GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team familie- en jeugdrecht zaaknummer 200.352.341/01 arrest van 9 september 2025 in de zaak van: [de vrouw] , wonende te [woonplaats] , appellante, advocaat: mr. P.F.M. Gulickx te Breda, tegen [de man] , wonende te [woonplaats] , geïntimeerde, advocaat: mr. J. van Andel te Driebergen-Rijsenburg. als vervolg op het door het hof gewezen arrest in het incident ex art. 351 Rv van 8 juli
- 5Het verloop van de procedure Het verloop van de procedure blijkt uit voornoemd tussenarrest. Bij dat arrest is de incidentele vordering van [de vrouw] toegewezen en de uitvoerbaarheid bij voorraad van de mondelinge uitspraak van 6 februari 2025, zoals vastgelegd in het op 12 februari 2025 ondertekende proces-verbaal, door de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, gegeven, geschorst. Verder is de beslissing in het incident over de proceskosten aangehouden tot de einduitspraak in de hoofdzaak. Beide partijen hebben op de rolzitting van 10 juni 2025 arrest gevraagd, waarbij [de man] het procesdossier heeft gefourneerd. [de vrouw] heeft het procesdossier op de rolzitting van 24 juni 2025 gefourneerd. Het hof doet recht op voormelde stukken, daaronder begrepen het procesdossier van de eerste aanleg (dat bestaat uit de inleidende dagvaarding, de brief van de advocaat van [de man] met prod. 1 t/m 9 en het proces-verbaal van de mondelinge uitspraak), de memorie van grieven van 29 april 2025 met prod. 5 en de memorie van antwoord van 27 mei
- Het hof heeft een datum voor arrest bepaald. 6De bodemprocedure, de hoofdzaak Partijen zijn op 6 juli 2017 gehuwd in de wettelijke (algehele) gemeenschap van goederen. [de man] heeft op 25 oktober 2023 een verzoek tot echtscheiding ingediend bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda. Daarop is bij beschikking van 6 november 2024 de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is thans nog niet ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Bij de echtscheidingsbeschikking heeft de rechtbank tevens de verdeling van de tussen partijen ontbonden huwelijksgemeenschap vastgesteld. Daarbij heeft de rechtbank geoordeeld dat beide partijen draagplichtig zijn voor de schuld uit hoofde van de overeenkomst van geldlening tussen [de vrouw] en [xx] Holding B.V. (in het dossier treft het hof als benaming van de bv ook aan [A] , [xx] en nog andere schrijfwijzen; het hof houdt het hierna eenvoudigweg op: de bv). van 10 april
- Deze overeenkomst houdt in dat de bv een krediet van € 55.016,44 aan [de vrouw] verstrekt. Daartoe heeft de rechtbank als volgt overwogen: In geschil zijnde geldleningen/vorderingen Verbouwing echtelijke woning (…) 4.
- De rechtbank overweegt dat de vrouw een overeenkomst van geldlening heeft overgelegd, waaruit blijkt partijen, maar in ieder geval de vrouw nu zij deze overeenkomst heeft ondertekend, op 10 april 2019 een bedrag heeft geleend van in totaal € 55.016,
- De man heeft onvoldoende onderbouwd dat deze leningsovereenkomst als ongeldig moet worden beschouwd. De enkele stelling dat hij deze overeenkomst niet kent en niet heeft ondertekend, is daarvoor niet genoeg. Wat betreft de besteding heeft de vrouw verklaard dat de lening is gebruikt ter betaling van de renovatie van de woning. De man heeft tijdens de mondelinge behandeling bevestigd dat de woning van partijen inderdaad grondig is gerenoveerd. Er is een nieuwe keuken geïnstalleerd, de vloer is vervangen en er zijn nieuwe kozijnen en ramen geplaatst. Dit heeft circa € 52.000,= gekost. Hij heeft tevens gezegd dat de stiefvader van de vrouw deze kosten heeft betaald. Uit de verklaringen en stukken van partijen volgt verder dat partijen samen geen hoog inkomen hadden, hetgeen de verklaring van de vrouw dat zij een geldlening moesten aangaan om de renovatie te kunnen betalen, ondersteunt. De man heeft tijdens de mondelinge behandeling tenslotte niet