GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.343.235/01 arrest van 16 september 2025 in de zaak van [appellante] , wonende te [woonplaats] , appellante, hierna aan te duiden als [appellante] , advocaat: mr. M.R.E. Gelok te Roosendaal, tegen [geïntimeerde] , wonende te [woonplaats] , geïntimeerde, hierna aan te duiden als [geïntimeerde] , advocaat: mr. C.G.A. Mattheussens te Roosendaal. op het bij exploot van dagvaarding van 26 juni 2024 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 28 maart 2024, door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, gewezen tussen [appellante] als eiseres en [geïntimeerde] als gedaagde. 1Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/02/414148 / HA ZA 23-490) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis. 2Het geding in hoger beroep Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep met een grief en een productie; de memorie van antwoord tevens houdende incidenteel appel met producties; de memorie van antwoord in het incidenteel appel; de mondelinge behandeling van 18 april 2025, waarbij partij [geïntimeerde] spreekaantekeningen heeft overgelegd; de op 27 maart 2024 door mr. Mattheussens ter griffie gedeponeerde agenda’s jaren 2018 - 2023; de bij H-12 formulier van 1 april 2025 door [geïntimeerde] toegezonden producties, die bij de mondelinge behandeling bij akte in het geding zijn gebracht. Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. 3De beoordeling 3.
- In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten. 3.1.
- [geïntimeerde] is een nicht van [appellante] . Zij is de dochter van de zus van [appellante] . 3.1.
- [appellante] was getrouwd met [persoon A] (hierna: [persoon A] ). [appellante] en [persoon A] waren woonachtig in [A] . In 2018 zijn zij verhuisd naar [B] . Op 19 oktober 2018 hebben [appellante] en [persoon A] een bedrag van € 20.000,- in contanten opgenomen en op 9 november 2018 een bedrag van € 25.000,-. Het bedrag van in totaal € 45.000,- werd aan [geïntimeerde] gegeven om te bewaren en daarvan op afroep geld aan [appellante] en [persoon A] te verstrekken. 3.1.
- [appellante] heeft op 22 januari 2019 een levenstestament laten opstellen bij de notaris, waarbij [persoon A] en [geïntimeerde] zowel gezamenlijk als ieder afzonderlijk als gevolmachtigde zijn aangewezen. Ook werd [geïntimeerde] gemachtigd om de bankrekening van [appellante] en [persoon A] te beheren. 3.1.
- Op 15 augustus 2019 is [persoon A] overleden. 3.1.
- [geïntimeerde] heeft op 7 oktober 2019 een bedrag van € 20.000,- opgenomen van de bankrekening van [appellante] . 3.1.
- [appellante] en [geïntimeerde] hebben elkaar diverse berichten via Whatsapp gestuurd. Op 18 september 2019 schrijft [appellante] om 16.18 uur aan [geïntimeerde] via Whatsapp:“Dank je. Weet jij wat je vervoerd hebt?” [geïntimeerde] reageert hier diezelfde dag om 16.19 uur op: “20 (naar tante gebracht in twee enveloppe van 10)”. De procedure bij de rechtbank 3.2.
- In de onderhavige procedure vorderde [appellante] in eerste aanleg - voor zover van belang in hoger beroep - betaling door [geïntimeerde] van een bedrag van in totaal€ 73.724,95, te verhogen met de wettelijke rente over € 65.000,- vanaf 1 oktober 2023, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van deze procedure waaronder begrepen de nakosten. 3.2.
- Aan deze vordering heeft [appellante] , kort samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. [appellante] heeft aan [geïntimeerde] een bedrag van in totaal € 45.000,- ‘in bewaring gegeven’ en [geïntimeerde] heeft, zonder dat [appellante] dat wist, een bedrag van € 20.000,-- van de bankrekening van [appellante] opgenomen. [geïntimeerde] heeft dit bedrag van in totaal € 65.000,--, ondanks diverse verzoeken daartoe, niet teruggestort. [appellante] heeft recht en belang om dit ten onrechte toegeëigende terug te vorderen. 3.2.
- [geïntimeerde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen. 3.2.
