GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Meervoudige Belastingkamer Nummer: 23/1670 Uitspraak op het hoger beroep van [belanghebbende] B.V., gevestigd in [vestigingsplaats] , hierna: belanghebbende, tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 11 oktober 2023, nummer BRE 22/2453, in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst, hierna: de inspecteur. 1Ontstaan en loop van het geding 1.1. De inspecteur heeft een naheffingsaanslag overdrachtsbelasting opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht. 1.2. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar gegrond verklaard. 1.3. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. De zitting heeft plaatsgevonden op 17 juli 2025 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] , [inspecteur 2] en [inspecteur 3] . 1.6. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten. 1.7. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak in Mijn Rechtspraak wordt geplaatst. 2Feiten 2.1. Belanghebbende heeft tot 12 december 2020 drie aandeelhouders. [A NV] is voor 50%, [B BV] voor 25% en [C BV] voor 25% aandeelhouder in belanghebbende. Belanghebbende is voor 50% aandeelhouder in [D BV] Laatstgenoemde is eigenaar van een onroerende zaak aan de [adres] te [plaats] . De structuur kan als volgt worden weergegeven: [B BV] [C BV] 50% 50% [A NV] 25% 50% 25% [belanghebbende] BV 50% [D BV] 2.2. Op 12 december 2020 koopt belanghebbende de aandelen die [A NV] in haar hield in en trekt deze vervolgens in. [A NV] is na de inkoop van de aandelen ontbonden. Dit leidt tot de volgende, nieuwe structuur: [B BV] [C BV] 50% 50% [belanghebbende] BV 50% [D BV] 2.3. Belanghebbende doet op 12 januari 2021 aangifte overdrachtsbelasting waarbij zij onder verwijzing naar het Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 15 oktober 2015(hierna: het Besluit) verzoekt om volledige tegemoetkoming van de verschuldigde overdrachtsbelasting. 2.4. De inspecteur legt met dagtekening 2 december 2021 een naheffingsaanslag op naar een bedrag van € 49.350. Tevens is bij beschikking € 1.897 belastingrente in rekening gebracht. De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag verminderd tot € 24.675 en de rentebeschikking evenredig verminderd. 3Geschil en conclusies van partijen 3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vraag: Is de naheffingsaanslag terecht en naar het juiste bedrag opgelegd? 3.2. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar, tot vernietiging van de naheffingsaanslag overdrachtsbelasting, tot vernietiging van de beschikking belastingrente en tot vergoeding van de door belanghebbende gemaakte kosten in beroep en hoger beroep. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank. 4Gronden Ten aanzien van het geschil 4.1. Artikel 4 Wet op belastingen van rechtsverkeer (hierna: Wbr) luidt, voor zover van toepassing: ‘1. Als zaken als bedoeld in artikel 2 worden mede aangemerkt (fictieve onroerende zaken): a. aandelen in een rechtspersoon, waarvan de bezittingen op het tijdstip van de verkrijging of op enig tijdstip in het daaraan voorafgaande jaar grotendeels bestaan of hebben bestaan uit onroerende zaken en tegelijkertijd ten minste 30% van de bezittingen bestaat of heeft bestaan uit in Nederland gelegen onroerende zaken, mits de onroerende zaken, als geheel genomen, op dat tijdstip geheel of hoofdzakelijk dienstbaar zijn of waren aan het verkrijgen, vervreemden of exploiteren van die onroerende zaken; (…) 3. Bij toepassing van het eerste lid, onderdeel a, wordt ter zake van de verkrijging van aandelen alleen belasting geheven wanneer de verkrijger met inbegrip van de reeds aan hem toebehorende aandelen en ingevolge dezelfde of een samenhangende overeenkomst nog te verkrijgen aandelen: (…) b. als rechtspersoon, al dan niet tezamen met een verbonden lichaam of een verbonden natuurlijk persoon, voor ten minste een derde gedeelte belang in de rechtspersoon heeft.’ 