Parketnummer : 20-002582-24 Uitspraak : 7 augustus 2025 TEGENSPRAAK (ex. art 279 Sv) Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 24 september 2024, in de strafzaak met parketnummer 03-065632-24, tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1951, wonende te [adres] . Hoger beroep Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het tenlastegelegde bewezenverklaard en dat gekwalificeerd als: - met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd (feiten 1 en 3), en - ontucht plegen met een aan zijn zorg en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd (feit 2), de verdachte deswege strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren. De rechtbank heeft aan het voorwaardelijke strafdeel, naast een algemene voorwaarde, tevens bijzondere voorwaarden verbonden. Daarnaast heeft de rechtbank de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van € 6.108,80, bestaande uit € 1.108,80 aan materiële schade en € 5.000,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij is ten aanzien van het meergevorderde aan materiële schade niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft voorts het meergevorderde aan immateriële schade afgewezen. Ten slotte is de verdachte veroordeeld in de proceskosten van de benadeelde partij, tot op dat moment begroot op nihil. Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, met uitzondering van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en de door de rechtbank opgelegde schadevergoedingsmaatregel en, in zoverre opnieuw rechtdoende, deze vordering gedeeltelijk zal toewijzen tot een bedrag van € 11.108,80, bestaande uit € 1.108,80 aan materiële schade en € 10.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en de benadeelde partij in het overige niet-ontvankelijk zal verklaren. Door de verdediging is een straftoemetingsverweer gevoerd. Daarnaast zijn opmerkingen gemaakt ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis, met aanvulling van de gronden waarop dit berust, met uitzondering van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] en de opgelegde schadevergoedingsmaatregel. Het hof acht voorts aangewezen om de strafoverweging aan te vullen op de wijze als hierna vermeld. Ten slotte worden de toepasselijke wettelijke voorschriften opnieuw opgenomen onder toevoeging van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht. Aanvulling van de bewijsmiddelen Het hof verenigt zich met de in het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, op 24 september 2024 gebezigde bewijsmiddelen, zoals weergegeven op pagina’s 2 tot en met 6, met aanvulling van het volgende. I. Het hof is van oordeel dat het bewijsmiddel ‘het proces-verbaal van aangifte van [aangever 1] van 30 maart 2023’, zoals door de rechtbank is opgenomen op pagina 3 van het vonnis, aanvulling behoeft en vult deze als volgt aan: (pagina 113) Als hij in de buurt kwam van mijn kruis of borstkas dan deed ik hem wel slaan. Dit is vaak gebeurd. Sowieso meer dan 10 keer. Elke keer als hij langs kwam voor koffie. II. Het hof heeft in de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen geconstateerd dat de geboortedata van de slachtoffers ontbreken, terwijl deze wel in de bewezenverklaringen zijn opgenomen. Gelet hierop is het hof van oordeel dat de bewijsmiddelen aanvulling behoeven en vult deze als volgt aan: - Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 2] van 15 februari 2022, pag. 26 tot en met 32 (zoals weergegeven op pagina 2 van het vonnis): (pagina 26) Achternaam : [aangever 2] Voornamen : [aangever 2] Geboren : [geboortedatum 1] - Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 1] van 30 maart 2023, pag. 104 tot en met 118 (zoals weergegeven op pagina 3 van het vonnis): (pagina 104) Achternaam : [aangever 1] Voornamen : [aangever 1] Geboren : [geboortedatum 2] - Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] van 7 maart 2023, pag. 58 tot en met 71 (zoals weergegeven op pagina’s 4 en 5 van het vonnis): (pagina 58) Achternaam : [slachtoffer] Voornamen : [slachtoffer] Geboren : [geboortedatum 3] Aanvullende strafoverweging Door de verdediging is in hoger beroep aan het hof verzocht om te volstaan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van één dag, in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf van substantiële duur. Daartoe is aangevoerd dat de verdachte wegens zijn hoge leeftijd en verslechterde gezondheidssituatie niet detentiegeschikt is. De verdachte is gediagnosticeerd met COPD, is in het verleden behandeld voor kanker en heeft binnenkort meerdere afspraken staan bij het ziekenhuis in verband met de mogelijke voortzetting van kanker. Daarnaast is door de raadsman van de verdachte verzocht om geen bijzondere voorwaarden aan een eventueel voorwaardelijk strafdeel te verbinden. In hetgeen de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep ter zake van de persoonlijke omstandigheden naar voren heeft gebracht, ziet het hof geen aanleiding om te komen tot een andere straftoemeting dan de rechtbank. Ter onderbouwing van het standpunt dat de verdachte thans niet detentiegeschikt is, beschikt het hof slechts over een door de raadsman ter terechtzitting overgelegde afsprakenkaart van het ziekenhuis van de verdachte. De verdachte is verder zelf niet