- Bij mondelinge uitspraak opgenomen in een proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van 28 maart 2024 heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant [geïntimeerde] veroordeeld tot betaling aan [appellante] van een bedrag van € 39.000,-- vermeerderd met wettelijke rente over € 19.000,-- vanaf de dag van dagvaarden tot aan de dag van volledige betaling en over een € 20.000,-- vanaf oktober 2019 tot aan de dag van volledige betaling. Tevens is [geïntimeerde] veroordeeld in de proceskosten. De procedure in hoger beroep 3.
- [appellante] heeft in hoger beroep een grief aangevoerd. [appellante] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en opnieuw rechtdoende, onder instandhouding van de wel toegewezen delen van de vordering van [appellante] : [geïntimeerde] bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [appellante] te betalen het bedrag van € 20.000,-, te verhogen met de wettelijke rente vanaf 19 oktober 2018, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties. 3.
- Bij memorie van antwoord tevens houdende incidenteel hoger beroep heeft [geïntimeerde] in principaal hoger beroep geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en te bepalen dat de vorderingen alsnog aan [appellante] moeten worden ontzegd met veroordeling van [appellante] in de kosten van de procedures in eerste aanleg en in hoger beroep. 3.
- In incidenteel hoger beroep heeft [geïntimeerde] drie grieven naar voren gebracht. [geïntimeerde] heeft het hof daarbij verzocht het vonnis waarvan beroep te vernietigen met bepaling dat de vorderingen alsnog aan [appellante] dienen te worden ontzegd als zijnde ongegrond en of onbewezen met veroordeling van [appellante] in de kosten van de procedures in eerste aanleg en in hoger beroep. 3.6 Bij memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep heeft [appellante] primair geconcludeerd [geïntimeerde] niet-ontvankelijk te verklaren in het incidenteel hoger beroep en subsidiair het ingestelde incidenteel hoger beroep ongegrond te verklaren en het bestreden vonnis, zo nodig onder verbetering c.q. aanvulling van de gronden, te bekrachtigen en met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten in beide instanties. Beoordeling van de grieven in principaal en incidenteel hoger beroep 3.
- Het hof ziet aanleiding om de grief in principaal hoger beroep en grief 1 in incidenteel hoger beroep gezamenlijk te behandelen gelet op de onderlinge samenhang. Deze grieven komen er – verkort weergegeven – op neer dat volgens [appellante] van het aan [geïntimeerde] in bewaring gegeven bedrag in contanten van in totaal € 65.000,- niets is terugbetaald aan [appellante] , terwijl volgens [geïntimeerde] dit bedrag integraal aan [appellante] is terugbetaald. 3.
- [appellante] voert ter toelichting op haar grief aan dat uit de inhoud van de overgelegde Whatsapp-berichten niet kan worden afgeleid dat [geïntimeerde] een bedrag van € 20.000,- aan [appellante] heeft terugbetaald. Zij wijst er daarbij op dat de overgelegde tekst van de gevoerde Whatsapp-communicatie op een onderdeel is gewijzigd, zodat daarop niet kan worden afgegaan. Volgens [appellante] wordt in de berichten, voordat wijziging heeft plaatsgevonden, niet gesproken over enige geldbedragen, maar louter over getallen en enveloppes. [appellante] betwist dat door haar een bedrag van € 20.000,- is retour ontvangen. Zij had dat bedrag toen helemaal niet nodig, aldus [appellante] . 3.
- [geïntimeerde] betoogt op haar beurt dat door haar voldoende is gesteld waaruit volgt dat zij - naast het bedrag van € 20.000,- in twee enveloppes - ook het bedrag van € 45.000,- heeft teruggegeven aan [appellante] . [geïntimeerde] wijst daarbij ter toelichting op de overzichten over de jaren 2018 tot en met 2023 van teruggegeven bedragen die zij als producties in het geding heeft gebracht. Daarnaast zijn afschriften in het geding gebracht van fiscale aangiftes en aanslagen over 2018, pagina’s uit de agenda’s van [geïntimeerde] over de jaren 2018 tot en met 2021, zijn agenda’s over de jaren 2018-2023 gedeponeerd en zijn diverse foto’s van [appellante] waaronder van [appellante] met haar zus en gekochte althans gepaste nieuwe kleding overgelegd, aldus [geïntimeerde] . 3.
