← Nederland

ECLI:NL:GHSHE:2025:2787

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH Team familie- en jeugdrecht Uitspraak: 9 oktober 2025 Zaaknummer: 200.351.305/01 Zaaknummer eerste aanleg: C/01/401791/ FA RK 24-689 in de zaak in hoger beroep van: [de man] , wonende op een onbekend adres in India, verzoeker in hoger beroep, verweerder in incidenteel hoger beroep, hierna te noemen: de man, advocaat: mr. S. Koҫak, tegen [de vrouw] , wonende te [woonplaats] , verweerster in principaal hoger beroep, verzoekster in incidenteel hoger beroep, hierna te noemen: de vrouw, advocaat: mr. J.A.M. Schoenmakers. Deze zaak gaat over [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ), geboren op [geboortedatum] 2018 te [geboorteplaats] . In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend: de Raad voor de Kinderbescherming, hierna te noemen: de raad. 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 18 november 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. 2Het geding in hoger beroep 2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 18 februari 2025; - het verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 22 april 2025; - het verweerschrift in incidenteel hoger beroep, ingekomen ter griffie op 3 juni 2025. 2.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 12 augustus 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord: - de man (via CMS-verbinding), bijgestaan door mr. Koҫak en door K. Lemmen, tolk in de Engelse taal (tolkennummer 2481); -de vrouw, bijgestaan door mr. Schoenmakers; - de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] . 2.3. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van: - het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 4 november 2024; - het V6-formulier met bijlagen (producties 11 en 12) van de advocaat van de man d.d. 3 maart 2025; - het V6-formulier met bijlage (productie 10) van de advocaat van de man d.d. 6 maart 2025; - het V6-formulier met bijlage (productie 14) van de advocaat van de man d.d. 2 april 2025; - de brief van de raad d.d. 29 april 2025 (inzake de klacht van de man); - het V6-formulier met bijlage (productie 6) van de advocaat van de man d.d. 22 mei 2025; - het V6-formulier met bijlagen (producties 15 en 16) van de advocaat van de man d.d. 3 juni 2025; - het V6-formulier met bijlagen (producties 17-23) van de advocaat van de man d.d. 4 juni 2025; - het bericht van de advocaat van de man van 18 juli 2025; - het V6-formulier met bijlage van de advocaat van de vrouw d.d. 31 juli 2025. 2.3.1. De advocaat van de man heeft bij de producties 17 en 20 een aantal bestanden gevoegd die het hof wegens veiligheidsaspecten niet kon openen. Het hof heeft daarom de advocaat van de man verzocht om de desbetreffende bestanden op een USB-stick aan te leveren. De op 31 juli 2025 verzonden brief met als bijlage een USB stick (waarop producties 17 en 20 staan) heeft de griffie van het hof eerst op 12 augustus 2025, de datum van de mondelinge behandeling, ontvangen. De advocaat van de vrouw heeft verzocht deze stukken buiten beschouwing te laten, omdat zij niet kan/heeft kunnen controleren of de videobestanden overeenkomen met de berichten zelf. Het hof zal deze brief (met USB-stick) wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing laten, omdat de vrouw door het late tijdstip waarop de USB-stick in de procedure is gebracht onvoldoende in de gelegenheid is geweest hiervan kennis te nemen. Dat het hof deze brief pas op 12 augustus 2025 heeft ontvangen komt voor de rekening van de man. Het lag op de weg van de man om de USB-stick tijdig aan het hof toe te sturen. 2.3.2. De man heeft in hoger beroep niet alle stukken uit de eerste aanleg overgelegd. Het hof heeft de advocaat van de man tijdens de mondelinge behandeling voorgehouden niet te beschikken over de bijlagen 1-22 van het verweerschrift van de man, en de bijlagen (de producties 9 tot en met 12) van het F9-formulier van 26 juli 2024 van de advocaat van de vrouw. Namens de man is hier tijdens de mondelinge behandeling niet op gereageerd. Nu het hof geen kennis heeft kunnen nemen van deze stukken, kan en zal het hof deze niet betrekken bij de beoordeling. 