← Nederland

ECLI:NL:GHSHE:2025:2492

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH Team familie- en jeugdrecht Uitspraak: 11 september 2025 Zaaknummer: 200.317.803/01 Zaaknummer eerste aanleg: C/03/284080 / FA RK 20-3937 in de zaak in hoger beroep van: [de vader] , wonende te [woonplaats] , verzoeker in hoger beroep, hierna te noemen: de vader, advocaat: mr. J.G. van Ek, tegen [de moeder] , wonende te [woonplaats] , verweerster in hoger beroep, hierna te noemen: de moeder, advocaat: mr. E.G.W. Hendriks. In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend: - de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidoost Nederland, locatie [locatie] , hierna te noemen: de raad. Voorgeschiedenis De vader heeft in 2020 de rechtbank verzocht om een omgangsregeling vast te stellen tussen hem en de inmiddels 9-jarige [minderjarige] . De rechtbank heeft dat verzoek in 2022 afgewezen. De vader is hiervan in hoger beroep gegaan. Het hof heeft vervolgens twee tussenbeschikkingen gegeven: op 30 maart 2023 (raadsonderzoek) en op 21 december 2023 (verwijzing BOR III-traject). Deze beschikking is het vervolg hierop. 9Het verdere verloop van het geding in hoger beroep 9.

  1. Het hof heeft voorts kennis genomen van: het V-formulier van de advocaat van de vader van 30 januari 2024; het V-formulier van de advocaat van de vader van 13 augustus 2024; het V-formulier van de advocaat van de moeder van 27 augustus 2024; het V-formulier van de advocaat van de vader van 3 september 2024; de brief van de raad van 13 september 2024 met één bijlage (brief [instantie 1] 12 september 2024); de brief van de raad van 28 november 2024 met één bijlage (brief [instantie 1] 27 november 2024); de brief van de raad van 26 februari 2025 inclusief het rapport; het V-formulier van de advocaat van de vader van 11 maart 2025; het V-formulier met één bijlage van de advocaat van de moeder van 13 maart 2025; de brief van de raad van 27 mei 2025; het V-formulier van de advocaat van de moeder van 2 juli 2025, met één bijlage. 9.
  2. De voortzetting van de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 10 juli
  3. Bij die gelegenheid zijn gehoord: de vader, bijgestaan door mr. Van Ek; de moeder, bijgestaan door mr. Hendriks; de raad, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de raad] . 10De verdere beoordeling Advies van de raad 10.
  4. De raad adviseert het hof, zoals blijkt uit het rapport van 27 februari 2025 en de verklaring op de mondelinge behandeling van 10 juli 2025, tussen de vader en [minderjarige] een minimale begeleide omgangsregeling vast te stellen, te starten met om de week 1 uur en op te bouwen naar maximaal 3 uur per twee weken, zodat zowel [minderjarige] als de vader weer aan elkaar kunnen wennen en elkaar opnieuw kunnen leren kennen. De raad realiseert zich dat [instantie 1] eerder drie stappen adviseerde. Allereerst de mogelijkheden van de vader onderzoeken, daarna de traumabehandeling van de moeder en [minderjarige] te laten plaatsvinden en pas daarna eventuele omgang te starten en dat het nu lijkt alsof met dit advies de tweede stap wordt overgeslagen. De raad is thans echter van mening dat er met dit advies voldoende waarborgen zijn. De ouders kunnen in overeenstemming met de hulpverlening de omgangsregeling verder uitbreiden. Het doel is niet om tot onbegeleid contact te komen. Het doel is dát er contact komt tussen de vader en [minderjarige] . In het eindverslag van [instantie 2] (27 november 2024) staat namelijk dat er mogelijkheden zijn tot omgang tussen de vader en [minderjarige] , waarbij de begeleider van de vader zou aansluiten tijdens de begeleidingsmomenten. De intentie hierbij was dat het dan juist veiliger