- Het hof stelt het volgende voorop. Tussen partijen staat vast dat door [appellante] en [persoon A] op 19 oktober 2018 een bedrag van € 20.000,- in contanten aan [geïntimeerde] is gegeven en op 9 november 2018 een bedrag van € 25.000,-. Ook bestaat er geen discussie over dat door [geïntimeerde] op 7 oktober 2019 een bedrag van € 20.000,- is opgenomen van de bankrekening van [appellante] . In totaal heeft [geïntimeerde] aldus een bedrag in contanten ontvangen van € 65.000,-. Verder is niet in geschil dat [geïntimeerde] jegens [appellante] gehouden is dit bedrag aan [appellante] terug te geven. Naar het oordeel van het hof is hier sprake van bewaarneming als bedoeld in artikel 7:600 BW in die zin dat [geïntimeerde] als bewaarnemer zich heeft verbonden om de bedragen die [appellante] als bewaargever haar toevertrouwt, te bewaren en terug te geven. Daarbij is van belang dat op grond van artikel 7:602 BW de bewaarnemer bij de bewaring de zorg van een goed bewaarder in acht moet nemen. De omvang van de op de bewaarder rustende zorgplicht is afhankelijk van alle omstandigheden van het concrete geval. 3.
- [geïntimeerde] betoogt dat het bedrag van € 65.000,- integraal is teruggeven aan [appellante] (en [persoon A] ), maar dat wordt door [appellante] betwist met uitzondering van een bedrag van € 6.000,-. Naar het oordeel van het hof betreft het betoog van [geïntimeerde] een bevrijdend verweer en rust daarmee op [geïntimeerde] , nu zij zich op de rechtsgevolgen van haar stellingen beroept, de stelplicht en bij voldoende gemotiveerde betwisting de bewijslast van haar stellingen. 3.
- Door [geïntimeerde] wordt ter onderbouwing van haar verweer in de eerste plaats gewezen op de Whatsapp-correspondentie die tussen [appellante] en [geïntimeerde] is gevoerd. Daarin valt op 18 september 2019 te lezen dat er door [geïntimeerde] is vervoerd naar [appellante] : “20 (naar tante gebracht in twee enveloppe van 10)” (zie rechtsoverweging 3.1.5.). Volgens [geïntimeerde] kan daaruit worden afgeleid dat door [geïntimeerde] een bedrag van € 20.000,- is terugbetaald aan [appellante] . [appellante] heeft dit weliswaar betwist, maar het hof is van oordeel dat [appellante] die betwisting ook in hoger beroep onvoldoende heeft gemotiveerd, terwijl dat wel op haar weg had gelegen. Zo heeft zij geen verklaring gegeven voor wat er dan wel in deze enveloppen is vervoerd en waarop de genoemde getallen van ’20’ en ‘10’ betrekking hebben. [appellante] heeft weliswaar aangevoerd dat de tekst van de overgelegde Whatsapp-berichten door [geïntimeerde] is gewijzigd om te misleiden, maar het hof gaat hieraan voorbij nu [geïntimeerde] heeft toegelicht dat [geïntimeerde] louter ter verduidelijking tussen haakjes de tekst “(naar tante gebracht in twee enveloppe van 10 )” heeft toegevoegd. [appellante] erkent dat zij zich niet exact herinnert waarom zij destijds bij [geïntimeerde] informeerde naar wat er vervoerd was. De enige logische verklaring die [appellante] daaromtrent aanvoert - dat de bedragen door [geïntimeerde] zijn vervoerd naar Van der Valk - acht het hof geen voldoende onderbouwing van haar betwisting gelet op het feit dat in het Whatsapp-bericht juist staat vermeld dat de twee enveloppes naar tante zijn gebracht (en dus niet naar Van der Valk). Hier komt bij dat [appellante] en [geïntimeerde] ook in overige Whatsapp-berichten tussen 2019 en 2021 regelmatig spraken over af te geven enveloppen met geld en over te boeken bedragen aangeduid in duizendtallen (zie productie B bij memorie van antwoord). Verder neemt het hof in aanmerking dat [appellante] ter zitting in eerste aanleg en hoger beroep ook heeft erkend dat zij van [geïntimeerde] een aantal enveloppen met geld heeft ontvangen (zij het dat het volgens haar kleinere bedragen betrof). Het voorgaande in onderling verband in ogenschouw nemende, gaat het hof er met de rechtbank vanuit dat er een bedrag van € 20.000,- door [geïntimeerde] naar [appellante] is vervoerd en aldus is terugbetaald. 3.