kunnen verklaren waarom de stiefvader van de vrouw deze aanzienlijke kosten van de renovatie/verbouwing heeft voldaan zonder dat daarbij afspraken zouden zijn gemaakt over bijvoorbeeld de terugbetaling. Weliswaar heeft de man aangevoerd dat het initiatief voor de renovatie bij de stiefvader lag nu hij deze woning wilde overnemen en daarna (voor een hogere prijs) wilde verhuren aan derden, maar vast staat dat dit plan niet is doorgegaan. De rechtbank kan niet anders concluderen, alle omstandigheden in samenhang bezien, dat beide partijen draagplichtig zijn voor deze schuld. [de man] heeft tegen de echtscheidingsbeschikking hoger beroep ingesteld. 7De verdere beoordeling De procedure bij de voorzieningenrechter 7.1 In deze procedure vordert [de man] , bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
- [de vrouw] te veroordelen om binnen twee dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis aan hem te verstrekken het originele exemplaar van de overeenkomst van geldlening tussen haar en de bv van 10 april 2019;
- alles ‘op straffe’ van het verbeuren van een dwangsom van € 5.000,-- per dag of gedeelte van een dag dat [de vrouw] nalatig blijft aan het sub
- gevorderde te voldoen, zulks tot een maximum van € 100.000,--;
- [de vrouw] te veroordelen in de kosten van deze procedure. 7.2 De voorzieningenrechter heeft (in het proces-verbaal van mondelinge uitspraak in kort geding van 6 februari 2025, toen in de bodemprocedure dus al uitspraak was gedaan) als volgt geoordeeld: In geschil is de vraag of [de vrouw] gehouden is aan [de man] het originele exemplaar van de overeenkomst van geldlening tussen haar en [A] Holding BV van 10 april 2019 te verstrekken. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen afspraken gemaakt over het verstrekken van het originele exemplaar van de overeenkomst. De voorzieningenrechter heeft geconstateerd dat partijen het met elkaar eens waren en dat er tussen hen daarover wilsovereenstemming bestond. Ook heeft de voorzieningenrechter geconstateerd dat het door [de vrouw] aan [de man] overhandigde exemplaar, niet het origineel is van het als productie 1 bij dagvaarding overgelegde afschrift. De voorzieningenrechter vult de rechtsgronden ambtshalve aan wat betekent dat [de vrouw] de tijdens de mondelinge behandeling tussen partijen gesloten overeenkomst niet is nagekomen. [de vrouw] heeft zich onvoorwaardelijk bereid verklaard om die overeenkomst alsnog na te komen. Daarbij is aangegeven dat het originele exemplaar van de overeenkomst van 10 april 2019 zich in de administratie van [A] Holding BV bevindt dat [persoon A] van genoemde holding momenteel in het buitenland verblijft en dat hij 16 danwel uiterlijk 19 maart 2025 terug is in Nederland. De voorzieningenrechter zal in de uit te spreken veroordeling daarmee rekening houden. Aan de veroordeling zal zekerheidshalve een dwangsom worden verbonden, die gematigd en gemaximeerd zal worden. De voorzieningenrechter heeft: [de vrouw] veroordeeld om uiterlijk 20 maart 2025 het originele exemplaar van de geldlening tussen haar en de bv van 10 april 2019 te verstrekken aan [de man] ; [de vrouw] veroordeeld tot betalen van een dwangsom van € 500,-- per dag of gedeelte van een dag dat zij nalatig blijft aan de hiervoor genoemde veroordeling te voldoen, zulks tot een maximum van € 10.000,--; de beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard; de proceskosten gecompenseerd, aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt. De procedure in hoger beroep 7.3 [de vrouw] vordert in hoger beroep het bestreden vonnis te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, naar het hof begrijpt, de vorderingen van [de man] in kort geding af te wijzen als niet-ontvankelijk en/of ongegrond en/of niet-bewezen, met veroordeling van [de man] in de kosten van beide instanties dan wel een en ander kosten rechtens. 