zou voelen voor de moeder, maar zij interpreteerde het anders; ze zag hierin een reden om niet meer met de BOR III mee te werken, want als de vader begeleiding nodig heeft tijdens de omgang, heeft hij volgens haar geen vooruitgang geboekt en is hij niet in staat om zelfstandig voor de veiligheid van [minderjarige] te zorgen. [instantie 2] heeft hierop besloten om geen verdere stappen te ondernemen. De behandeling van [minderjarige] en van de moeder is binnen het BOR III-traject niet gestart. Aangezien de voortdurende rechtszaken en advies over omgang een belemmering vormen voor de behandeling van de moeder, zal een langdurige omgangsindicatie via de gemeente de oplossing bieden, zodat iedereen aan de slag kan met de eigen problematiek en er alsnog een verantwoorde omgang tussen de vader en [minderjarige] kan zijn. Hierdoor stopt de juridische procedure, krijgt de moeder haar behandeling en kan er veilige omgang zijn tussen de vader en [minderjarige] . De raad verzoekt het hof een eindbeschikking af te geven en de zaak niet langer aan te houden. Het vooruitzicht dat het tussen de vader en [minderjarige] nooit tot onbegeleid contact zal komen, zou voldoende rust moeten geven voor de moeder om traumabehandeling aan te gaan. Omgang op deze manier is het meest in het belang van [minderjarige] . De raad heeft hierbij oog voor alle kwetsbaarheden. Het staat in de literatuur dat kwetsbare kinderen last hebben van dergelijke situaties. [minderjarige] moet een positiever beeld gaan krijgen van haar vader. De raad heeft het incident van 31 december 2024 – de politie kwam bij de moeder aan de deur vanwege een mogelijke dreiging vanuit de vader – niet onderzocht. De raad heeft niet helder wat er is gebeurd, waarbij de raad ook aangeeft niet te weten wat er is geprobeerd om helderheid te krijgen hierover. Nadere standpunten van de ouders 10.
  5. De vader is akkoord met het advies van de raad. Hij betreurt dat het BOR-III traject niet is gelukt. [instantie 2] had een stappenplan in drie fases uitgezet: 1) mogelijkheden bij de vader onderzoeken, 2) behandeling van de moeder en [minderjarige] en – eventueel – 3) een begeleide omgangsregeling. Aan dit stappenplan is geen uitvoering gegeven, omdat de moeder er niet mee akkoord ging. Het gaat goed met de vader. Hij heeft veel baat bij de ambulante hulpverlening van [instantie 3] (emotieregulatie en traumabehandeling) en [instantie 4] . Het gaat goed met hem en hij schiet niet meer zo hoog in zijn emotie. [instantie 4] voelt zich niet onveilig bij de vader en zijn advocaat kan nu, anders dan voorheen, rustig met hem praten over lastige onderwerpen. Tijdens de vorige mondelinge behandeling was de vader erg gespannen. Nu is hij dat veel minder. Verder erkent de vader nu ronduit dat hij in het verleden fouten heeft gemaakt, maar recent is dat niet meer gebeurd. Op 31 december 2024 heeft er dan ook geen incident plaatsgevonden. De vader weet niet waar de moeder op doelt en bovendien is de vader niet als verdachte gehoord. Het kan ook niet waar zijn, want de vader laat de moeder met rust. Hij heeft zijn strafrechtelijke veroordeling voor een – al langer geleden – mishandeling van de moeder geaccepteerd. De vader praat nu niet meer over de moeder. Het gaat hem alleen maar om [minderjarige] . De vader heeft [minderjarige] voor het laatst gezien in juli
  6. Als er geen omgangsregeling komt, wordt de rekening daarvan bij [minderjarige] neergelegd. Er zijn voldoende waarborgen, want als het binnen de BOR III niet goed zou gaan, trapt de organisatie die de regeling begeleidt op de rem. Het is het beste als het hof nu een tussenbeschikking zou geven met een BOR III-verwijzing, zodat het hof de regie houdt. 10.
