneer de winst € 0,01 zou zijn € 500.000 aan [appellant] toe komt en indien de winst € 0 of negatief zou zijn geen minimale vergoeding aan [appellant] toekomt. Gelet op het voorgaande oordeelt het hof dat aan [appellant] , zodra het winstaandeel van Maja Investments en/of Maja Deelnemingen is vastgesteld minimaal een vergoeding van € 500.000 toekomt. In zoverre slaagt grief 4. Vordering II primair van [appellant] in hoger beroep zal in zoverre worden toegewezen. Dit oordeel laat dus onverlet het oordeel van de rechtbank dat aan [appellant] geen voorschot op de aan hem toekomende vergoeding toekomt. Verstrekken van inlichtingen en informatie 3.6.9 Grief 5 is gericht tegen rechtsoverwegingen 4.4 en 4.21 van het vonnis waarvan beroep. Volgens [appellant] is voor zover de gevorderde veroordeling tot uitkering van de aan hem toekomende vergoeding niet toewijsbaar is, het recht van [appellant] op informatie op basis van de overeenkomsten uit 2009 en 2017 nog niet uitgewerkt. De rechtbank heeft, zo betoogt [appellant] , in rechtsoverweging 4.21 ten onrechte geoordeeld dat de vordering van [appellant] tot het verstrekken van informatie te algemeen is. [appellant] beschikt niet over alle relevante informatie over de transactie en weet niet welke informatie beschikbaar is, uit de door Maja Investments en Maja Deelnemingen verstrekte informatie volgen steeds nieuwe aanwijzingen, dit betekent dat [appellant] steeds aanvullende informatie moet opvragen. Voorts betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte de gevorderde dwangsomveroordeling niet heeft toegewezen. Het is voor hem onbegrijpelijk dat aan hem wel een dwangsom wordt opgelegd en aan Maja Investment en Maja Deelneming niet. 3.6.10 Het hof oordeelt als volgt. In artikel 7.1 van de overeenkomst van 1 november 2009 is bepaald: “Geldnemer is verplicht al die inlichtingen ten aanzien van geldnemer aan geldgever te verstrekken welke voor geldgever als schuldeiser van belang kunnen zijn.” In artikel 9.3 van de overeenkomst van 13 december 2017 is bepaald: “Leningverstrekker zal Leningnemer op eerste verzoek alle informatie doen toekomen die Leningverstrekker in het kader van deze overeenkomst noodzakelijk acht.” Gelet op artikel 7.1 dient [geïntimeerde sub 1] ter nakoming van die overeenkomst informatie te verstrekken die van belang is voor [appellant] . Gelet op artikel 9.3 is het aan [appellant] is om kenbaar te maken welke informatie voor hem relevant is en is het aan Maja Investments en Maja Deelnemingen om deze ter nakoming van de tussen partijen gesloten overeenkomst te verstrekken. Het hof zal de vorderingen van [appellant] onder IV en IX als opgenomen in het dictum toewijzen met dien verstande, dat het gelet op het oordeel van het hof ten aanzien van grief 2 slechts informatie kan betreffen die ziet op BIC Cluster I. In zoverre slaagt grief 5. Daarnaast blijft de veroordeling van de rechtbank, rechtsoverweging 5.4 van het vonnis waarvan beroep, van Maja Investments en Maja Deelnemingen om [appellant] te doen toekomen de informatie voor zover deze door hem is geconcretiseerd in zijn e-mailbericht van 5 november 2020 aan [persoon F] in stand, het hof verwijst daartoe naar hetgeen is geoordeeld onder 3.7.3 hierna. De gevorderde dwangsom zal worden afgewezen, nu gesteld noch gebleken is dat [geïntimeerden] deze informatie niet zal verstrekken. In zoverre slaagt grief 5 niet. De vordering onder V, in eerste aanleg vordering 4, is al door de rechtbank toegewezen. Hierna onder 3.7.3, bij de beoordeling van het incidentele hoger beroep van [geïntimeerden] zal blijken dat deze toewijzing in stand blijft. Opheffing conservatoire beslagen 3.6.11 Grief 6 is gericht tegen rechtsoverweging 4.28 en 5.10 van het vonnis waarvan beroep en betreft de toewijzing van de vordering van [geïntimeerden] in reconventie tot opheffing van de conservatoire beslagen, omdat [appellant] geen opeisbare vordering met betrekking tot het winstaandeel op [geïntimeerden] heeft en door [appellant] niet aannemelijk is gemaakt dat er een reëel verhaalsrisico bestaat indien de beslagen worden opgeheven. Volgens [appellant] kan dit oordeel niet in