← Nederland

ECLI:NL:GHSHE:2025:2461

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.349.728/01 arrest van 9 september 2025 gewezen in het incident ex artikel 843a (oud) Rv in de zaak van Nassau Poort Taxaties en Expertise B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , appellante in de hoofdzaak, eiseres in het incident, advocaat: mr. R.L.A. van Buul te Eindhoven, tegen 1 [geïntimeerde sub 1] , wonende te [woonplaats] ,

  1. [XX] B.V.,gevestigd te [vestigingsplaats] , geïntimeerden in de hoofdzaak, verweerders in het incident, advocaat: mr. M.H. Adema te Utrecht, als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 25 februari 2025 in het hoger beroep van het vonnis van 7 augustus 2024, door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, gewezen tussen appellante – Nassau – als eiseres in conventie, verweerster in reconventie, en geïntimeerden – [geïntimeerden] – als gedaagden in conventie, eisers in reconventie. 5Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/391223 / HA ZA 23-191) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en het daaraan voorafgegane vonnis in het incident van 19 juli
  2. 6Het geding in hoger beroep Het verloop van de procedure blijkt uit: het tussenarrest van 25 februari 2025 waarin een mondelinge behandeling na aanbrengen is bepaald; het proces-verbaal van de mondelinge behandeling na aanbrengen van 17 april 2025; de incidentele memorie ex artikel 843a (oud) Rv van Nassau; de antwoordconclusie in incident ex art. 843a (oud) Rv van [geïntimeerden] Het hof heeft daarna een datum voor arrest in het incident bepaald. 7De beoordeling In het incident 7.1.
  3. Geïntimeerde 2 ( [XX] B.V.) en haar indirect bestuurder geïntimeerde 1 ( [geïntimeerde sub 1] ) hebben een varkensbedrijf gerund, dat op 6 april 2016 is afgebrand. In verband met een conflict tussen [geïntimeerden] en de verzekeraar (Achmea Schadeverzekeringen N.V.), is [geïntimeerden] in contact gekomen met Nassau om een contra-expertise uit te laten voeren naar de oorzaak van de brand en naar de daarmee samenhangende schade. Partijen hebben daartoe op 20 oktober 2016 een overeenkomst ('Opdrachtbevestiging') en op 31 oktober 2016 nog een overeenkomst ('Overeenkomst honorarium') gesloten. In de eerste is een honorarium overeengekomen op basis van een uurtarief (€ 200,- per uur, te vermeerderen met kosten). In de tweede overeenkomst is als honorarium vermeld een percentage van de uitgekeerde schadebedragen (5% oplopend tot 10%). De twee overeenkomsten worden in het hiernavolgende aangeduid als: de overeenkomsten. 7.1.
  4. Bij tussen [XX] B.V en Achmea gewezen vonnis van 1 juni 2022 heeft de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, voor recht verklaard dat Achmea verzekeringsdekking moet verlenen voor de schade die het gevolg is van de brand en is Achmea veroordeeld tot betaling van die schadevergoeding zoals bepaald in de rechtsoverwegingen 2.20 en 2.21 van dat vonnis (ECLI:NL:RBGEL:2022:2743). Uiteindelijk is tussen [geïntimeerden] en Achmea een schikking bereikt over de hoogte van de door Achmea te betalen schade-uitkering. 7.1.
  5. Bij brief van 4 mei 2023 (productie 12 bij conclusie van antwoord in het incident in eerste aanleg) hebben [geïntimeerden] de overeenkomsten buitengerechtelijk ontbonden. 7.1.
  6. Nassau vordert in de hoofdzaak in conventie - na wijziging van eis bij akte van 23 mei 2024 - hoofdelijke veroordeling van [geïntimeerden] tot betaling van € 773.945,93 in totaal aan honoraria, te vermeerderen met wettelijke handelsrente en buitengerechtelijke incassokosten. Verder vordert Nassau voor recht te verklaren dat [geïntimeerden] toerekenbaar tekort zijn gesloten in de nakoming van hun verplichtingen uit de overeenkomsten, althans onrechtmatig hebben gehandeld jegens Nassau, alsmede hoofdelijke veroordeling van [geïntimeerden] tot vergoeding van de schade die daarvan het gevolg is geweest, te vermeerderen met wettelijke rente. In reconventie vorderen [geïntimeerden] voor recht te verklaren dat de overeenkomsten buitengerechtelijk zijn ontbonden. 7.1.