2.3.3. De advocaat van de man heeft het hof (desgevraagd) tijdens de mondelinge behandeling verzocht om kennis te nemen van de producties 14 en 16, waarin de man in eigen woorden zijn reactie op de onderhavige procedure geeft. Het hof heeft meegedeeld dat de reacties van de man worden beschouwd als producties en als zodanig worden behandeld. Nu de advocaat van de man hierop geen toelichting heeft gegeven en ook niet heeft aangegeven wat uit deze reacties ter staving van welke stelling van de man is bedoeld, zal het hof deze verder buiten beschouwing laten. 3De feiten In het principaal en incidenteel hoger beroep 3.1. Partijen zijn met elkaar gehuwd op 5 juli 2013 te [plaats 1] . Bij beschikking van 28 april 2023 heeft de rechtbank Oost-Brabant de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 15 september 2023 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. 3.2. Partijen zijn de ouders van [minderjarige] . 3.3. De vrouw en [minderjarige] hebben de Nederlandse nationaliteit. De man heeft de Indiase nationaliteit. 3.4. Bij voornoemde echtscheidingsbeschikking is verder, voor zover hier van belang, bepaald dat: - [minderjarige] haar hoofdverblijfplaats zal hebben bij de vrouw; - als regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken zal gelden dat de man gerechtigd is tot contact met [minderjarige] : - iedere week op donderdag na school tot vrijdagochtend naar school en een weekend per veertien dagen van zaterdag 10.00 uur tot zondag 17.00 uur; - na de zomervakantie 2023: de ene week van donderdag uit school tot zaterdag 10.00 uur en de andere week donderdag uit school tot zondag 17.00 uur; - gedurende de helft van de vakanties en feestdagen, in onderling overleg nader te bepalen. 3.5. Bij vonnis in kort geding van 11 juli 2023 heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Oost-Brabant, voor zover hier van belang: - bepaald dat de verdeling van de zomervakantie 2023 drie om drie aaneengesloten weken zal zijn voor partijen, waarbij [minderjarige] het tweede deel van de zomervakantie, te weten vanaf 5 augustus 2023, bij de man zal verblijven; - aan de man vervangende toestemming verleend, in plaats van de toestemming van de vrouw, om van 5 augustus 2023 tot en met 19 augustus 2023 voor twee weken aaneengesloten naar [plaats 2] , India, te kunnen reizen; - de vrouw veroordeeld om binnen drie dagen na betekening van het vonnis de OCI-Card en het paspoort van [minderjarige] aan de man te overhandigen. Op of omstreeks 7 augustus 2023 is de man met [minderjarige] naar India vertrokken voor een vakantie. Zij dienden uiterlijk 19 augustus 2023 terug in Nederland te zijn. De man is niet met [minderjarige] teruggekeerd naar Nederland. 3.6. Bij beschikking van 9 november 2023 heeft de rechtbank Den Haag - voor zover hier van belang - de terugkeer van [minderjarige] naar Nederland gelast uiterlijk op 28 november 2023, waarbij de man [minderjarige] diende terug te brengen naar Nederland en bevolen, indien de man zou nalaten [minderjarige] terug te brengen naar Nederland, dat de man [minderjarige] met de benodigde geldige reisdocumenten aan de vrouw zou afgeven uiterlijk op 28 november 2023, opdat de vrouw [minderjarige] zelf mee terug zou kunnen nemen naar Nederland. De man heeft geen uitvoering gegeven aan deze beschikking. De vrouw is hierna in India gaan procederen om de terugkeer van [minderjarige] naar Nederland te bewerkstellingen. 3.7. De man heeft [minderjarige] tijdens de procedure in India, nadat aan hem bij tussenbeslissing van de Bombay High Court in India van 8 januari 2024 de verplichting was opgelegd om [minderjarige] voorlopig aan de zorg van de vrouw toe te vertrouwen (de vrouw verbleef in verband met die procedure in India), ontvoerd naar een andere deelstaat in India. Op 9 januari 2024 heeft de Bombay High Court een arrestatiebevel tegen de man uitgevaardigd vanwege het niet-opvolgen van voornoemde verplichting. Op basis van dit arrestatiebevel is de man met [minderjarige] door de politie opgespoord en aangehouden, waarna [minderjarige] krachtens rechterlijk bevel van de High Court van 11 januari 2024 aan de vrouw is overgedragen. 3.8. Bij eindbeslissing van 7 februari 2024 heeft de Bombay High Court in India de vrouw toestemming verleend met [minderjarige] naar Nederland af te reizen. Verder heeft de Bombay High Court bij de beslissing van 7 februari 2024 ten aanzien van het recht van de man op omgang en contact met [minderjarige] nog het volgende beslist: “

  1. iv)The Respondent No. 2 is entitled to talk/meet to child [minderjarige] as may be mutually decided between the parties.
