GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team familie- en jeugdrecht zaaknummer : 200.345.149/01 zaaknummer rechtbank : C/02/413557/ FA RK 23-4153 beschikking van de meervoudige kamer van 18 september 2025 inzake [de vrouw] , wonende te [woonplaats] , verzoekster in hoger beroep, hierna te noemen: de vrouw, advocaat mr. A.J.M. van der Borst te Etten-Leur, tegen [de man] , wonende te [woonplaats] , verweerder in hoger beroep, hierna te noemen: de man, advocaat mr. W.G. Dictus te Oudenbosch. De zaak in het kort Deze zaak gaat over de draagplicht van partijen voor diverse gedurende het huwelijk ontstane kosten en de wijze waarop de verkoopopbrengst van de woning tussen partijen moet worden verdeeld. 1Het verloop van het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, van 31 mei 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. 2Het geding in hoger beroep 2.
- De vrouw is op 26 augustus 2024 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 31 mei
- 2.
- De man heeft op 6 november 2024 een verweerschrift ingediend. 2.
- Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen: het V6 formulier van de advocaat van de man met productie 4 d.d. 2 juli 2025; de brief van de advocaat van de vrouw met producties 1 tot en met 3 d.d. 15 juli
- 2.
- De mondelinge behandeling heeft op 30 juli 2025 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen. De vrouw werd bijgestaan door mr. A.J.M. van der Borst, de man door mr. W.H.P. de Jongh. De advocaat van de vrouw heeft ter zitting zittingsaantekeningen voorgedragen en overgelegd. 3De feiten Het hof gaat in hoger beroep uit van de volgende feiten. Partijen zijn op 19 september 2003 met elkaar gehuwd in de wettelijke algehele gemeenschap van goederen. Het verzoekschrift tot echtscheiding is op 13 mei 2022 door de rechtbank ontvangen. Bij beschikking voorlopige voorzieningen van 13 juni 2022 is, voor zover thans van belang, verstaan dat de man de hypothecaire lasten, de zakelijke lasten van de echtelijke woning en de betalingsverplichting voor de lening bij Defam/Alfam van € 300,-- per maand voor zijn rekening zal nemen. Bij de bestreden beschikking is onder meer de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 27 juni 2024 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. 4De omvang van het geschil 4.
- Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, de verdeling gelast van de gemeenschappelijke goederen van partijen op de wijze zoals vermeld in rov. 4.54 tot en met 4.82 van die beschikking. 4.
- De grieven van de vrouw zien op
(1)de schuld in verband met de kosten van de dieren,
(2)de wijze van verdeling van de verkoopopbrengst van de echtelijke woning,
(3)de Volkswagen-Caddy,
(4)de Menzis-schuld en
(5)de schuld bij Defam/Alfam. De vrouw verzoekt het hoger beroep gegrond te verklaren en de bestreden beschikking te vernietigen wat de beslissingen betreft die in de grieven aan de orde zijn gesteld en bij beschikking, waar mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: “1. de man te veroordelen tot vergoeding aan de vrouw van de bedragen vermeld in de facturen die als producties 8. door de vrouw bij brief van 27 maart 2024 bij F9 formulier aan de rechtbank werden gezonden, een en ander betreffende de dieren van partijen ; 2. te bepalen dat bij de verdeling van de netto verkoopopbrengst van de echtelijke woning de man met de vrouw dient te verrekenen hetgeen hij ter voldoening van de zakelijke lasten betreffende die woning rechtens had moeten betalen vanaf de datum van de beschikking voorlopige voorzieningen tot de datum van verkoop en levering van die woning, des dat hetgeen hij rechtens moest betalen doch niet heeft betaald