7.4 [de man] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [de vrouw] , afwijzing van haar vorderingen en veroordeling van [de vrouw] in de kosten van het hoger beroep, zulks uitvoerbaar hij voorraad. 7.5 Het hof zal de vorderingen van [de man] afwijzen en overweegt daartoe als volgt. [de man] gaat voorbij aan het onderscheid tussen wat hij noemt ‘het originele exemplaar van de overeenkomst’, het contract dus, een document waarmee het bestaan van de overeenkomst al dan niet kan worden bewezen, en de overeenkomst (zelf). Ook als de ondertekening van het contract op een later moment dan 10 april 2019 heeft plaatsgevonden, betekent dit nog niet dat, zoals [de man] stelt, ‘er dus helemaal geen overeenkomst van geldlening bestaat’. [de man] laat ook na uit te leggen waarom dat het gevolg is van de gestelde latere ondertekening. Hij spreekt wel van fraude en valsheid in geschrifte, maar dat [de vrouw] een verkeerde voorstelling van zaken heeft gegeven over de datum van ondertekening van het contract (zo dat is wat [de man] bedoelt met fraude en valsheid in geschrifte) is niet gebleken. Het standpunt van [de vrouw] is juist dat zij het contract ergens tijdens het huwelijk heeft ondertekend (‘ongeacht de datum’, mvg, pt. 5), dat er maar één contract is (‘de originele overeenkomst’), dat zij dat contract inderdaad heeft ondertekend, maar dat zij niet de beschikking heeft over het contract met daarop ook de ondertekening namens de bv (mvg, pt. 42-43). Dit door [de vrouw] ondertekende contract is op de zitting bij de voorzieningenrechter aan de advocaat van [de man] overhandigd om daarmee het inkt handtekeningenonderzoek te (laten) doen. [de vrouw] is nog immer bereid om dat contract ter beschikking te stellen ten behoeve van het verzoek van [de man] (mvg, pt. 48). Voorts is in kort geding procedures, zoals ook hier, de zogenoemde afstemmingsregel van toepassing: ‘De rechter die in kort geding moet beslissen op een vordering tot het geven van een voorlopige voorziening nadat de bodemrechter reeds een vonnis in de hoofdzaak heeft gewezen, dient in beginsel zijn vonnis af te stemmen op het oordeel van de bodemrechter, ongeacht of dit oordeel is gegeven in een tussenvonnis of in een eindvonnis, in de overwegingen of in het dictum van het vonnis, en ongeacht of het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan. Onder omstandigheden kan er plaats zijn voor het aanvaarden van een uitzondering op dit beginsel, hetgeen het geval zal kunnen zijn indien het vonnis van de bodemrechter klaarblijkelijk op een misslag berust en de zaak dermate spoedeisend is dat de beslissing op een tegen dat vonnis aangewend rechtsmiddel niet kan worden afgewacht, alsook indien sprake is van een zodanige wijziging van omstandigheden dat moet worden aangenomen dat de bodemrechter ingeval hij daarvan op de hoogte zou zijn geweest, tot een andere beslissing zou zijn gekomen.’(HR 7 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011: BP0015, NJ 2011/304; zie ook reeds, in dezelfde zin, de door de voorzieningenrechter genoemde uitspraak: HR 19 mei 2000, NJ 2001/407 (Staat/Varkenshouders). Het oordeel van de bodemrechter dat sprake is van een schuld uit hoofde van een overeenkomst van geldlening (betreffende de verbouwing van de echtelijke woning) is niet uitsluitend gebaseerd op de ondertekening van het contract door [de vrouw] , maar op verdere gronden (dan alleen het ondertekende contract). Daaraan gaat [de man] voorbij. De bodemrechter heeft aan het bestaan van de overeenkomst namelijk ook ten grondslag gelegd, heel in kort samengevat, dat de woning van partijen grondig is gerenoveerd, dat de kosten daarvan praktisch overeenkomen met het geleende bedrag, dat partijen niet over eigen middelen beschikten om de renovatie te financieren en dat onverklaard is gebleven waarom de bv gelden ter beschikking heeft gesteld zonder afspraken te maken over de terugbetaling daarvan (zie