  2. v)The Respondent No. 2 is entitled to contact with child [minderjarige] , her care and upbringing as permitted in the aforesaid Order dated 28th April, 2023, passed by the Dutch Court which is in force.
  3. vi)Whenever the Respondent No. 2 wanted to avail the right of contact, care and upbringing given under the said Order dated 28th April, 2023 of the Dutch Court, he can do so by giving notice of at least two weeks in advance intimating in writing to the Petitioner and if such request is received, the Petitioner to positively respond in writing to allow the Respondent No. 2 to contact/meet child [minderjarige] . vii) If the above Order is terminated, the Petitioner shall seek an appropriate order/direction from the Dutch Court/s to revive/restore the same, so that, child [minderjarige] is not deprived of the support of the father. viii) Until such revival/restoration of the Order, if the Respondent No. 2 visits at the Netherlands, the Petitioner shall allow him to contact/meet child [minderjarige] for two hours per day, thrice a week, at the time and venue prefixed by the parties. The Respondent No. 2 shall not be entitled to and will not make any attempt to take child [minderjarige] away from the said venue.
  4. ix)Petitioner will permit the Respondent No. 2 to interact with child [minderjarige] on telephone/mobile or video conferencing on every Friday, Saturday and Sunday, between 5:00 p.m. to 6.00 p.m. IST or as may be agreed between the parties. (…)” 3.9. Op 8 februari 2024 is de vrouw met [minderjarige] vanuit India teruggekeerd naar Nederland. 3.10. Bij - uitvoerbaar bij voorraad verklaard - vonnis in kort geding van 30 april 2024 heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Oost-Brabant, voor zover hier van belang: in conventie de in de beschikking van 28 april 2023 opgenomen zorgregeling tussen de man en [minderjarige] geschorst totdat de rechtbank heeft beslist op het verzoek om voorlopige voorzieningen ex artikel 223 Rv in de door de vrouw aanhangig gemaakte bodemprocedure ter verkrijging van het eenhoofdig gezag over [minderjarige] , alsmede tot ontzegging c.q. opschorting van het recht van de man op omgang met [minderjarige] ; in reconventie de vrouw veroordeeld de beslissing van de Bombay High Court van 7 februari 2024 aangaande de beeldbelcontacten tussen de man en [minderjarige] na te komen door de man de mogelijkheid te bieden om begeleid telefonisch dan wel via beeldbellen contact te hebben met [minderjarige] drie keer per week voor de duur van een half uur op nader door partijen af te spreken dagen en tijdstippen; in conventie en reconventie het meer of anders gevorderde afgewezen. 3.11. Bij beschikking van 20 juni 2024 heeft de rechtbank Oost-Brabant voorlopige voorzieningen vastgesteld en heeft de rechtbank de beschikking van 28 april 2023 en de beschikking van de High Court van Bombay van 7 februari 2024 gewijzigd voor zover het de verdeling van de zorg- en opvoedtaken betreft, en heeft de rechtbank bepaald dat de man gerechtigd is om drie keer per week een half uur lang begeleid contact te hebben met [minderjarige] via videobellen. Deze beschikking is door het hof bekrachtigd bij beschikking van 17 oktober 2024. 4De omvang van het geschil 4.1. De vrouw heeft de rechtbank verzocht, zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 28 april 2023 te wijzigen en: - te bepalen dat het gezag over [minderjarige] voortaan alleen aan de vrouw toekomt; - de man het recht op omgang met [minderjarige] te ontzeggen, althans dit recht te schorsen. 