alsmede de daarover verschuldigde rente en kosten in mindering komen op diens aandeel in de nettoverkoopopbrengst van de woning; 3. de man te veroordelen aan de huwelijksgemeenschap van partijen te vergoeden een bedrag van € 5.200,- inzake de Volkswagen-Caddy ; 4. de man te veroordelen aan de vrouw te vergoeden een bedrag van € 1.275,80 inzake de Menzis-kosten ; 5. te bepalen dat inzake een ten tijde van de ontbinding van het huwelijk eventueel bestaande restschuld aan Defam/Alfam, de man volledig en uitsluitend draagplichtig zal zijn en dat die restschuld niet bij helfte tussen partijen verdeeld zal worden. Kosten rechtens.” 4.3. De man heeft de grieven bestreden. Hij verzoekt het hof de vrouw in haar verzoeken in hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans het door haar ingestelde hoger beroep ongegrond te verklaren, kosten rechtens. 4.4. Het hof zal de grieven per onderwerp bespreken. 5De motivering van de beslissing Kosten van de dieren 5.1. De rechtbank heeft overwogen: “4.66. (…) Naar het oordeel van de rechtbank is het onduidelijk gebleven of er op de peildatum een schuld aan derden was in verband met de kosten van de dieren en hoe hoog deze schulden exact waren en dus is het onduidelijk of er een schuld behoort tot de huwelijksgemeenschap. Ook na vragen hierover tijdens de mondelinge behandeling is hierover geen duidelijkheid verschaft. Volgens de (advocaat van
- de)vrouw hadden de schulden betrekking op kosten die zijn ontstaan vóór en na de peildatum. Het had op de weg van de vrouw gelegen om specifiek te stellen welke schuld er op de peildatum was, of deze schuld inmiddels is afgelost en door wie en op welke rechtsgrond er een beroep wordt gedaan. Het door de vrouw in dat kader gestelde is onvoldoende. Voor zover het gaat over de periode na de ontbinding van de gemeenschap, is eveneens onduidelijk wat de exacte omvang is van de kosten. Het lag op de weg van de vrouw om dit gespecificeerd te onderbouwen. Dat zij dit heeft nagelaten, komt voor haar eigen rekening en risico. Het verzoek van de vrouw in dit kader wordt dan ook afgewezen.” 5.2. Met grief 1 komt de vrouw op tegen het oordeel van de rechtbank in rov. 4.66 van de bestreden beschikking. Ter toelichting op de grief voert zij het volgende aan. Zij heeft stukken in het geding gebracht waaruit de schulden genoegzaam blijken. Ook blijkt daaruit welke schuld er op de peildatum was, door wie deze is betaald (door de vrouw) en welke kosten voor de dieren na de peildatum zijn gemaakt. De vrouw verwijst naar de brief van 27 maart 2024 met prod. 8 inzake facturen stallingskosten, dierenartsen etc. De facturen zijn door of vanwege haar betaald. De man stelt uitsluitend dat hij niet draagplichtig is voor deze kosten omdat de vrouw ervoor heeft gekozen de dieren te houden. Het houden van de dieren was een gezamenlijke beslissing. Het paard is door een tante van de man aan partijen gegeven en door de kinderen van partijen verzorgd en bereden. 5.3. In reactie op de grief voert de man aan dat hij niet gehouden is tot betaling van de volledige bedragen van de stallingskosten, dierenartsen etc. De facturen zijn van na de peildatum. Er is geen rechtsgrond voor deze vordering. Artikel 1:84 BW is niet van toepassing. De vrouw stelt niet specifiek welke schulden er op de peildatum waren, of en door wie deze schulden inmiddels zijn afgelost en op welke rechtsgrond zij een beroep doet. Na de beschikking voorlopige voorzieningen en het vertrek van de man uit de woning (24 april 2022) komt de keuze van de vrouw om bepaalde hobbymatige uitgaven te blijven doen voor haar rekening en risico. 