GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht Uitspraak : 18 september 2025 Zaaknummer : 200.357.344/01 Zaaknummer eerste aanleg : C/02/4436673 FT RK 25/445 in de zaak in hoger beroep van: de vennootschap naar Zwitsers recht [A.G.] A.G., gevestigd te [vestigingsplaats] (Zwitserland), appellante, hierna te noemen: [appellante] , advocaat: mr. B.A. Boer te Den Haag, tegen [B.V. 1] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , geïntimeerde, hierna te noemen: [geïntimeerde] , advocaat: mr. J.J. Linker te Rotterdam. 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst naar de beschikking van 18 juli 2025 van de rechtbank ZeelandWestBrabant, locatie Breda, waarbij het verzoek van (onder andere) [appellante] om [geïntimeerde] in staat van faillissement te verklaren is afgewezen. 2Het geding in hoger beroep 2.1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 25 juli 2025, heeft [appellante] verzocht voormelde beschikking van de rechtbank te vernietigen en [geïntimeerde] alsnog in staat van faillissement te verklaren. 2.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 10 september 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord: namens [appellante] : dhr. [bestuurder] (bestuurder), bijgestaan door mr. B.A. Boer; namens [geïntimeerde] : dhr. [indirect bestuurder] (indirect bestuurder), bijgestaan door mr. J.J. Linker. 2.3. Het hof heeft verder kennisgenomen van de inhoud van: - het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 8 juli 2025; - de stukken van de eerste aanleg, ingestuurd bij het beroepschrift; - het nadere stuk (Europese Richtlijn) van de advocaat van [appellante] , ontvangen op 9 september 2025; - de ter zitting door beide advocaten overgelegde en voorgedragen spreekaantekeningen. 2.4. Op de zitting heeft [geïntimeerde] bezwaar gemaakt tegen de stukken die op 8 september 2025 zijn ingediend door [appellante] . Gelet op het tijdstip van toezending van de stukken, dat is gelegen buiten de in artikel 3.4.4. van het Procesreglement verzoekschriftprocedures handels- en insolventiezaken gerechtshoven (16e versie) genoemde termijn van twee werkdagen voor de mondelinge behandeling, afgezet tegen het feit dat [appellante] deze stukken al langere tijd in haar bezit had, heeft het hof deze geweigerd. De desbetreffende stukken, die ook nog zonder begeleidende brief zijn ingediend, maken derhalve geen deel uit van de gedingstukken. 3De beoordeling 3.1. De rechtbank heeft het verzoek van (onder andere) [appellante] om [geïntimeerde] in staat van faillissement te verklaren bij beschikking waarvan beroep afgewezen. De rechtbank heeft daarbij (onder meer) geoordeeld dat sprake is van een omvangrijk geschil dat zo complex is dat het zich niet leent voor de summiere behandeling zoals voorgeschreven in de Faillissementswet. Niet alleen de vorderingen van verzoekers (hof: naast [appellante] waren er meer verzoekers) kunnen niet summierlijk worden vastgesteld, maar ook de steunvorderingen niet. Dit omdat deze vorderingen allemaal zijn gebaseerd op dezelfde garantstelling, die tussen partijen ter discussie staat. 3.2. [appellante] kan zich met dit oordeel niet verenigen en is hiervan in hoger beroep gekomen. Zij voert, kort samengevat, het volgende aan. 3.2.1. [B.V. 2] B.V. (hierna: [B.V. 2] ) is een op 24 november 2023 opgerichte vennootschap waarin een spoorwegmaatschappij wordt geëxploiteerd. De (indirecte) aandeelhouders van [B.V. 2] zijn [geïntimeerde] , [B.V. 3] B.V., [B.V. 4] B.V. en [B.V. 5] B.V. [B.V. 2] heeft voor haar activiteiten een licentie nodig van de Inspectie Leefomgeving & Transport (hierna: ILT). Ter verkrijging van die licentie, hebben de vier (indirecte) aandeelhouders, waaronder dus [geïntimeerde] , op 12 december 2024 een garantstelling getekend. [appellante] heeft transportdiensten verzorgd voor [B.V. 2] en heeft een vordering op [B.V. 2] , die [B.V. 2] niet kan voldoen. [B.V. 2] is inmiddels failliet verklaard. Volgens [appellante] kan [geïntimeerde] op grond van de garantstelling worden aangesproken voor de schulden van [B.V. 2] . [appellante] stelt dan ook dat zij op grond van de garantstelling een vordering op [geïntimeerde] heeft van € 1.263.268,42, die [geïntimeerde] weigert te betalen. Daarnaast zijn er steunvorderingen (achterstallig salaris) van (oud) medewerkers van [B.V. 2] , die volgens [appellante] ook onder de garantstelling vallen. Ter zitting in hoger beroep noemt [appellante] nog de partijen [partij 1] en [partij 2] , die vorderingen op [B.V. 2] hebben en daarom ook een beroep op de garantstelling kunnen doen. 3.3. [geïntimeerde] betwist het vorderingsrecht van [appellante] . Volgens haar komt aan [appellante] geen beroep toe op de garantstelling omdat (kort gezegd)
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.