← Nederland

ECLI:NL:GHSHE:2025:2482

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH Team familie- en jeugdrecht Uitspraak : 11 september 2025 Zaaknummers : 200.357.620/01 en 02 Zaaknummer 1e aanleg : C/13/342235/JE RK 25-924 in de zaak in hoger beroep van: [de moeder] , wonende te [woonplaats], verzoekster in hoger beroep, hierna te noemen: de moeder, advocaat: mr. S.L.B. Duijf, tegen Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg, gevestigd te [vestigingsplaats], verweerster in hoger beroep, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI). Deze zaak gaat over [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2015 in [geboorteplaats], hierna te noemen: [minderjarige]. Als belanghebbende wordt aangemerkt: [de vader] , wonende te [woonplaats], hierna te noemen: de vader, advocaat mr. T.M.T.M. Lindeman. In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend: de Raad voor de Kinderbescherming, hierna te noemen: de raad. 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 9 juli 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. 2Het geding in hoger beroep 2.

  1. Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 26 juli 2025 verlengd voor de duur van een jaar, dus tot 26 juli 2026 en met ingang van 26 juli 2025 een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader met gezag voor de duur van de ondertoezichtstelling verleend. 2.
  2. De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen. Bij beroepschrift met producties, ingekomen bij de griffie op 23 juli 2025, heeft de moeder verzocht: in het incident: - de werking van de bestreden beschikking te schorsen totdat het hof in de bodemprocedure heeft beslist; in de hoofdzaak: - de bestreden beschikking te vernietigen. in het incident en de hoofdzaak: - de GI te veroordelen in de kosten van het geding. 2.2.
  3. Het door de moeder ingediende verzoek in de hoofdzaak is bij het hof geregistreerd met zaaknummer 200.357.620/
  4. Het incidentele verzoek tot schorsing van de uitvoerbaar bij voorraadverklaring van de bestreden beschikking is bij het hof geregistreerd met zaaknummer 200.357.620/
  5. 2.
  6. Bij verweerschrift, ingekomen bij de griffie op 15 augustus 2025, heeft de GI verzocht het hoger beroep van de moeder af te wijzen als zijnde ongegrond en/of onbewezen en de bestreden beschikking eventueel onder aanvulling en/of verbetering van de gronden te bekrachtigen. 2.
  7. Bij verweerschrift met producties, ingekomen bij de griffie op 15 augustus 2025, heeft de vader verzocht om het hoger beroep van de moeder tegen de bestreden beschikking en het verzoek tot schorsing van de uitvoerbaar bij voorraad van de bestreden beschikking ongegrond te verklaren althans een beslissing te nemen die het hof juist acht. 2.
  8. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 21 augustus
  9. Bij die gelegenheid zijn gehoord: - de moeder, bijgestaan door haar advocaat; - de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI 1] en [vertegenwoordiger van de GI 2] (digitaal deelgenomen); - de vader, bijgestaan door zijn advocaat. 2.5.
  10. De raad is met bericht van afmelding niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen. 2.5.
  11. Het hof heeft [minderjarige] in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. Hij heeft hiervan gebruik gemaakt en er is voorafgaand aan de mondelinge behandeling buiten aanwezigheid van partijen en overige belanghebbenden door de voorzitter met [minderjarige] gesproken. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de voorzitter de inhoud van dit gesprek zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren. 2.
  12. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van: - een brief met producties 10 t/m 14 namens de moeder, ingekomen bij de griffie op 20 augustus
  13. 2.
  14. Tijdens de mondelinge behandeling heeft mr. Duijf namens de moeder pleitnotities in het geding gebracht en deze gedeeltelijk voorgedragen. 3De beoordeling 3.
  15. Het gezag over [minderjarige] wordt uitgeoefend door de ouders. 3.
  16. [minderjarige] is sinds 26 juli 2023 onder toezicht van de GI gesteld. 3.
  17. Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd voor de duur van een jaar tot 26 juli 2026 en een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader met gezag verleend voor de duur van ondertoezichtstelling, dus tot 26 juli
  18. 3.
  19. [minderjarige] verblijft sinds 17 augustus 2025 feitelijk bij de vader. 3.