  7. De moeder is van mening dat [instantie 2] ten onrechte heeft aangegeven dat er mogelijkheden zijn om een BOR III te bewerkstelligen en zij is het niet eens met het advies van de raad. De moeder voelt zich niet gehoord door de raad. Aan het BOR III-traject werd gedurende het traject als nieuwe voorwaarde gesteld dat een tweede begeleider – de begeleider van de vader – hierbij aanwezig zou moeten zijn. Als dat nodig is, heeft de vader geen vooruitgang geboekt. Vervolgens kan de moeder ook niet volgen dat [instantie 2] aangeeft dat het contact maximaal een kwartier mag duren en de raad vervolgens omgangsmomenten adviseert van één tot drie uur. [minderjarige] zal dan in een situatie worden gedwongen waarbij zij wordt geconfronteerd met een setting met minimaal drie vreemde personen. Er wordt geenszins geanticipeerd wat dit met [minderjarige] zal doen. Evenmin wordt geanticipeerd op de gevolgen, ook voor de moeder. De school van [minderjarige] geeft aan dat als er sprake is van enige vorm van onrust, thuis, op school of bij haar vrijetijdsbesteding, zij snel uit balans raakt en zij hier langdurig last van heeft. [minderjarige] gaat achteruit op school. Ze krijgt hulp van [instantie 5] en staat op de wachtlijst om geholpen te worden voor haar slaapproblemen, verlatingsangst en het niet voor zichzelf kunnen opkomen. Een BOR III-traject is in strijd zijn met de zwaarwichtige belangen van [minderjarige] . Bovendien is de vader niet geschikt, ook niet onder de geschetste voorwaarden om uitvoering te geven aan de BOR III-regeling waarbij ten onrechte wordt aangenomen dat een BOR-III voldoende is om een veilig contact en omgang te bewerkstelligen. Het is niet gebleken dat de vader een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt. Dat de vader niet is veranderd, blijkt ook uit het feit dat de moeder op 31 december 2024 is geconfronteerd met de politie die anderhalf uur voor haar woning heeft gepost. Volgens de politie was er rondom de vader een gevaarlijke situatie aan de orde. De moeder heeft vernomen van de wijkagent dat de vader bij [instantie 4] was ‘geflipt’ en onderweg was naar haar huis. [instantie 4] heeft 112 gebeld omdat de veiligheid van de moeder in het geding zou zijn. De moeder heeft veel met de vader meegemaakt. Hij is hiervoor strafrechtelijk veroordeeld. De moeder heeft hierdoor trauma’s opgelopen en kan door deze hele procedure en onzekerheden nog steeds niet werken aan haar trauma’s. Ze vraagt al hulp sinds 2021 en ze raakt bedolven onder de stress. Soms is ze volledig uitgeschakeld en moet ze overgeven van de spanning en/of heeft ze hartkloppingen. De moeder heeft nog niet de nodige rust gevonden om aan haar eigen trauma’s te werken. Traumabehandeling kan niet starten zolang de onderliggende procedures lopen en zal ook niet starten als er een omgangsindicatie ligt. Als het in de toekomst beter gaat met de moeder en met [minderjarige] , staat de moeder open voor hernieuwd contact met de vader. [minderjarige] heeft het recht om te weten wie haar vader is, maar dit is niet het goede moment. De moeder wil een goede opvoeder zijn voor [minderjarige] en haar een goede basis kunnen bieden om de BOR III te kunnen ondersteunen. Daarvoor heeft de moeder eerst hulpverlening nodig en dat is de rode draad in dit dossier. Het hof overweegt als volgt. 10.4.
  8. In het verleden is er een begeleide omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige] vastgesteld van één uur per week. Dit is gestopt in juli
  9. Daarna heeft er geen contact meer plaatsgevonden tussen hen. Omdat de moeder alleen het gezag over [minderjarige] heeft (sinds de beschikking van de rechtbank van 26 juli 2022), is het criterium uit artikel 1:377a BW van toepassing op het verzoek van de vader tot het vaststellen van een omgangsregeling met [minderjarige] . 10.4.
  10. Op grond van artikel 1:377a lid 1 BW heeft het kind recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. De niet met het gezag belaste ouder heeft het recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind. Ingevolge artikel 1:377a lid 2 BW stelt de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen of van degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast. De rechter ontzegt het recht op omgang slechts, indien (a) omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of (b) de ouder of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of (c) het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder of met degene met wie hij in een nauwe persoonlijke betrekking staat heeft doen blijken, of (d) omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind. 10.4.
  11. Uit vaste jurisprudentie volgt dat het de taak van de rechter is om te bevorderen dat er een omgangsregeling tot stand komt. Er is in deze zaak sprake van een langlopende procedure die de ouders en [minderjarige] al vijf jaar bezig houdt. Het hof stelt vast dat de rechtbank – en daarna het hof – alle in het gegeven geval mogelijke en gepaste maatregelen hebben genomen om contact tussen de vader en [minderjarige] weer tot stand te brengen, maar dat die maatregelen niet tot enige vorm van contact hebben geleid. Inmiddels is het punt bereikt waarop, in navolging van de rechtbank, ook het hof geen mogelijkheden meer ziet voor een (begeleide) omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige] . Het hof legt nu uit waarom. 10.4.
