← Nederland

ECLI:NL:GHSHE:2025:2734

Parketnummer : 20-000880-24 Uitspraak : 30 september 2025 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 26 maart 2024, in de strafzaak met parketnummer 02-026715-23 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling met v.i.-zaaknummer 99-001112-43, tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1991, wonende te [adres] . Hoger beroep Bij vonnis waarvan beroep, is de verdachte ter zake:

  1. opzetheling en
  2. opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 150 uur, subsidiair 75 dagen hechtenis. Tevens is de teruggave aan de verdachte gelast van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven geldbedrag van € 12.389,00 (G2485291). De rechtbank heeft voorts de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling toegewezen en gelast dat het gedeelte van de vrijheidsstraf dat als gevolg van de toepassing van de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling niet ten uitvoer is gelegd, alsnog gedeeltelijk moet worden ondergaan, te weten voor de duur van 6 maanden. Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis zal bevestigen, inclusief de beslissing op de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling, met uitzondering van de opgelegde straf en opnieuw rechtdoende de verdachte zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis. Namens de verdachte is vanwege diens bekennende verklaring geen verweer gevoerd tegen de bewezenverklaring van de rechtbank en de kwalificatie daarvan. Wel is verweer gevoerd ten aanzien van de beslissing van de rechtbank op de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling en in samenhang daarmee ook ten aanzien van de opgelegde straf. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop dit berust, onder verbetering van de bewijsvoering voor het onder 1 bewezenverklaarde feit, behalve voor wat betreft de opgelegde straf en de strafmotivering. De bewijsvoering behoeft, mede gelet op hetgeen in hoger beroep aan de orde is gekomen, verbetering. Het bewijsmiddel onder het 7e gedachtestreepje “het proces-verbaal van aangifte van diefstal/woninginbraak door [benadeelde] d.d. 28 februari 2022 en de goederenlijst op pagina 178 en 189 van het eindproces-verbaal” wordt door het hof geschrapt. Op te leggen sanctie Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan opzetheling van diverse sieraden, munten en horloges. Hiermee heeft de verdachte meegewerkt aan het in stand houden van een afzetmarkt voor goederen die van misdrijf afkomstig zijn. Heling van gestolen goederen leidt ertoe dat de plegers van diefstal geldelijk voordeel kunnen trekken uit de door hen gepleegde strafbare feiten, terwijl deze feiten leiden tot financiële schade en ernstige overlast voor de eigenaren van de weggenomen goederen. Daar komt bij dat het wegnemen van die goederen doorgaans gepaard gaat met geweld of een woning- of voertuiginbraak met alle gevolgen voor de slachtoffers van dien. Daarnaast heeft de verdachte 2.055 gram hennep aanwezig gehad. Het gebruik van hennep kan gevaar opleveren voor de gezondheid van de gebruikers ervan. Het gebruik van verdovende middelen werkt verslaving in de hand met veelal vermogensdelicten en overlast in de samenleving tot gevolg. Daarbij komt dat de handel in dergelijke drugs leiden tot zeer ernstige vormen van criminaliteit. De verdachte heeft zich met zijn handelen niet bekommerd om de nadelige gevolgen hiervan. Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat hij heeft gehandeld zoals is bewezenverklaard. Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 23 juni 2025, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat hij eerder onherroepelijk voor vermogensdelicten is veroordeeld. Op 31 januari 2020 is de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes jaar voor dertig inbraken. Ten aanzien van de heling, ook een vermogensdelict, geldt dan ook dat sprake is van recidive. Dit weegt het hof in strafverzwarende zin mee. Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. De verdachte heeft naar voren gebracht dat hij inmiddels van zijn verslaving en schulden af is, dat hij werkzaam is als dakdekker, dat hij begin dit jaar getrouwd is en dat zijn vrouw die nog in Marokko verblijft maar naar Nederland wil komen, in verwachting is. De verdachte lijkt zijn leven in positieve zin gewijzigd te hebben. Alles overziende, is het hof van oordeel dat de door de advocaat-generaal gevorderde taakstraf, passend en geboden is. Het hof zal aan de verdachte een taakstraf voor het hieronder te vermelden aantal uren opleggen. Vordering herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling Door de verdediging is ten aanzien van de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling verweer gevoerd. Daartoe is aangevoerd dat het voor de verdachte onduidelijk was wanneer de voorwaardelijke invrijheidstelling is ingegaan, omdat hij reeds in