  7. Bij inleidende dagvaarding heeft Nassau een vordering in het incident ex artikel 843a Rv ingesteld, strekkende tot afgifte van een aantal (proces)stukken die te maken hebben met de tussen Achmea en [XX] B.V. bij de rechtbank Gelderland gevoerde procedure. Ook heeft Nassau in het incident een voorlopige voorziening gevorderd, strekkende tot uitvoering van de bepaling in de overeenkomst van 31 oktober 2016 dat betaling van het honorarium zal worden uitgevoerd door middel van een akte van cessie waarbij [geïntimeerden] hun vordering op Achmea in zoverre overdragen aan Nassau. Bij het tussenvonnis van 19 juli 2023 heeft de rechtbank beide vorderingen in het incident afgewezen. 7.1.
  8. Bij het bestreden eindvonnis heeft de rechtbank de vorderingen van Nassau in conventie afgewezen. De vordering van [geïntimeerden] in reconventie heeft de rechtbank toegewezen. Nassau is als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in conventie en in reconventie veroordeeld. Kort weergegeven heeft de rechtbank overwogen dat [geïntimeerden] de overeenkomsten buitengerechtelijk hebben kunnen ontbinden omdat Nassau in strijd heeft gehandeld met de Gedragscode schade-expertise organisaties waaraan Nassau zich had gecommitteerd, en daarmee ook in strijd heeft gehandeld met haar verplichtingen uit de overeenkomsten. Met name heeft Nassau volgens de rechtbank in strijd gehandeld met haar verplichting om fatsoenlijk, integer en respectvol te handelen richting alle betrokkenen en om de taakgrenzen van eigen vakgebieden en die van aangrenzende vakgebieden te respecteren en geen opdrachten te aanvaarden die buiten de eigen deskundigheid liggen. 7.
  9. Nassau vordert in het incident [geïntimeerden] op de voet van artikel 843a (oud) Rv te veroordelen om een afschrift ter beschikking te stellen van de vaststellingsovereenkomst tussen [geïntimeerden] en Achmea in het kader waarvan het geschil over de schade-uitkering is beëindigd. Nassau heeft aangevoerd dat zij daarbij een rechtmatig belang heeft vanwege een viertal redenen (verkort weergegeven):
  10. De hoogte van de vordering van Nassau tot betaling van haar honorarium is voor een deel, namelijk wat betreft de succes-fee, afhankelijk van de omvang van de door Achmea gedane uitkering. Nassau heeft de vaststellingsovereenkomst nodig om haar vordering op [geïntimeerden] te kunnen aanpassen.
  11. [geïntimeerden] hebben zich op het standpunt gesteld dat de door Nassau verrichte werkzaamheden van geen enkele waarde zijn geweest voor hen. Met de vaststellingsovereenkomst wil Nassau dat standpunt ontkrachten en aantonen dat haar rapportages wel degelijk van waarde zijn geweest.
  12. In het vonnis van 1 juni 2022 heeft de rechtbank Gelderland overwogen op welke wijze de hoogte van de schade-uitkering dient te worden berekend. De inhoud van de vaststellingsovereenkomst is voor Nassau relevant omdat daaruit blijkt of en in hoeverre er is afgeweken van dat vonnis.
  13. Nassau wenst nakoming van de volgende bepaling in de overeenkomst van 31 oktober 2016: "Bij een eventuele schikking van meer dan 70% van het schadedeel kan [geïntimeerde sub 1] en/of [XX] B.V. zelf beslissen of en wanneer hij hiermee akkoord gaat." Nassau wil de inhoud van de vaststellingsovereenkomst kennen teneinde te kunnen beoordelen of al dan niet aan het 70%-criterium is voldaan. 7.
  14. [geïntimeerden] hebben verweer gevoerd. Daarop zal in het hiernavolgende voor zoveel nodig worden ingegaan. 7.