4.2. Volgens belanghebbende moet vanaf de wijziging van artikel 4 Wbr per 1 januari 2008 het begrip ‘belang’ worden gelezen als ‘materieel belang’ of ‘economisch belang’. De ingekochte aandelen vormen geen materieel of economisch belang, aldus belanghebbende, omdat deze vanaf de inkoop volgens de wet en de statuten geen zeggenschap meer vertegenwoordigen en geen recht op winstuitkeringen meer hebben. Belanghebbende stelt dat zij met de inkoop van de helft van haar eigen aandelen daarom niet voor ten minste een derde gedeelte belang in zichzelf heeft verkregen en dus geen sprake is van een belastbaar feit. 4.3. Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende een onroerendezaakrechtspersoon (OZR) in de zin van artikel 4 Wbr is. 4.4. De Hoge Raad oordeelde dat de inkoop van aandelen door een OZR – mits voldaan aan de kwantitatieve eis – een belastbaar feit voor de overdrachtsbelasting vormt. Bij de invoering van artikel 4, lid 11, Wbr in 2011 is in de memorie van antwoord Eerste Kamer het volgende opgenomen: “ De leden van de fracties van het CDA en de VVD vragen of artikel 4, elfde lid van de WBR niet van toepassing is op inkoopsituaties. Op grond van het arrest van de Hoge Raad van 1 oktober 1980, BNB 1981/15, wordt de inkoop van aandelen door het onroerendezaaklichaam zelf beschouwd als een verkrijging van aandelen en is derhalve – bij verkrijging van ten minste een derde gedeelte belang – bij het lichaam belast. Daarnaast leidt op grond van het voorgestelde elfde lid, de intrekking van die aandelen wederom tot heffing van overdrachtsbelasting bij de overblijvende aandeelhouders. Ter voorkoming van cumulatie van belastingheffing acht ik in die situatie echter artikel 13, tweede lid, van de WBR van toepassing, waardoor dubbele heffing achterwege blijft.”. Hier leidt het hof uit af dat, ook na de door belanghebbende genoemde aanpassing van de Wbr, de inkoop van aandelen door een OZR een verkrijging is die bij dat lichaam is belast. De ingekochte aandelen blijven een waarde vertegenwoordigen die bijvoorbeeld bij herplaatsing zou kunnen worden verzilverd. Hier doet niet aan af dat belanghebbende zelf op de eigen ingekochte aandelen geen dividend ontvangt en geen stemrecht heeft en ook niet dat belanghebbende er voor heeft gekozen de ingekochte aandelen direct na de inkoop in te trekken. De heffing van overdrachtsbelasting vindt plaats op het moment van de verkrijging van de aandelen en over de waarde van het belang in de OZR. Het hof is in zoverre van oordeel dat er sprake is van een belastbaar feit en dat de overdrachtsbelasting (na de vermindering bij de uitspraak op bezwaar) juist is vastgesteld. 4.5. Met betrekking tot het beroep van belanghebbende op onderdeel 6.3 van het Besluit heeft de rechtbank als volgt overwogen: ‘4.4. Het Besluit bepaalt in onderdeel 6.3 het volgende. “De inkoop van eigen aandelen, dan wel de uitgifte van aandelen door een Ozr kan een belastbaar feit vormen voor de overdrachtsbelasting. Ik acht het niet in alle gevallen gewenst dat overdrachtsbelasting wordt geheven. Daarom keur ik het volgende goed. Goedkeuring Ik keur onder een voorwaarde goed dat op verzoek een tegemoetkoming wordt verleend voor het bedrag van de verschuldigde overdrachtsbelasting bij: – de verkrijging door een Ozr van eigen aandelen als gevolg van een inkoop, direct gevolgd door intrekking van de ingekochte aandelen; en, – de uitgifte (toekenning) van aandelen door een Ozr. Voorwaarde Voor deze goedkeuringen geldt de voorwaarde dat de onderlinge gerechtigdheid van de aandeelhouder(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.