  20. De moeder voert in het beroepschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling, samengevat, het volgende aan. De moeder verzoekt de uitvoerbaarheid bij voorraad van de bestreden beschikking direct te schorsen. De GI heeft ten onrechte de plaatsing van [minderjarige] bij de vader laten starten op 17 augustus
  21. De moeder acht een verlenging van de ondertoezichtstelling en een uithuisplaatsing bij de vader niet in het belang van [minderjarige]. Eerst dienen minder zware middelen ingezet te worden zoals Multi Systeem Therapie (verder MST). Beide ouders hebben de afgelopen jaren de aangeboden hulpverlening geaccepteerd van bijvoorbeeld het [instantie 1] (verder [instantie 1]) en [instantie 2]. Er is nooit ingezet op hulpverlening voor de ex-partnerproblematiek. De moeder staat open voor MST, maar [minderjarige] wil zelf geen MST. [minderjarige] heeft overeenkomstig het doel van de ondertoezichtstelling passende omgang met zijn vader en er is geen sprake van contactverlies tussen [minderjarige] en de vader. De GI kiest er echter voor om een veel zwaarder middel in te zetten door [minderjarige] uit huis te plaatsen bij de vader in plaats van het opstarten van hulpverlening in de vorm van systeemtherapie of een verzoek tot uitbreiding van de reguliere zorgregeling. De GI zet geen enkele hulpverlening meer in terwijl de kinderrechter juist voortdurende ondersteuning nodig acht. De uithuisplaatsing wordt beoogd als middel om zaken te keren in de relatie tussen de ouders en [minderjarige], maar dat zal alleen nog maar meer strijd opleveren. [minderjarige] zal volledig klem raken tussen beide ouders. Ook is er onvoldoende rekening gehouden met het sociale leven van [minderjarige] bij de moeder. Er wordt volledig voorbijgegaan aan de inhoud en de duur van de machtiging en het lijkt erop dat er geen sprake is van slechts een tijdelijke machtiging. De school heeft recent aangegeven zich geen zorgen te maken over de ontwikkeling van [minderjarige], maar [minderjarige] is de afgelopen periode juist vooruitgegaan op school. Verder zijn er geen zorgen over de sociaal emotionele ontwikkeling van [minderjarige]. De informatie waar de GI naar verwijst vanuit [instantie 1] en [instantie 2] is gedateerd en gekeken dient te worden naar de recente informatie vanuit school. 3.
  22. De GI voert in het verweerschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling, samengevat, het volgende aan. Er is stevig ingezet door de hulpverlening maar dit heeft niet geleid tot het opheffen van de emotionele ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] waardoor een verlenging van de ondertoezichtstelling en het verzoek tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader nodig is. Vanaf januari 2019 is [instantie 2], daarna [instantie 3] en daarna het [instantie 1] ingezet. Door het [instantie 1] zijn in de periode van juni 2022 tot en met mei 2025 verschillende vormen van hulpverlening ingezet waaronder systemische hulpverlening. Er wordt door ouders meegewerkt aan afspraken, echter wordt er onvoldoende inhoudelijke medewerking ervaren bij de moeder. Voor daadwerkelijke medewerking om te komen tot verandering is inzicht en intrinsieke motivatie nodig en die ontbreken bij de moeder. Er is sprake van goed genoeg ouderschap bij de vader en de vader staat open voor hulpverlening en handelt daadwerkelijk passend na advies. Ondanks de ingezette hulpverlening zit [minderjarige] al jarenlang fors klem. Er is sprake van loyaliteitsproblematiek en coalitiegedrag van [minderjarige] met de moeder. [minderjarige] heeft steeds meer moeite om naar de vader te gaan met als risico volledige afwijzingvan de vader. [minderjarige] laat een kernovertuiging zien waarbij hij zich richt op de moeder waarbij een vader niet nodig is. Het zwaartepunt van de opvoeding en verzorging dient gewijzigd te worden omdat bij ouderonthechting het aanpassen van de contactregeling genoemd wordt als interventie om coalitiegedrag te doorbreken. Door het meer tijd doorbrengen bij de 'andere ouder' heeft [minderjarige] meer de mogelijkheid een eigen visie te vormen dan nu het geval is. Met het aanpassen van de omgangsregeling is de moeder nog steeds degene die de hoofdopvoeder is en het zwaartepunt van de opvoeding draagt. De GI kan middels een verzoek tot wijziging van omgangsregeling geen wijziging hoofdverblijf vormgeven dus heeft de GI, na advies vanuit [instantie 2], gekozen voor een verzoek tot uithuisplaatsing bij de vader. De GI weegt hierbij alle voor hen bekende informatie waarbij over het grote geheel gezien wordt dat er een ontwikkelingsbedreiging bestaat bij [minderjarige] vanwege het niet onbelast kunnen bewegen tussen de ouders door loyaliteitsproblematiek en ouderonthechting. 3.