4.2. De man heeft verweer gevoerd. De man heeft zelfstandig verzocht: indien de verzoeken van de vrouw niet worden afgewezen, doorverwijzing van de zaak naar de meervoudige kamer; de raad voor de kinderbescherming te verzoeken om onderzoek te doen naar de verzoeken van de vrouw en de rechtbank te adviseren; [minderjarige] (voorlopig) onder toezicht te stellen van een Gl; de zorgregeling/omgangsregeling tussen de man en [minderjarige] te wijzigen naar in ieder geval een zorgregeling/omgangsregeling waarbij de man en [minderjarige] onbegeleid contact en omgang met elkaar kunnen hebben; een informatieregeling vast te stellen waarbij de vrouw de man eens per twee weken dient te informeren over de gezondheid, het welzijn en andere gewichtige aangelegenheden betreffende [minderjarige] en dat de moeder de vader telkens informeert onder meer met toezending van een recente foto van [minderjarige] , met dien verstande dat de vrouw de man voor het eerst informeert na de te wijzen beschikking, althans een informatieregeling te treffen zoals uw rechtbank in goede justitie juist acht. Bij wijze van voorlopige voorziening: een voorlopige informatieregeling vast te stellen waarbij de vrouw de man eens per twee weken dient te informeren over de gezondheid, het welzijn en andere gewichtige aangelegenheden betreffende [minderjarige] en dat de vrouw de man telkens informeert onder meer met toezending van een recente foto van [minderjarige] , met dien verstande dat de vrouw de man voor het eerst informeert na de te wijzen beschikking, althans een informatieregeling te treffen zoals uw rechtbank in goede justitie juist acht; een voorlopige zorgregeling/omgangsregeling vast te stellen waarbij [minderjarige] en de man frequent onbegeleid contact met elkaar hebben en fysieke omgang zodra de man in Nederland arriveert. 4.3. Bij de bestreden beschikking van 18 november 2024 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, uitvoerbaar bij voorraad, het gezamenlijk gezag over [minderjarige] beëindigd en bepaald dat het gezag over [minderjarige] voortaan aan de vrouw alleen toekomt. In rechtsoverweging 5.2. heeft de rechtbank de beschikking van 28 april 2023, en voor zover nodig de beslissing van de High Court van Bombay van 7 februari 2024, voorlopig gewijzigd voor zover het de omgangsregeling betreft. In rechtsoverweging 5.3. heeft de rechtbank bepaald dat de man voorlopig gerechtigd is tot begeleide fysieke omgang met [minderjarige] : één keer in de week, bij voorkeur in de ene week op een weekenddag voor de duur van twee uur en in de andere week op een doordeweekse dag voor de duur van één uur, een en ander af te stemmen met [instantie] , dan wel met andere betrokken hulpverlening. In rechtsoverweging 5.4. heeft de rechtbank bepaald dat de man, zolang hij niet in Nederland is, voorlopig gerechtigd is om twee keer per week voor de duur van maximaal een uur begeleide omgang te hebben met [minderjarige] , een en ander af te stemmen met [instantie] , dan wel met andere betrokken hulpverlening, en aansluitend bij de behoefte van [minderjarige] op dat moment, via videobellen. De rechtbank heeft de advocaten van partijen verzocht om de rechtbank uiterlijk op 19 mei 2025 te informeren over het verloop van de voorlopige omgangsregeling, indien mogelijk onder toezending van rapportages van de betrokken hulpverlening, alsmede of de zaak schriftelijk kan worden afgedaan, dan wel aan te geven waarom zij een nieuwe mondelinge behandeling noodzakelijk achten, onder gelijke toezending van deze stukken aan de wederpartij. Iedere verdere behandeling en beslissing ten aanzien van de verzoeken van de man en de vrouw met betrekking tot de omgang zijn pro forma aangehouden tot 2 juni 2025. De rechtbank heeft verder bepaald dat de vrouw één keer per maand gehouden is de man schriftelijk te informeren over de gezondheid, het welzijn en andere belangrijke aangelegenheden betreffende [minderjarige] , onder toezending van een recente foto van de minderjarige. De rechtbank heeft de man niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek een raadsonderzoek te gelasten inzake het gezag. Tot slot heeft de rechtbank (voor zover van belang) de verzoeken van de man om de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoeken, om een raadsonderzoek naar de omgangsregeling en om [minderjarige] (voorlopig) onder toezicht te stellen, afgewezen. 4.4. De man en de vrouw kunnen zich met deze beslissing niet verenigen en zij zijn hiervan in hoger beroep gekomen. 