stand blijven als het hof oordeelt dat [appellant] wel een opeisbare vordering met betrekking tot het winstaandeel heeft op [geïntimeerden] . Daarnaast, zo betoogt [appellant] , was het niet aan hem om aan te tonen dat er een reëel verhaalsrisico bestaat, maar aan [geïntimeerden] om aan te tonen dat dat niet bestaat. De rechtbank heeft voorts miskent dat een dwangsom niet kan worden verbeurd voor betekening van de uitspraak waarbij zij is vastgesteld. Ook had [appellant] niet veroordeeld mogen worden tot opheffing en doorhaling van alle ten laste van [geïntimeerden] gelegde beslagen binnen zeven dagen na dagtekening van het vonnis op straffe van de dwangsom als omschreven in 5.10 van het vonnis waarvan beroep. Dit is inconsistent met rechtsoverweging 5.13 waarin de dwangsom wordt opgelegd na betekening van het vonnis. 3.6.12 Het hof oordeelt als volgt. Uit de beoordeling van grief 3 blijkt dat thans nog geen sprake is van een opeisbare vordering van [appellant] , maar dat de aan [appellant] toekomende vergoeding gebaseerd op het winstaandeel van Maja Investments en/of Maja Deelnemingen wel kan worden berekend. Grief 6 behoeft daarmee, nu [appellant] zelf betoogt dat het oordeel van de rechtbank tot opheffing van de conservatoire beslagen niet in stand kan blijven indien het hof oordeelt dat [appellant] wel een opeisbare vordering heeft, in zoverre geen beoordeling. Ten aanzien van het oordeel van de rechtbank dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat er een reëel verhaalsrisico bestaat geldt evenzeer dat dit oordeel geen beoordeling behoeft daar [appellant] ook ten aanzien daarvan betoogt dat dat niet in stand kan blijven indien hij een opeisbare vordering op [appellant] heeft. Ten aanzien van het betoog van [appellant] dat het daarnaast niet aan hem is om aan te tonen dat er een reëel verhaalsrisico is, maar aan [geïntimeerden] om aan te tonen dat dat er niet is, oordeelt het hof dat het gelet op artikel 705 lid 2 Rv, bij een vordering tot opheffing van het beslag weliswaar aan [geïntimeerden] is om aan te tonen dat sprake is van een onnodig gelegd beslag, vgl. Hoge Raad 25-11-2005, ECLI:NL:HR:2005:AT9060, maar dat het in zoverre slagen van de grief niet kan leiden tot vernietiging van het vonnis, omdat [appellant] zelf betoogt dat het oordeel tot opheffing van de beslagen niet in stand kan blijven indien het hof oordeelt dat [appellant] een opeisbare vordering heeft. Ten aanzien van het betoog van [appellant] dat hij eerst na betekening van het vonnis dwangsommen kan verbeuren oordeelt het hof dat dat betoog juist is, maar dat het vonnis daaraan niet afdoet, door het oordeel in rechtsoverweging 5.10 van het vonnis waarvan beroep, dat [appellant] een dwangsom verbeurt indien hij niet aan de veroordeling in rechtsoverweging 5.9 van het vonnis waarvan beroep voldoet om de beslagen binnen zeven dagen na dagtekening van het vonnis op te heffen. Bij het voorgaande komt dat is gesteld noch gebleken dat [geïntimeerden] dwangsommen heeft opgeëist. Het vonnis is op 26 juli 2022 betekend en de beslagen zijn op 1 augustus 2022 opgeheven. Grief 6 slaagt in zoverre niet. Geldleningsovereenkomst van 3 december 2004 3.6.13 Grief 7 is gericht tegen rechtsoverweging 4.41 van het vonnis waarvan beroep dat het beroep van [appellant] op opschorting van zijn verplichtingen uit de overeenkomst van 3 december 2004 faalt. Naar het hof begrijpt betoogt [appellant] dat de rechtbank hem ten onrechte op grond van artikel 21 Rv niet heeft toegelaten tot een nadere onderbouwing van zijn beroep op opschorting, totdat [geïntimeerde sub 1] de achterstallige managementfee heeft betaald. Volgens [appellant] heeft [geïntimeerde sub 1] de managementvergoeding, genoemd in voornoemde overeenkomst van 3 december 2004, waarvan de looptijd op 1 oktober 2012 is verstreken, van € 50.000 per jaar, tot 30 september 2012 betaald, maar heeft Brouwer de management vergoeding sinds 1 oktober 2012 niet betaald, terwijl op 1 oktober 2010 telefonisch is afgesproken dat de overeenkomst van 3 december 2004 is verlengd, maar met een verlaagde management vergoeding van € 25.000. 