5.4. Het hof overweegt als volgt. De huwelijksgemeenschap is op 13 mei 2022 ontbonden door indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding. Tussen partijen is niet in geschil dat de peildatum voor de samenstelling van de huwelijksgemeenschap ook 13 mei 2022 is. Uit de door de vrouw overgelegde facturen blijkt dat deze alle zien op de periode ná de peildatum. De kosten voor de dieren vallen daarom niet in de (inmiddels ontbonden) huwelijksgemeenschap. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat het paard en de hond na het verbreken van de relatie bij de vrouw zijn gebleven. De kosten dienen daarom voor rekening van de vrouw te komen. Dat het paard door de tante van de man aan partijen is gegeven ten behoeve van de kinderen, maakt het voorgaande niet anders. Grief 1 faalt en het verzoek van de vrouw onder 1 van het petitum zal worden afgewezen. verdeling verkoopopbrengst woning 5.5. De rechtbank heeft overwogen: “4.67. Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling afspraken gemaakt over de verkoop van de echtelijke woning, de afwikkeling van de daaraan verbonden hypothecaire geldlening en ASR polis. Partijen zijn daarbij overeengekomen dat zij binnen twee weken na de datum van deze beschikking dc woningcorporatie kenbaar maken dat zij de woning wensen te verkopen, zodat het verkooptraject in gang kan worden gezet. Partijen zullen hieraan hun volledige medewerking verlenen. Partijen zijn daarbij overeengekomen dat de in dat kader noodzakelijke taxatie uiterlijk 1 september 2024 zal plaatsvinden. Tussen partijen is verder overeengekomen dat de vrouw tot en met uiterlijk 31 december 2024 het voortgezet gebruik van de echtelijke woning heeft, zodat de levering van de woning aan (een) derde(
- n)niet eerder dan 31 december 2024 zal plaatsvinden. De vrouw zal de echtelijke woning vervolgens vrijwillig verlaten, teneinde de overdracht van de woning aan derde kopers mogelijk te maken. Ten aanzien van de verkoopopbrengst van de woning zijn partijen overeengekomen dat hiervan de hypothecaire geldlening wordt voldaan. Dc resterende verkoopopbrengst wordt vervolgens bij helfte tussen partijen verdeeld. Tot slot zijn partijen overeengekomen dat de polis bij ASR wordt beëindigd en (ook) zal worden gebruikt om de openstaande hypothecaire geldlening mee af te lossen. Als de polis niet wordt gebruikt voor aflossing van de hypothecaire geldlening, komt de opbrengst van deze polis aan ieder van partijen voor de helft toe. De rechtbank zal overeenkomstig deze overeenstemming beslissen, onder afwijzing van het verzoek van de man ten aanzien van de echtelijke woning.” 5.6. Met grief 2 komt de vrouw op tegen rov. 4.67 van de bestreden beschikking waar de rechtbank overweegt dat partijen ten aanzien van de verkoopopbrengst van de woning zijn overeengekomen dat hiervan de hypothecaire geldlening wordt voldaan en de resterende verkoopopbrengst bij helfte verdeeld. Ter toelichting voert zij het volgende aan. Bij de beschikking voorlopige voorzieningen van 13 juni 2022 is bij de draagkracht van de man rekening gehouden met het feit dat hij de zakelijke lasten van de woning, waaronder de hypotheeklasten, zou voldoen. De man heeft daarin een achterstand opgebouwd. Onjuist is dat de vrouw ter zitting heeft bevestigd dat de man de woonlasten voldoet. Bij de verdeling van de netto verkoopopbrengst van de echtelijke woning dient de man met de vrouw te verrekenen hetgeen hij ter voldoening van de zakelijke lasten van de woning had moeten betalen vanaf de datum beschikking voorlopige voorzieningen tot de datum van levering van de woning. Indien bij de verdeling van de netto verkoopopbrengst van de woning blijkt dat de man zich niet heeft gehouden aan de verplichting om de zakelijke lasten van de woning te voldoen, moet de man die zakelijke lasten in het kader van de verdeling van de netto opbrengst alsnog aan de vrouw vergoeden, althans dienen die lasten in mindering te worden gebracht op zijn aandeel in de netto verkoopopbrengst. 