- Door [geïntimeerde] is verder aangevoerd dat ook het resterende bedrag van € 45.000,- is terugbetaald. Ter onderbouwing hiervan wijst [geïntimeerde] op de in het geding gebracht overzichten over de jaren 2018 tot en met 2023 van teruggegeven bedragen die zij als producties E tot en met J in het geding heeft gebracht. Daarbij zijn afschriften gevoegd van fiscale aangiftes en aanslagen van [appellante] (en [persoon A] ) over 2018, pagina’s uit de agenda’s van [geïntimeerde] over de jaren 2018 tot en met 2021, geplaatste berichten in sociale media en foto’s van [appellante] en /of [persoon A] met [appellante] in aangekochte althans gepaste kleding. [appellante] heeft tevens voornoemde agenda’s gedeponeerd, waarin handgeschreven aantekeningen zijn opgenomen. Geen grief is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat [appellante] heeft erkend dat zij van [geïntimeerde] een aantal enveloppen met geld heeft ontvangen en dat gezien die erkenning een bedrag van € 6.000,- zal worden afgewezen. Voor het overige zijn aankopen c.q. terugbetalingen gemotiveerd betwist door [appellante] . 3.
- Naar het oordeel van het hof is hetgeen [geïntimeerde] aanvoert onvoldoende om aan te nemen dat door [geïntimeerde] € 39.000,- is terugbetaald althans is betaald voor aankopen van [appellante] (en / [persoon A] ). Hieraan ligt het volgende ten grondslag. Aan de overzichten met door [geïntimeerde] terugbetaalde bedragen komt – gelet op de gemotiveerde betwisting van die terugbetalingen door [appellante] – onvoldoende waarde toe, nu deze eenzijdig door [geïntimeerde] zelf achteraf zijn opgesteld en gelet op het feit dat uit de daarbij gevoegde bijlagen onvoldoende kan worden opgemaakt. Uit afschriften van pagina’s uit de agenda’s van [geïntimeerde] over de jaren 2018 tot en met 2021 en het depot valt als zodanig niet af te leiden of op die dagen enig bedrag door [geïntimeerde] is voldaan aan of voor [appellante] (en /of [persoon A] ). Dat geldt ook voor de foto’s die van [appellante] en/of [persoon A] zijn gemaakt in kledingwinkels, het afschrift van de aankoopbon (zoals overgelegd bij productie H, bijlage 6 bij memorie van antwoord tevens houdende incidenteel appel), geplaatste berichten op sociale media en / of fiscale aangiftes/aanslagen, ook wanneer deze in onderling verband beschouwd worden. Anders dan [geïntimeerde] stelt komt aan deze producties in dit geval geen elkaar versterkende bewijskracht toe omdat deze stukken daarvoor te onbepaald en onduidelijk zijn. Handgeschreven aantekeningen in de agenda van [geïntimeerde] met louter een naam of tijdstip van een afspraak leveren geen bewijs van betaling. Er volgt hieruit niet dat enig bedrag is voldaan aan of voor [appellante] (en [persoon A] ) en evenmin is hiervoor enig aanknopingspunt te vinden. Hier komt bij dat zoals namens [appellante] ter zitting in hoger beroep is aangevoerd de volgens [geïntimeerde] terugbetaalde bedragen over de periode 2018 tot en met 2023 niet uitkomen op het bedrag van € 45.000,-, maar dit bedrag overschrijden. [geïntimeerde] heeft hiervoor geen sluitende verklaring kunnen geven, anders dan dat de berekening achteraf is opgesteld. Het gevolg hiervan is dat [geïntimeerde] haar stellingen, mede gelet op de gemotiveerde betwisting door [appellante] , onvoldoende heeft onderbouwd. Wellicht ten overvloede overweegt het hof dat gelet op de op [geïntimeerde] rustende zorgplicht als bedoeld in artikel 7:602 BW van [geïntimeerde] verwacht had mogen worden dat zij een deugdelijke administratie van de in ontvangst genomen en terugbetaalde bedragen zou hebben bijgehouden. Daarbij neemt het hof mede in aanmerking dat sprake is van familieverhoudingen, hoge bedragen aan contanten en een hoge leeftijd van [appellante] (en [persoon A] ). Ter zitting in hoger beroep heeft [geïntimeerde] desgevraagd aangegeven dat zij weliswaar een grote verantwoordelijkheid droeg, maar niettemin vanwege de vertrouwensband geen kwitanties heeft gevraagd van [appellante] (en [persoon A] ), maar dit achteraf wel betreurt. 3.