maart 2020 de gevangenis mocht verlaten. Eerst was er sprake van een korte strafonderbreking en daarna mocht hij buiten blijven met elektronisch toezicht. Op 26 juni 2020 is de enkelband verwijderd en heeft de verdachte met de reclassering een eindgesprek gehad. Vanaf dat moment verkeerde de verdachte in de veronderstelling dat de voorwaardelijke invrijheidstelling was gaan lopen. Hij beschikte ook over een verlofpas. Gelet op deze omstandigheden, alsmede gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, heeft de raadsman verzocht om de vordering af te wijzen en te verdisconteren in de op te leggen straf voor de feiten onder parketnummer 02-026715-23 door naast een taakstraf een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen voor de duur van 6 maanden, met een proeftijd van twee jaren. De verdachte heeft zijn leven in positieve zin gewijzigd en het moeten uitzitten van het resterende deel van de eerder opgelegde gevangenisstraf zal deze ontwikkeling doorkruisen. Het hof overweegt dienaangaande als volgt. De verdachte is bij arrest van dit hof van 31 januari 2020 onder parketnummer 20-000501-18 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren, met aftrek van voorarrest. Bij besluit voorwaardelijke invrijheidstelling van 24 september 2020 is de voorwaardelijke invrijheidstelling van de verdachte vastgesteld, onder de algemene voorwaarde dat hij geen strafbare feiten zal plegen. Daarnaast is een aantal bijzondere voorwaarden verbonden aan deze voorwaardelijke invrijheidstelling. Het gedeelte van de bij voormeld arrest opgelegde gevangenisstraf dat als gevolg van de toepassing van de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling niet ten uitvoer is gelegd, betreft 730 dagen en de proeftijd bedraagt eveneens 730 dagen. In het besluit staat vermeld dat de voorwaardelijke invrijheidstelling zal ingaan per 23 oktober
  3. De officier van justitie heeft op 25 april 2023 een vordering tot gehele herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling ingediend bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant wegens het niet naleven van de aan de invrijheidstelling verbonden algemene voorwaarde, te weten het niet plegen van strafbare feiten. Deze vordering is in eerste aanleg gedeeltelijk toegewezen, te weten voor 6 maanden en is in hoger beroep opnieuw aan de orde. Blijkens de akte, is het besluit voorwaardelijke invrijheidstelling op 8 oktober 2020 aan de verdachte in persoon uitgereikt. En hoewel de verdachte ter zitting aangaf dat hij zich niet kan herinneren dat hij op 8 oktober 2020 het besluit voorwaardelijke invrijheidstelling in ontvangst heeft genomen, heeft hij wel bevestigd dat de handtekening op de akte zijn handtekening is. Het hof stelt vast dat de verdachte dus bekend was met de datum, de proeftijd en de voorwaarden waaronder de voorwaardelijke invrijheidstelling is verleend. Het hof is van oordeel dat de voorwaardelijke invrijheidstelling daarom is aangevangen per 23 oktober
  4. Dat de verdachte eerder strafonderbreking heeft gehad en in het kader van het Penitentiair Programma met een enkelband buiten de gevangenis verbleef, maakt dat niet anders. Het hof stelt aldus vast dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd verbonden aan de voorwaardelijke invrijheidstelling schuldig heeft gemaakt aan de thans bewezen verklaarde feiten en derhalve de algemene voorwaarde heeft overtreden. De verdachte was een gewaarschuwd man en wist wat hem boven het hoofd hing, maar heeft desondanks wederom (soortgelijke) strafbare feiten gepleegd. In de door de raadsman aangevoerde omstandigheden, ziet het hof geen aanleiding om de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling voor een kortere periode toe te wijzen dan door de advocaat-generaal gevorderd. Het hof neemt daarbij in overweging dat een volledige herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling in beginsel ook passend zou zijn geweest en is van oordeel dat met slechts een gedeeltelijke herroeping, te weten voor de duur van 6 maanden, voldoende rekening wordt gehouden met de belangen van de verdachte. Voor het overige zal de vordering worden afgewezen. Toepasselijke wettelijke voorschriften De beslissing is gegrond op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 9, 22c, 22d, 57 en 416 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht. Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 100 (honderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 50 (vijftig) dagen hechtenis. Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige. Aldus gewezen door: mr. M.C.C. van de Schepop, voorzitter, mr. S.V. Pelsser en mr. J.J. Peters, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. N. van der Velden, griffier, en op 30 september 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken. mr. M.C.C. van de Schepop is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.