  23. De vader voert in het verweerschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling, samengevat, het volgende aan. Anders dan de moeder stelt, werkt de moeder in de praktijk niet mee aan de hulpverlening. Er is een enorme weerstand van de moeder ten aanzien van de hulpverlening en de moeder stelt haar eigen voorwaarden bij de hulpverlening. De moeder kan weinig reflecteren op haar eigen handelen en legt de schuld bij anderen. Alle ingezette hulpverlening de afgelopen jaren heeft niet geleid tot een onbelast contact tussen [minderjarige] en beide ouders. De uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader is dan ook nodig om de huidige situatie, waarbij [minderjarige] ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd, te doorbreken. Ook nu [minderjarige] bij de vader verblijft, is er nog steeds sprake van een ernstig loyaliteitsconflict en dit uit zich onder andere in de vele zorgelijke uitspraken van [minderjarige]. Hij lijkt vooral bezig te zijn met wat het voor de moeder betekent dat hij bij de vader verblijft. [minderjarige] is de eerste schooldag, op maandag 18 augustus, vanuit school via de ene uitgang naar de moeder thuis gelopen terwijl de vader bij de andere uitgang wachtte. De vader heeft [minderjarige] vervolgens bij de moeder thuis moeten ophalen. Op dinsdag 19 augustus 2025 heeft de vader [minderjarige] naar de voetbaltraining gebracht en daar was de moeder ook weer aanwezig. Het is belangrijk dat [minderjarige] los komt van de omgeving van de moeder om op deze wijze het coalitiegedrag te doorbreken en ouderonthechting te voorkomen. Hoewel het voor [minderjarige] een grote verandering zal zijn, verwacht de vader dat hij ook snel zal wennen aan een nieuwe school, een nieuw voetbalteam en de nieuwe kinderen. De nadelen van de wijzigingen voor [minderjarige] wegen niet op tegen het voordeel van [minderjarige] om de kans te krijgen zich leeftijdsadequaat te ontwikkelen waarbij hij met zowel de moeder als de vader een fijne onbelaste band heeft. Het is daarbij belangrijk dat [minderjarige] een relatie met de vader kan opbouwen, in de omgeving van de vader woont, en in de omgeving van de vader vriendschappen kan opbouwen. Ten aanzien van het verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad merkt de vader op dat hiertoe geen enkele reden is. De moeder heeft ingestemd om [minderjarige] naar de vader te brengen op 17 augustus 2025 en vanaf dat moment zal er een zorgregeling tussen de moeder en [minderjarige] gelden. 3.
  24. Het hof overweegt het volgende. Schorsingsverzoek (zaaknummer 200.357.620/02) 3.8.
  25. Nu het hof in deze beschikking tevens uitspraak doet in de hoofdzaak heeft de moeder geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het schorsingsverzoek door het hof. Dit brengt met zich dat de moeder niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het schorsingsverzoek. In de hoofdzaak (zaaknummer 200.357.620/01) 3.8.
  26. Op grond van artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar. 3.8.
  27. Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW kan de rechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en: a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en; b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen. 3.8.
  28. Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de rechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. 3.8.
  29. Op basis van de overgelegde stukken, het kindgesprek met [minderjarige] en het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep is het hof van oordeel dat een verlenging van de ondertoezichtstelling en van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader met gezag noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige]. Het hof onderschrijft de door de rechtbank en de GI genoemde zorgen. [minderjarige] zit al zeer lange tijd fors klem tussen de ouders. Er is sprake van een ernstige ontwikkelingsbedreiging. De jarenlange inzet van diverse hulpverleningstrajecten heeft er niet toe geleid dat [minderjarige] onbelast contact heeft met beide ouders en al helemaal niet dat [minderjarige] uit het loyaliteitsconflict is gekomen. De moeder kan onvoldoende achter de ingezette hulpverlening staan en ze is onvoldoende in staat tot reflectie op haar eigen gedrag en intenties, waardoor ze weinig leerbaar is. Aan de zijde van de vader is sprake van goed genoeg ouderschap, hij staat open voor hulpverlening en handelt overeenkomstig het advies. Er is sprake van ernstige loyaliteitsproblematiek en coalitiegedrag van [minderjarige] met de moeder. Het hof verwijst naar de conclusie