5.7. In reactie op de grief voert de man het volgende aan: Bij de beschikking voorlopige voorzieningen van 13 juni 2022 is verstaan dat de man voor zijn rekening zal nemen de hypothecaire lasten van de echtelijke woning, alsmede de zakelijke lasten van de woning. Bij de bestreden beschikking zijn afspraken over de verkoop van de woning gemaakt en vastgelegd. Binnen enkele weken na afgifte van de beschikking moest de woningcorporatie op de hoogte worden gesteld zodat het verkoopproces in gang kon worden gezet. Van deze wooncorporatie [wooncorporatie] was de woning gekocht en zij had een aanbiedingsplicht bedongen. De man heeft de woningcorporatie conform de leveringsakte van de voorgenomen verkoop op de hoogte gesteld. De noodzakelijke taxatie moest uiterlijk 1 september 2024 plaatsvinden. Verder is overeengekomen dat de vrouw tot en met uiterlijk 31 december 2024 het voortgezet gebruik van de woning zou hebben. De vrouw weigert echter mee te werken aan taxatie en verkoop, zodat het verkoopproces is gestagneerd. In de veronderstelling dat de echtelijke woning uiterlijk 31 december 2024 zou zijn verkocht, heeft de man met ingang van 15 oktober 2024 een zelfstandige woonruimte gehuurd voor € 875,-- per maand. De man acht zich in deze omstandigheden niet gehouden om de volledige hypothecaire- en zakelijke lasten vanaf 31 december 2024 te blijven betalen. Het aanvullend verzoek van de vrouw zoals geformuleerd in grief 2 kan alleen worden toegewezen voor de periode tot 31 december 2024. 5.8. Het hof overweegt als volgt. Niet langer is in geschil dat de man de hypothecaire lasten en de zakelijke lasten tot 31 december 2024 voor zijn rekening dient te nemen. Voor de periode van 31 december 2024 tot 12 mei 2025 (de dag van levering van de woning aan de koper) overweegt het hof het volgende. In rov. 4.67 van de bestreden beschikking overweegt de rechtbank dat partijen zijn overeengekomen dat de vrouw tot en met uiterlijk 31 december 2024 het voortgezet gebruik van de echtelijke woning heeft, zodat de levering van de woning aan derden niet eerder dan 31 december 2024 zal plaatsvinden. De man kon er dan ook niet vanuit gaan dat de woning al op (uiterlijk) 31 december 2024 zou zijn geleverd aan een derde. De man heeft voorts, gelet op de betwisting door de vrouw, onvoldoende onderbouwd dat de vrouw de levering van de woning aan de koper aanzienlijk heeft vertraagd. Bovendien is in de beschikking voorlopige voorzieningen van 13 juni 2022 (prod. 3 bij het verweerschrift van de man in eerste aanleg) verstaan dat de man de hypothecaire lasten van de woning voor zijn rekening zal nemen. De man heeft echter geen wijziging van deze beschikking gevraagd. De man is daarom ook in de periode vanaf 31 december 2024 tot 12 mei 2025 gehouden om de hypothecaire lasten van de woning voor zijn rekening te nemen. De vrouw heeft als bijlage 1 bij de brief van haar advocaat van 15 juli 2025 de brief van [bedrijf] van 22 april 2025 met daarbij ‘Beschrijving aflosnota’ overgelegd. Uit de ‘Beschrijving aflosnota’ blijkt dat er op dat moment een achterstand bestond van € 7.254,95 en dat tot 12 mei 2025 nog rente verschuldigd was ten bedrage van € 1.060,50. Beide bedragen, in totaal € 8.315,45 komen voor rekening van de man. Het hof zal bepalen dat bij de verdeling van de netto verkoopopbrengst de achterstand en verschuldigde rente tot dat moment van in totaal € 8.315,45 in mindering