op de zitting in hoger beroep verschenen om zijn actuele gezondheidstoestand nader toe te lichten. Gelet op de thans voorhanden stukken, is naar het oordeel van het hof onvoldoende onderbouwd waarom de verdachte medisch gezien detentie ongeschikt zou zijn. Ook overigens is het hof niet van zodanig zwaarwegende persoonlijke omstandigheden gebleken dat zij op dit moment een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in de weg staan. Het dossier noch het verhandelde ter terechtzitting zijn voor het hof aanleiding om hiernaar nader onderzoek te gelasten. Ofschoon voor het hof genoegzaam aannemelijk is geworden dat detentie voor de verdachte, gezien zijn medische achtergrond, aanzienlijk zwaarder zal zijn dan voor een gemiddelde tot gevangenisstraf veroordeelde verdachte, ziet het hof daarin onvoldoende grond om over te gaan tot oplegging van een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf in combinatie met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van één dag, zoals door de verdediging is aangevoerd. Het hof merkt daarbij op dat in detentie voldoende mogelijkheden zijn om de verdachte de medische zorg te bieden die hij nodig heeft. Bovendien is het hof van oordeel dat de door de verdediging verzochte strafafdoening onvoldoende recht doet aan de ernst van de bewezenverklaarde feiten. De verdachte heeft immers over meerdere langdurige periodes zich structureel schuldig gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen met drie minderjarige jongens, die toen allen de leeftijd van tien jaren nog niet hadden bereikt. Het hof heeft daarnaast bij de bepaling van de hoogte van de straf acht geslagen op de straffen die door dit hof in vergelijkbare zaken worden opgelegd en wijst in dat verband ook op de ‘Richtlijn voor strafvordering seksueel misbruik van minderjarigen (2024R005)’ van het Openbaar Ministerie, die in geval van seksuele gedragingen bij (slechts) één slachtoffer die de leeftijd van twaalf jaren niet heeft bereikt, meer specifiek het betasten van een blote penis, uitgaan van een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden. Om die reden is het hof van oordeel dat met de door de rechtbank opgelegde straf al voldoende rekening is gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte in de hoogte van de eerder opgelegde gevangenisstraf. Gelet op het voorgaande, ontbreken in hoger beroep termen om te komen tot een andere afdoening dan de rechtbank en zal het hof de strafoplegging van de rechtbank, te weten gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, bevestigen. Bovendien acht het hof het met de rechtbank noodzakelijk om aan het voorwaardelijke strafdeel de bijzondere voorwaarden te verbinden zoals door de rechtbank is opgelegd, waaronder een meldplicht bij de reclassering en de plicht om mee te werken aan een intake en, indien geïndiceerd, de plicht zich laten behandelen waarbij aandacht is voor seks en zeden. Het hof heeft hierbij in aanmerking genomen de verklaring van de verdachte in het politieverhoor van 21 augustus 2018 (pagina’s 56 tot en met 64 van het in de onderhavige strafzaak gevoegde dossier met proces-verbaalnummer 2018090439), waaruit blijkt dat de verdachte – naar eigen zeggen – ook ongeveer dertig jaren geleden de penis van zijn eigen zoon [betrokkene] heeft aangeraakt en dat hij daarvoor drie maanden in therapie is geweest. Voorts heeft de verdachte verklaard dat hij een aantal jaren geleden een terugval heeft gehad, de huisarts hem verder niet heeft kunnen helpen en dat hij om de zoveel jaren nog steeds de drang heeft om aan een penis van een jongen te zitten. De verdachte heeft in dit verband verklaard: “Ik kan er niks aan doen. Het is net een junk, krijgt hij zijn spuit dan puufff. Dat heb ik dan ook die drang. Dat komt, die drang, om de zoveel jaren.” Het hof leidt uit het voorgaande af dat bij de verdachte kennelijk sprake is van langdurige en terugkerende problematiek, waarvoor de verdachte in het verleden reeds in behandeling is geweest zonder dat daarmee is bereikt te voorkomen dat de verdachte opnieuw de drang om zich te vergrijpen aan jonge kinderen kon weerstaan. Nu thans geen behandeling erin is geslaagd om de langdurige en terugkomende problematiek van de verdachte te verhelpen en het hof een risico op recidive, ondanks de hiervoor beschreven actuele persoonlijkheden van de verdachte, niet verwaarloosbaar acht, acht het hof, evenals de rechtbank, het noodzakelijk dat bijzondere voorwaarden aan het voorwaardelijke strafdeel worden gesteld. Daarom wordt ook in zoverre de strafoplegging door de rechtbank bevestigd. Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 31.383,80, bestaande uit € 21.383,80 aan materiële schade en € 10.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Deze vordering behelst de volgende posten: Materieel Reiskosten € 1.108,80 Geleden studievertraging € 20.275,00 Subtotaal € 21.383,80 Immaterieel € 10.000,00 Totaal € 31.383,80 Bij het vonnis waarvan beroep is de vordering gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van € 6.108,80, bestaande uit € 1.108,80 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 september 2024, en € 5.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 juni
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.