uit de evaluatie van het [instantie 1] van januari 2024, waarbij het [instantie 1] aan de GI in januari en mei 2025 heeft aangegeven dat deze conclusie onverminderd geldt. “Er lijkt sprake van interpersoonlijke traumatisering omdat het ontbreekt aan voorspelbaarheid en structuur. [minderjarige] lijkt de controle over situaties in een herhalend patroon volledig over te nemen, dit is zichtbaar door niet leeftijdsadequaat gedrag. [minderjarige] wordt emotioneel overvraagd. Er lijkt een voortdurend herhalend patroon aanwezig te zijn waarbij [minderjarige] de controle en regie behoefte van moeder reflecteert in zijn gedrag door vader stelselmatig af te wijzen, geen gezag te accepteren en voortdurend te onderhandelen met vader over de invulling van zijn vaderrol. Het wantrouwen van moeder, de behoefte aan controle en regie lijken leidend te zijn. Moeder lijkt onvoldoende te begrijpen welke bedreigende effecten haar eigen houding en gedrag t.o.v. vader en [minderjarige] heeft op de ontwikkeling van [minderjarige]. Er lijkt sprake van een hoge mate van symbiose en een hoge mate van nabijheid in de moeder-kindrelatie welke niet passend is bij de situatie en leeftijd van [minderjarige] waardoor de autonomie en identiteitsontwikkeling van [minderjarige] ernstig in het gedrang komt. Er lijkt sprake van destructieve parentificatie waarbij [minderjarige] lijkt te moeten voldoen aan de idealisatie van moeder over de relatie die zij samen hebben. Hij komt onvoldoende toe aan zijn eigen ontwikkelingstaken en is in grote mate afhankelijk in zijn functioneren van de goedkeuring van moeder. Moeder lijkt onvoldoende te kunnen mentaliseren en stemt niet af op de ontwikkelbehoefte van [minderjarige]. Moeder lijkt weinig is staat tot reflectie op haar eigen persoonlijkheidsdelen, gedrag en intenties, waardoor de indruk ontstaat dat zij weinig leerbaar is. Er lijkt sprake te zijn van intergenerationele overdracht van individuele psychopathologische dynamieken. Het hulpverleningsproces stagneert, de onveilige opvoedsituatie duurt voort zonder uitzicht op intrinsieke motivatie van moeder om bij te dragen aan verandering die de ontwikkelingsbedreiging opheft.” Het hulpverleningsproces bij [instantie 2] is inmiddels gestagneerd en de belastende opvoedsituatie duurt voort zonder uitzicht op intrinsieke motivatie van de moeder bij te dragen aan verandering die de ontwikkelingsbedreiging opheft. Er is al zoveel hulpverlening ingezet dat het nodig is dat de situatie nu wezenlijk verandert. Er moet krachtig worden ingegrepen om de symbiotische relatie tussen [minderjarige] en de moeder te doorbreken. Een minder ingrijpende maatregel met een uitgebreide zorgregeling en MST is onvoldoende om deze relatie en patronen tussen [minderjarige] en de moeder te doorbreken. 3.
  30. Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd. 3.10 Wel merkt het hof hierbij nog op dat het hof beide ouders volgt in hun zorgen over de begeleiding van [minderjarige] (en de ouders) bij de daadwerkelijke overplaatsing van [minderjarige]. Iedereen (inclusief de vertegenwoordigers van de GI tijdens de mondelinge behandeling) is het duidelijk dat een dergelijk ingrijpen zorgvuldig en met veel intensieve begeleiding van [minderjarige] moet geschieden. Echter is deze hulpverlening nog niet ingezet, terwijl [minderjarige] al feitelijk is verhuisd. Dat baart het hof zorgen. Ook heeft het hof tijdens de mondelinge behandeling de zorgen besproken over de voorgenomen wijziging van de school (waar [minderjarige] zich thuis/veilig voelt) en van zijn voetbalclub (die erg belangrijk voor hem is) op termijn. Ter zitting is besproken dat de GI daar heel zorgvuldig en in goed overleg met de (nog in te zetten) hulpverlening voor [minderjarige] in zal handelen. Proceskosten 3.
  31. Gelet op de aard van de zaak zullen de proceskosten tussen partijen worden gecompenseerd. 4De beslissing Het hof: in de zaak met zaaknummer 200.347.240/02: verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar verzoek tot schorsing van de werking van de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 9 juli 2025; in de zaak met zaaknummer 200.357.620/01: bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 9 juli 2025; verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het centraal gezagsregister; compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat ieder de eigen kosten draagt; wijst af het meer of anders verzochte. Deze beschikking is gegeven door mrs. E.P. de Beij, M.J.C. van Leeuwen en H.J. Witkamp en is op 11 september 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.