3.6.14 Het hof oordeelt dat geen grief is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat partijen het er (inmiddels) over eens zijn dat de overeenkomst van 3 december 2004 is voortgezet na 1 oktober 2010. In het licht van deze voortzetting oordeelt het hof dat de rechtbank niet de sanctie om [appellant] niet meer toe te laten tot een nadere onderbouwing van zijn stellingen met betrekking tot de betalingsachterstand, had moeten opleggen, althans dat in hoger beroep, waartoe het hof verwijst naar hetgeen is geoordeeld in rechtsoverweging 3.7.9, voldoende is onderbouwd en onvoldoende is betwist dat genoemde overeenkomst na 1 oktober 2010 is voortgezet. In zoverre slaagt grief 7, maar wat daar verder ook van zij, de rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het beroep van [appellant] op opschorting van zijn informatie verplichtingen uit voornoemde overeenkomst niet slaagt. [geïntimeerde sub 1] heeft immers onbetwist betoogd dat [appellant] de betaling van de managementvergoeding nog niet had gevraagd. In zoverre faalt grief 7. Bij de beoordeling van het incidenteel hoger beroep zal het hof de door [appellant] gevorderde managementvergoeding die hij, naar het hof begrijpt, met de vordering van [geïntimeerde sub 1] betreffende 1/3 van de opbrengsten van de effectenportefeuille wenst te verrekenen, beoordelen. 3.6.15 Met grief 8 betoogt [appellant] dat indien een of meerdere van zijn grieven slaagt/slagen de rechtbank ten onrechte de gevorderde beslagkosten en de gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke kosten heeft afgewezen en [appellant] ten onrechte in de proceskosten heeft veroordeeld. 3.6.16.1 Het hof oordeelt dat deze grief slaagt voor wat betreft de afwijzing van de gevorderde beslagkosten. Daar, zoals het hof ten aanzien van grief 3 heeft geoordeeld, het winstaandeel van Maja Investments en/of Maja Deelnemingen en daarmee de aan [appellant] toekomende vergoeding thans kan worden berekend en partijen het eens zijn dat dit niet nihil is, kan niet worden geoordeeld dat de beslagen ten onrechte zijn gelegd en zal [geïntimeerden] hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van de door [appellant] gemaakte kosten van het beslag. Vordering X van [appellant] zal worden toegewezen, tot een bedrag van € 5.304,78 welk bedrag is op zichzelf niet betwist, te vermeerderen met de onweersproken gevorderde wettelijke rente ex artikel 6:119 BW. Het meerdere zal worden afgewezen daar de rechtbank [appellant] heeft geboden het beslag op te heffen en met betrekking tot de betaling van de beslagkosten geen sprake is van verzuim. 3.6.16.2 Voor zover de grief ziet op de afwijzing van de gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke kosten, slaagt deze niet. Ook indien ervan uit zou moeten worden gegaan dat [appellant] buitengerechtelijke kosten heeft gemaakt was er toen nog geen sprake van een opeisbaar winstrecht en daarmee geen sprake van verzuim van [geïntimeerden] Het hof verwijs naar het oordeel ten aanzien van grief 3. 3.6.16.3 Vordering XII van [appellant] in hoger beroep zal worden afgewezen. Daar sprake is van een vordering tot nakoming, en de rapporten van Aeternus en Witlox Van den Boomen zijn opgesteld om de aan [appellant] toekomende vergoeding te berekenen, zijn de kosten van die rapporten niet gemaakt ter vaststelling van de schade en aansprakelijkheid en komen deze niet op grond van artikel 6:96 lid 2 onder b BW voor vergoeding in aanmerking. Proceskostenveroordeling 3.6.16.4 Voor zover grief 8 ziet op de proceskostenveroordeling van [appellant] houdt het hof de beoordeling aan tot dat einduitspraak zal worden gedaan. Het incidenteel hoger beroep De eiswijziging van [geïntimeerden] respectievelijk [geïntimeerde sub 1] in incidenteel hoger beroep 3.7.1 [geïntimeerden] respectievelijk [geïntimeerde sub 1] hebben in incidenteel hoger beroep hun eis gewijzigd. [appellant] heeft geen bezwaar gemaakt tegen de eiswijzigingen van Brouwers c.s. respectievelijk [geïntimeerde sub 1] bij memorie van antwoord in principaal hoger beroep tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep. Het hof ziet ook geen aanleiding de eiswijziging ambtshalve buite