komt op het aandeel van de man in de netto verkoopopbrengst van de woning. Grief 2 slaagt. Volkswagen Caddy 5.9. De rechtbank heeft overwogen: “4.74. De rechtbank overweegt dat beide partijen belang hebben bij een zo hoog mogelijke opbrengst van deze auto. Dc rechtbank houdt het ervoor dat de man zich ingespannen heeft om een zo hoog mogelijke opbrengst te realiseren. Uit de stukken blijkt dat dit een bedrag van € 1.000,= is. Er is, naar het oordeel van de rechtbank, onvoldoende gesteld waaruit zou volgen dat de man de gemeenschap heeft benadeeld (zoals de vrouw lijkt te suggereren) en om die reden gehouden is enige schade te vergoeden. Gelet op al het voorgaande zal de rechtbank beslissen dat de man de helft van de verkoopopbrengst van € 1.000,=, zijnde € 500,=, aan de vrouw dient te betalen. De rechtbank merkt op dat hiervoor geen termijn is verzocht, maar gaat ervan uit dat de man hier zo spoedig mogelijk voor zal zorgdragen.” 5.10. Met grief 3 komt de vrouw op tegen het oordeel van de rechtbank in rov. 4.74 van de bestreden beschikking. Ter toelichting voert zij het volgende aan. De man heeft ter onderbouwing van zijn stelling dat de hoogst mogelijke opbrengst € 1.000,-- is, slechts een bankoverschrijving van dit bedrag overgelegd. Ten onrechte is geen waarde toegekend aan de door haar in het geding gebrachte ANWB-koerslijst waaruit de waarde van de auto blijkt. Dat de kilometerstand en type auto op de koerslijst niet zou kloppen, heeft de man niet onderbouwd. De rechtbank had daarom uit moeten gaan van de waarde volgens de ANWB koerslijst van € 6.200,--. Doordat de man de auto eigenmachtig en naar eigen zeggen voor € 1.000,-- heeft verkocht na de peildatum, heeft hij de huwelijksgemeenschap benadeeld in de zin van art. 1:164 BW voor een bedrag van € 5.200,--. De man is gehouden die schade aan de huwelijksgemeenschap te vergoeden. 5.11. In reactie op de grief voert de man het volgende aan. Hij heeft het taxatierapport van de auto overgelegd (bijlage 6 van het beroepschrift en prod. 9 bij het verweerschrift rechtbank). Daaruit blijkt dat de totale waarde toen werd geschat op een bedrag van € 1.389,--. Als bewijs van verkoop voor € 1.000,-- brengt de man naast het reeds overgelegde bewijs van ontvangst van de koopsom ook de inkoopverklaring in het geding (prod. 3 bij het verweerschrift). De vrouw heeft niet, althans onvoldoende, onderbouwd dat de auto een bedrag van € 6.200,-- waard was en dat de man dus de auto onder de prijs zou hebben verkocht. 5.12. Het hof overweegt als volgt. Art. 1:164 BW bepaalt dat indien een tussen de echtgenoten bestaande gemeenschap van goederen door één van hen is benadeeld doordat hij na de aanvang van het geding of binnen zes maanden daarvóór lichtvaardig schulden heeft gemaakt, goederen der gemeenschap heeft verspild, of rechtshandelingen als bedoeld in art. 1:88 BW zonder de vereiste toestemming of beslissing van de rechtbank heeft verricht, hij gehouden is na de inschrijving van de beschikking waarbij de echtscheiding is uitgesproken, de aangerichte schade aan de gemeenschap te vergoeden. De vrouw stelt dat de Volkswagen Caddy een waarde had van € 6.200,--. Dat wordt door de man betwist. De ANBW-koerslijst waaruit een waarde van de auto zou blijken van € 6.200,-- bevindt zich, anders dan door de vrouw gesteld, niet bij de gedingstukken. Tijdens de mondelinge behandeling heeft (advocaat van
- de)vrouw desgevraagd verklaard dat de ANWB-koerslijst niet is overgelegd. De man heeft ter onderbouwing van zijn betwisting dat de auto € 6.200,-- waard is en van een waarde van € 1.000,-- moet worden uitgegaan de volgende stukken overgelegd:
- a)een taxatierapport (prod. 9 bij het verweerschrift tevens houdende verzoeken betreffende echtscheiding van de man in eerste aanleg),
- b)een bewijs van ontvangst van de koopsom (prod. 33 bij de brief van de man van 16 april 2024) en
- c)de inkoopverklaring (prod. 3 bij het verweerschrift van de man in hoger beroep). De verkoopprijs van € 1.000,-- wijkt onvoldoende af van de getaxeerde waarde van € 1.389,--. De vrouw heeft deze taxatie, gelet op de hiervóór genoemde door de man ingebrachte stukken, ook onvoldoende betwist. De vrouw heeft nog verwezen naar een e-mail die de advocaat van de man heeft gestuurd in het kader van de onderhandelingen waaruit de erkenning een waarde van € 6.200,-- door de man zou blijken. Dat in het kader van onderhandelingen is gesproken om van een bepaalde waarde uit te gaan, is echter geen erkenning van die waarde. Uit het voorgaande volgt dat het hof uitgaat van een waarde van de Volkswagen Caddy van € 1.000,--. Dat betekent dat van benadeling van de huwelijksgemeenschap geen sprake is, grief 3 van de vrouw faalt en het onder punt 3 verzochte wordt afgewezen. Schuld bij Menzis 5.13. De rechtbank heeft overwogen: “4.78. Tussen partijen is ook niet in geschil dat sprake is van een schuld bij Menzis, maar partijen verschillen over de hoogte daarvan. In dat kader zijn partijen overeengekomen dat de vrouw de man inzage geeft in de hoogte van de schuld per peildatum (13 mei 2022). Ook maakt de vrouw daarbij inzichtelijk welke bedragen vanaf die datum door haar zijn betaald. De man is vervolgens gehouden de helft van de op de peildatum aanwezige schuld aan de vrouw te vergoeden, waarbij de vrouw de volledige schuld per peildatum zal voldoen. De man zal dit vergoeden ter gelegenheid van verkoop en levering van de echtelijke woning.” 5.14. Met grief 4 komt de vrouw op tegen het oordeel van de rechtbank in rov. 4.78 van de bestreden beschikking waarin de rechtbank overweegt: “waarbij de vrouw de volledige schuld per peildatum zal voldoen”. Ter toelichting voert zij het volgende aan. Volgens haar is sprake van een verschrijving. Niet de vrouw, maar de man dient de Menzis-schuld volledig te voldoen. De Menzis schuld betreft kosten van de huishouding in de zin van art. 1:84 BW. Deze dienen door de man gedragen te worden gezien zijn veel hogere inkomen dan dat van de vrouw. Daaraan doet niet af dat de schuld in de huwelijksgemeenschap zou vallen. Gelet op het wederzijdse inkomen van partijen dient de man de Menzis-uitgaven c.q. de Menzis schuld volledig te dragen. Uit prod. 10 (bij F9 formulier d.d. 28 maart 2024) blijkt dat de Menzis schuld € 1.275,80 bedroeg en dat die door of vanwege de vrouw is betaald. De man dient dit bedrag aan de vrouw te vergoeden. 5.15. In reactie op de grief voert de man het volgende aan. Ook in hoger beroep laat de vrouw na aan te tonen wat de hoogte van deze schuld per 13 mei 2022 is geweest en welke bedragen zij vanaf die datum zou hebben betaald. De man ontkent dat hij op grond van art. 1:84 BW gehouden zou zijn de volledige schuld aan Menzis per peildatum voor zijn rekening te nemen. Het betreft een gemeenschapsschuld die niet verknocht is. 5.16. Het hof overweegt als volgt. Ingevolge art. 1:100 lid 1 BW hebben de echtgenoten een gelijk aandeel in de ontbonden gemeenschap, tenzij anders is bepaald bij huwelijkse voorwaarden of bij een overeenkomst die tussen de echtgenoten bij geschrift is gesloten met het oog op de aanstaande ontbinding der gemeenschap anders dan door de dood of ten gevolge van opheffing bij huwelijkse voorwaarden. Van een dergelijke uitzondering is in deze zaak geen sprake. Schulden, voor zover ontstaan vóór de ontbinding van de huwelijksgemeenschap behoren tot de (ontbonden) huwelijksgemeenschap. Daarvoor geldt krachtens de hoofdregel van art. 1:100 BW een gelijke draagplicht. Dit houdt in dat partijen in hun onderlinge verhouding voor gelijke delen draagplichtig zijn voor tot de huwelijksgemeenschap behorende schulden. In beginsel geldt dat, voor zover een van partijen na de peildatum meer dan de helft van zo’n schuld heeft betaald, hij/zij voor het meerdere een regresvordering heeft op de andere partij. Als prod. 10 bij het F9-formulier van 27 maart 2023 heeft de vrouw een bevestigingsbrief van een betalingsregeling overgelegd. Daaruit volgt dat sprake is van een openstaande vordering van de premie van € 1.275,80. Hoewel een dagtekening van dit stuk ontbreekt, is het aannemelijk dat de schuld op de peildatum 13 mei 2022 € 1.275,80 bedroeg, omdat de betalingsregeling startte in juni 2022, zoals uit prod. 10 blijkt. Hoewel de vrouw geen stukken heeft overgelegd waaruit de betalingen blijken, gaat het hof er van uit dat de vrouw deze betalingen na ontbinding van de huwelijksgemeenschap voor haar rekening heeft genomen, nu de man niet heeft gesteld dat hij de schuld heeft voldaan en evenmin is gebleken dat de betalingsregeling niet is nagekomen. Dat betekent dat de vrouw een regresvordering heeft op de man van € 637,90 (€ 1.275,80 / 2). De vrouw heeft nog aangevoerd dat de schuld volledig voor rekening van de man dient te komen op grond van art. 1:84 BW. Zij wordt daarin niet gevolgd. De man heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat hij keuzes moest maken wat hij wel en wat hij niet kon betalen. Niet gebleken is dat het inkomen van de man gedurende het huwelijk (dat pas eindigde op 27 juni 2024 door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand) toereikend was om alle kosten van de huishouding te voldoen. Uit het voorgaande volgt dat grief 4 van de vrouw gedeeltelijk slaagt. Het verzoek onder 4 van het petitum wordt gedeeltelijk toegewezen. Schuld bij Defam/Alfam 5.17. De rechtbank heeft overwogen: “4.76. Tot de huwelijksgemeenschap behoort een schuld bij Defam/Alfam. Zoals in rechtsoverweging 4.30 is overwogen, zijn partijen overeengekomen dat de man deze schuld tot de overdracht van de woning maandelijks zal aflossen. Ofwel via een aflossing van € 300,= per maand, dan wel door middel van verrekening bij verkoop en levering van de echtelijke woning op zodanige wijze dat de man per saldo € 300,= per maand zou hebben afgelost op deze schuld vanaf 13 juni 2022 tot aan de datum van verkoop/levering van de woning. Tussen partijen is niet in geschil dat ten aanzien van deze aflossing door de man geen verdere verrekening hoeft plaats te vinden. Indien er dan op de datum van overdracht rekening houdend met de hiervoor genoemde aflossingen nog een restschuld resteert, komt deze voor rekening van partijen ieder voor de helft.” 5.18. Met grief 5 komt de vrouw op tegen de laatste zin van rov. 4.76 van de bestreden beschikking. Ter toelichting voert zij het volgende aan. De man was inzake de schuld aan Defam/Alfam achterstallig met de door hem te verrichten betalingen. Er liep een incassotraject en de incassokosten, rente e.d. liepen op. De man liet de betalingen aan Defam/Alfam telkens storneren. De vrouw is niet draagplichtig voor de aflossingen op de schuld die de man voor zijn rekening dient te nemen maar niet heeft voldaan sinds de beschikking voorlopige voorzieningen van 13 juni 2022. Daaruit volgt ook dat zij niet draagplichtig is voor de incassokosten en rente die in rekening zijn gebracht. Zij dienen niet bij wege van verrekening met de netto opbrengst van de woning of anderszins bij helfte tussen partijen te worden verdeeld. Indien de man zijn verplichtingen tijdig was nagekomen was de schuld inmiddels afgelost. 