  15. Op grond van artikel 843a lid 1 (oud) Rv kan degene die daarbij rechtmatig belang heeft op zijn kosten inzage, afschrift of uittreksel vorderen van bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin hij of zijn rechtsvoorganger partij is, van degene die de bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft. Op grond van het vierde lid van dat artikel is degene die de bescheiden te zijner beschikking heeft of onder zich heeft niet gehouden aan de vordering te voldoen indien daarvoor gewichtige, door deze partij aan te voeren redenen zijn of indien redelijkerwijs aangenomen kan worden dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder verschaffing van de gevraagde bescheiden is gewaarborgd. In het algemeen kan van een rechtmatig belang in de zin van artikel 843a lid 1 (oud) Rv reeds sprake zijn indien degene die afschrift verlangt dat stuk niet tot zijn beschikking heeft maar wel bekend is met het bestaan ervan en dat stuk in de procedure zou willen overleggen. Voldoende is dat het desbetreffende stuk relevant kan zijn voor een niet op voorhand als kansloos aan te merken vordering of verweer. De verlangde stukken moeten voldoende bepaald zijn; voldoende concreet moet worden aangegeven dat en waarom de specifieke stukken van belang zijn, zulks teneinde een 'fishing expedition' te voorkomen. Artikel 843a (oud) Rv dient er niet toe om stukken op te vragen waarvan slechts het vermoeden bestaat dat die mogelijk in de procedure van pas zouden kunnen komen. 7.
  16. Zoals de rechtbank heeft overwogen ten aanzien van de afgifte van de in eerste aanleg door Nassau verlangde stukken, is ook het hof van oordeel dat Nassau (op dit moment) onvoldoende rechtmatig belang heeft bij afgifte van de vaststellingsovereenkomst. De vier redenen die Nassau heeft aangevoerd voor afgifte van de vaststellingsovereenkomst houden alle verband met de wens van Nassau om inzicht te krijgen in de door Achmea en [geïntimeerden] bereikte schikking, teneinde de vordering tot betaling van het volgens haar overeengekomen honorarium te onderbouwen en te specificeren. Of Nassau daadwerkelijk nog recht heeft op betaling van enig honorarium door [geïntimeerden] , hangt naar het zich nu laat aanzien evenwel af van het antwoord op de vraag of het hof in de hoofdzaak al dan niet tot het oordeel zal komen dat [geïntimeerden] de overeenkomsten bij brief van 4 mei 2023 buitengerechtelijk hebben kunnen ontbinden. De rechtbank heeft die vraag bevestigend beantwoord. Pas als in de hoofdzaak vaststaat dat Nassau aanspraak kan maken op een honorarium, komt de vraag naar de hoogte van dat honorarium aan de orde. De vordering in het incident is derhalve voorbarig. Bovendien weet Nassau niet wat er in de vaststellingsovereenkomst staat. Nassau heeft kennelijk slechts de hoop dat daarin argumenten zijn te vinden die haar standpunten kunnen onderschrijven. Er is daarom in zoverre sprake van een 'fishing expedition'. Indien de behandelend kamer te zijner tijd in de hoofdzaak tot het oordeel komt dat de vaststellingsovereenkomst nodig is voor de beoordeling van het geschil, kan zij desgewenst alsnog besluiten tot toepassing van artikel 22 Rv. 7.
  17. Gelet op het hiervoor overwogene zal het hof de vordering in het incident afwijzen. Het hof ziet aanleiding de beslissing omtrent de proceskosten van het incident aan te houden tot de eindbeslissing in de hoofdzaak. In de hoofdzaak 7.
  18. De zaak wordt naar de rol verwezen voor memorie van grieven. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden. 8De beslissing Het hof: in het incident: wijst de vordering af; houdt de beslissing over de proceskosten aan tot de einduitspraak in de hoofdzaak; in de hoofdzaak: verwijst de zaak naar de rol van 21 oktober 2015 voor memorie van grieven; houdt iedere verdere beslissing aan. Dit arrest is gewezen door mrs. P.P.M. Rousseau, E.H. Schulten en J.M.H. Schoenmakers en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 9 september
  19. griffier rolraadsheer

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.