  12. De 9-jarige [minderjarige] heeft een ongeneselijke zeldzame genetische aandoening (Diets-Jongmans-syndroom). Het [ziekenhuis] heeft dit vastgesteld. Uit het raadsrapport van 12 juli 2023 blijkt dat de belangrijkste kenmerken van dit syndroom zijn: een ontwikkelingsachterstand, een (meestal milde) verstandelijke beperking, gedragsproblemen (ADHD of autisme) en een kleine lengte. Door haar lichamelijke en verstandelijke beperking is [minderjarige] een bijzonder kwetsbaar kind dat tevens gedragsproblemen vertoont. Uit de tweede raadsrapportage blijkt dat [minderjarige] vooral duidelijkheid, voorspelbaarheid en structuur nodig heeft om zich veilig te kunnen voelen. De raad acht [minderjarige] zelf niet in staat om de voorwaarden te creëren die zij nodig heeft om bijvoorbeeld de omgang met haar vader aan te gaan. Op de mondelinge behandeling van 10 juli 2025 heeft de moeder verklaard dat het de laatste tijd slechter gaat met [minderjarige] , dat ze snel uit balans is en hier langdurig last van heeft. Het hof acht het nu niet in het belang van [minderjarige] om haar – opnieuw – deel te laten nemen aan een BOR III-traject, gelet op de veranderingen en spanningen die dat ongetwijfeld met zich zal brengen als zij opnieuw contact zal hebben met haar vader, ook niet als dit begeleid wordt en begeleid blijft. [minderjarige] kan dat op dit moment niet aan, temeer niet nu ze al op de wachtlijst staat om door [instantie 5] geholpen te worden voor haar slaapproblemen, verlatingsangst en het niet voor zichzelf kunnen opkomen. 10.4.
  13. Verder is voldoende vast komen te staan dat de moeder getraumatiseerd is geraakt door het huiselijk geweld dat zij heeft ondergaan tijdens haar relatie met de vader (waarvoor hij strafrechtelijk veroordeeld is) en dat zij behandeling nodig heeft om dit te verwerken. Uit het raadsrapport blijkt dat zowel de huisarts van de moeder als de praktijkondersteuner GGZ behandeling van het psychotrauma noodzakelijk acht. Die behandeling kan pas starten als de moeder in een rustigere levensfase komt. Deze aanhoudende rechtszaak verhindert dat. Uit raadsrapport blijkt verder dat de huisarts van de moeder zich zorgen maakt over het welzijn van de moeder, gezien haar kwetsbare situatie. Op de mondelinge behandeling heeft de moeder toegelicht dat de stress zijn tol begint te eisen bij haar en dat ze soms echt ‘uitgeschakeld’ is hiervan. De moeder is de enige verzorgende ouder van [minderjarige] en het is in [minderjarige] ’s belang dat de moeder de hulp krijgt die ze nodig heeft zodat zij goed voor [minderjarige] kan zorgen. De moeder heeft nu rust en traumabehandeling nodig om in de toekomst over voldoende handvatten te beschikken om een hernieuwd contact tussen de vader en [minderjarige] te kunnen ondersteunen waar zij – naar eigen zeggen – voor open staat nadat zij hiervoor passende hulpverlening heeft ondergaan. De moeder heeft verklaard dat zij een goede basis wil bieden aan [minderjarige] om de omgangsregeling te kunnen ondersteunen. Indien het hof op dit moment opnieuw een BOR III-traject zou bepalen, terwijl dit zoveel angst en weerstand bij de moeder veroorzaakt, vreest het hof voor de gevolgen hiervan voor de moeder en daarmee ook voor [minderjarige] . 10.4.
  14. Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat een nieuwe verwijzing naar een BOR III-traject op dit moment in strijd met de zwaarwegende belangen van [minderjarige] is. Het hof komt daarom – uiteindelijk – tot hetzelfde oordeel als de rechtbank dat het verzoek van de vader om vaststelling van een omgangsregeling met [minderjarige] dient te worden afgewezen. 10.4.
  15. Het hof compenseert de proceskosten, gezien de familierechtelijke aard van de zaak. Beslist wordt als volgt. 11De beslissing Het hof: bekrachtigt de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen; compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt; wijst af het meer of anders verzochte. Deze beschikking is gegeven door mrs. E.M.D.M. van der Linden, S.P.A. Wensink- Vergunst, A.C. van den Boogaard en is in het openbaar uitgesproken op 11 september 2025, in tegenwoordigheid van mr. D. van der Horst, de griffier.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.