hiervóór, rov. 6). Het vonnis van de bodemrechter berust aldus niet op een klaarblijkelijke misslag en evenmin is sprake van een wijziging van omstandigheden. Op de gronden hiervóór reeds weergegeven, is voor een veroordeling van [de vrouw] vanwege gemaakte afspraken ter zitting bij de voorzieningenrechter evenmin plaats. Zoals het hof al overwoog (arrest 8 juli 2025, rov. 3.9.3, waarnaar kortheidshalve wordt verwezen), komt daar nog het volgende bij. De voorzieningenrechter spreekt van ‘afspraken gemaakt over het verstrekken van het originele exemplaar van de overeenkomst’. [de vrouw] stelt dat zij die afspraken is nagekomen. Tijdens de mondelinge behandeling in kort geding heeft zij de originele overeenkomst die alleen door haar, en niet door de bestuurder van de bv, is ondertekend, overhandigd. Het ontbreken van die handtekening betekent, anders dan [de man] stelt, nog niet dat het niet gaat om het ‘originele exemplaar’ en overigens evenmin dat daarmee de in algemene bewoordingen vervatte afspraken (te weten: ‘afspraken over het verstrekken van het originele exemplaar van de overeenkomst’) niet is nagekomen. De constatering van de voorzieningenrechter dat het door [de vrouw] aan [de man] overhandigde exemplaar niet het origineel was van het als productie 1 bij dagvaarding overgelegde afschrift, houdt niet meer in dat het afschrift (prod. 1) en het overhandigde exemplaar niet overeenstemmen (ook [de man] zelf stelt vast dat sprake is van exemplaren die niet overeenstemmen (mva, pt. 13-14). Van niet-nakoming van de overeenkomst is ook aldus niet gebleken, nog daargelaten dat uit het enkele afwijken van de exemplaren, nog niet volgt dat het ene of het andere contract authentiek (of niet-authentiek) is. [de vrouw] heeft aangevoerd dat de onvoorwaardelijke ‘bereidverklaring’ geen onvoorwaardelijke ‘toezegging’ of ‘verplichting’ inhield het originele exemplaar met daarop óók de handtekening van de bv aan te leveren. Voor zover haar bekend, dat was volgens haar hoogstwaarschijnlijk, bevond het exemplaar met de beide handtekeningen zich in de administratie van [persoon A] . De mogelijkheden tot overlegging van dat exemplaar konden pas worden bezien als [persoon A] terug zou zijn in Nederland. Dat verklaart ook waarom er in het bestreden vonnis een termijn is opgenomen (mvg, pt. 40-41). Dat [de vrouw] ‘het originele exemplaar van de overeenkomst van geldlening’, het contract, met daarop ook nog de handtekening namens de bv niet aan [de man] heeft kunnen verstrekken, vindt bevestiging in de verklaring van de accountants. Hiermee heeft [de vrouw] de uitleg die [de man] geeft aan de ‘bereidverklaring’ voldoende gemotiveerd betwist, zodat van zijn uitleg niet kan worden uitgegaan. Bewijs van feiten die zijn uitleg schragen, heeft [de man] niet aangeboden. Voor (nadere) bewijslevering is binnen een kort geding, gelet op het karakter daarvan, overigens ook geen plaats. Slotsom 7.6 De slotsom van al het voorgaande is dat het vonnis van de voorzieningenrechter zal worden vernietigd, behoudens de beslissing ter zake van de proceskosten. Ook het hof zal bepalen dat de proceskosten tussen partijen als (thans nog) echtgenoten worden gecompenseerd. 8De uitspraak Het hof: in het incident: compenseert de kosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt; in de hoofdzaak: vernietigt de mondelinge uitspraak van 6 februari 2025 door de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, gegeven, zoals vastgelegd in het op 12 februari 2025 ondertekende proces-verbaal, behoudens de beslissing over de proceskosten en opnieuw rechtdoende: wijst de door [de man] gevorderde voorzieningen af; compenseert de proceskosten in hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Dit arrest is gewezen door mrs. G.J. Vossestein, A.J.F. Manders en E.F.M. van Swaaij en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 9 september
- griffier rolraadsheer