5.19. In reactie op de grief voert de man het volgende aan. Partijen zijn overeengekomen dat hij deze schuld tot de overdracht van de woning maandelijks zal aflossen ofwel via een aflossing van € 300,-- per maand, dan wel door middel van verrekening bij verkoop en levering van de woning op zodanige wijze dat de man per saldo € 300,-- per maand zou hebben afgelost op deze schuld vanaf 13 juni 2022 tot datum levering. De vrouw heeft daarom geen belang bij deze grief. Uit bijlage 8 bij het beroepschrift, prod. 23, blijkt dat de schuld op 5 april 2024 € 11.235,85 bedroeg. De vrouw onderbouwt niet en maakt evenmin aannemelijk dat deze schuld bij normale aflossingen vanaf de peildatum per datum levering van de woning daadwerkelijk zou zijn afgelost. De lening is destijds afgesloten voor de aanschaf van rolluiken en een dakkapel voor de woning. Partijen zijn ieder voor de helft draagplichtig voor deze schuld. 5.20. Het hof overweegt als volgt. Uit bijlage 3 bij de brief van de advocaat van de vrouw van 15 juli 2025 blijkt dat de schuld bij Defam/Alfam op 14 juli 2025 € 12.062,63 bedroeg. Partijen zijn overeengekomen dat de man de aflossing van de schuld met € 300,-- per maand voor zijn rekening zal nemen vanaf de datum van de beschikking voorlopige voorzieningen, 13 juni 2022, tot de overdracht van de woning. Het hof kan op basis van de gedingstukken niet vaststellen dat de man dit bedrag maandelijks heeft afgelost op de schuld bij Defam/Alfam. De periode van 13 juni 2022 tot 13 mei 2025 beslaat 35 maanden. Dat betekent dat een bedrag van € 10.500,-- (35 x € 300,--) voor rekening van de man komt. Het restant van € 1.562,62 (€ 12.062,62 - € 10.500,--) komt, ingevolge art. 1:100 BW, zoals hiervoor in rov. 5.16 overwogen, voor rekening van partijen, ieder bij helfte. Dat er, zoals de vrouw stelt, incassokosten zijn gemaakt en (extra) rente in rekening is gebracht, is uit de stukken niet af te leiden, zodat het hof daarmee geen rekening kan houden. Hieruit volgt dat grief 5 van de vrouw gedeeltelijk slaagt en het verzoek onder punt 5 van het petitum van de vrouw gedeeltelijk zal worden toegewezen op nagenoemde wijze. 6De slotsom in het hoger beroep 6.1. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, (gedeeltelijk) vernietigen en beslissen als onder 7 weergegeven. 6.2. Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn. 7De beslissing Het hof: vernietigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda van 31 mei 2024, voor wat betreft de hypothecaire lasten bij de verdeling van de verkoopopbrengst van de woning, de schuld bij Menzis en de schuld bij Defam/Alfwam en (in zoverre) opnieuw beschikkende: bepaalt dat bij de verdeling van de netto verkoopopbrengst van de woning de achterstand en verschuldigde rente tot dat moment van in totaal € 8.315,45 in mindering komt op het aandeel van de man in die netto verkoopopbrengst; veroordeelt de man om aan de vrouw te betalen een bedrag van € 637,90 ter zake van de schuld bij Menzis; bepaalt dat de man ter zake van de schuld bij Defam/Alfam draagplichtig is voor een bedrag van € 10.500,-- en dat partijen voor het restant van € 1.562,62 draagplichtig zijn, ieder voor de helft; verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad; bekrachtigt de beschikking van de rechtbank voor het overige; compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt; wijst af het meer of anders verzochte. Deze beschikking is gegeven door mrs. M.J. van Laarhoven, P.P.M. van Reijsen en G.J. Vossestein bijgestaan door mr. L. Kramer als griffier, en is op 18 september 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.