- Het voorgaande betekent dat noch grief 1 in principaal hoger beroep, noch grief 1 in incidenteel hoger beroep slaagt. 3.
- Met grief 2 in incidenteel hoger beroep betoogt [geïntimeerde] dat zij op grond van artikel 166 Rv toegelaten dient te worden tot bewijslevering. Het hof verwerpt deze grief nu [geïntimeerde] haar stellingen ook in hoger beroep onvoldoende heeft onderbouwd om tot bewijslevering te worden toegelaten. Het hof verwijst in dit kader naar hetgeen onder rechtsoverweging 3.
- is geoordeeld. Daarbij geldt bovendien dat ten aanzien van het aanbod om nadere schriftelijke stukken in het geding te brengen niet valt in te zien waarom [geïntimeerde] daartoe niet reeds is overgegaan in eerste aanleg dan wel in hoger beroep. Ook om die reden is bewijslevering niet aan de orde. Grief 2 faalt aldus. 3.
- Grief 3 in incidenteel hoger beroep is gericht tegen de proceskostenveroordeling van [geïntimeerde] . Gelet op het falen van de overige grieven slaagt deze grief evenmin. Slotsom en afwikkeling 3.
- De slotsom is dat het vonnis waarvan beroep wordt bekrachtigd gelet op het falen van zowel de grieven in principaal hoger beroep als in incidenteel hoger beroep. Hieruit volgt dat de vordering van [appellante] om [geïntimeerde] tot een hoger bedrag te veroordelen dan hetgeen is toegewezen door de rechtbank wordt, niet toewijsbaar is. Bewijslevering is niet aan de orde. 3.
- Het hof zal [appellante] als de in het ongelijk gestelde partij in het principaal hoger beroep in de kosten van het principale hoger beroep veroordelen. Deze kosten zullen aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld worden op: Griffierechten € 349,- Salaris advocaat € 2.428,- (2 punten x tarief II) Nakosten € 178,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 2.955,- 3.
- Als de in het incidenteel hoger beroep in het ongelijk gestelde partij zal [geïntimeerde] in de proceskosten van het incidenteel hoger beroep worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [appellante] worden als volgt begroot: - Salaris advocaat € 1.214,00 (2 punten x 1/2 tarief II) - Nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal: € 1.392,00 4De uitspraak Het hof: In principaal en incidenteel hoger beroep bekrachtigt het vonnis waarvan beroep; veroordeelt [appellante] in de proceskosten in het principaal hoger beroep, en begroot deze kosten aan de zijde van [geïntimeerde] op € 2.955,- te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [appellante] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het arrest daarna wordt betekend, dan moet [appellante] € 92,- extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening; veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten in het incidenteel hoger beroep, en begroot deze kosten aan de zijde van [appellante] op € 1.392,- te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [geïntimeerde] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het arrest daarna wordt betekend, dan moet [geïntimeerde] € 92,- extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening; verklaart deze proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad; wijst het meer of anders gevorderde af. Dit arrest is gewezen door mrs. A.C. van Campen, Y.L.L.A.M. Delfos-Roy en H.J. Tulp en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 16 september
- griffier rolraadsheer