4.5. De man verzoekt het hof om de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende uitvoerbaar bij voorraad te bepalen dat: - het verzoek van de vrouw om met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] belast te worden, niet ontvankelijk te verklaren dan wel wordt afgewezen; - het verzoek van de man om een raadsonderzoek te gelasten wordt toegewezen. 4.6. De vrouw voert verweer en verzoekt de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep althans dit hoger beroep af te wijzen en in het incidenteel hoger beroep de beschikking van 18 november 2024 te vernietigen uitsluitend voor wat betreft het door de rechtbank bepaalde onder 5.2 en 5.3 en 5.4 en de door de rechtbank bepaalde omgangsregeling alsnog af te wijzen en voor het overige de beschikking te bevestigen. 4.7. De man voert verweer in het incidenteel hoger beroep en verzoekt de grief van de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren, althans af te wijzen. 5. De motivering van de beslissing Rechtsmacht en toepasselijk recht 5.1. De onderhavige zaak kent een internationaal karakter. De man heeft de Indiase nationaliteit en verblijft in India. Gelet hierop dient het hof ambtshalve de bevoegdheid van de Nederlandse rechter te toetsen. 5.1.1. Het hof zal de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter beoordelen op grond van artikel 7 lid 1 van Verordening (EU) 2019/1111 van 25 juni 2019 (hierna: Brussel II-ter). Op grond van de hoofdregel van artikel 7 Brussel II-ter zijn in zaken van ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig is gemaakt. Omdat [minderjarige] haar gewone verblijfplaats in Nederland had op het moment van de indiening van het verzoek in eerste aanleg (22 februari 2024) is de Nederlandse rechter bevoegd om van het verzoek kennis te nemen. Het hof gaat derhalve voorbij aan de stelling van de man (zoals ook is verwoord in zijn eerste grief en is betwist door de vrouw) dat de rechtbank niet bevoegd was om over het onderhavige rechtsgeschil te beslissen. 5.2. Er zijn geen grieven gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat Nederlands recht van toepassing is. Ook het hof zal daarom uitgaan van de toepasselijkheid van Nederlands recht. Ontvankelijkheid 5.3. De man stelt zich op het standpunt dat de rechtbank de vrouw niet had mogen ontvangen in haar verzoeken in eerste aanleg. De man voert hiertoe drie redenen aan. Kort gezegd voert hij in de eerste plaats aan dat er sprake is van misbruik van recht. De Nederlandse rechter is volgens hem niet bevoegd omdat er door de Bombay High Court in de beschikking van 7 februari 2024 reeds is beslist en deze formele rechtskracht heeft en de vrouw bovendien heeft verklaard op 15 april 2024 voor de Supreme Court of India dat zij zich aan deze beschikking zal houden. Daarnaast diende de rechtbank volgens de man een zwaardere maatstaf toe te passen als gevolg van het beginsel “Comity of Courts”. Dit aangezien de vrouw nu in Nederland over exact hetzelfde procedeert als waarover is beslist bij de Supreme Court of India. Tot slot handelt de vrouw in strijd met artikel 21 van het Wetboek van Rechtsvordering (Rv) omdat zij heeft nagelaten de beschikking van 15 april 2024 van de Supreme Court of India aan de Nederlandse rechtbank voor te leggen (zoals haar in die beschikking is opgedragen). De vrouw heeft de rechtbank bewust misleid, aldus de man. 5.4. De vrouw heeft de grief van de man gemotiveerd betwist. 5.5. Het hof overweegt als volgt. 5.5.1. Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof na eigen afweging en waardering overneemt en tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat de vrouw ontvankelijk was in haar verzoeken in eerste aanleg. Er is geen sprake van misbruik van recht door de vrouw. Het stond haar vrij om de verzoeken in eerste aanleg te doen. Mochten haar verzoeken al in strijd zijn met toezeggingen die zij voor het hooggerechtshof van Bombay en het hooggerechtshof van India zou hebben gedaan - hetgeen het hof niet kan vaststellen - dan is dat geen reden waarom zij de procedure in eerste aanleg niet kon voeren. De vrouw heeft immers gesteld dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden. Deze gestelde gewijzigde omstandigheden maken dat sprake is van voldoende belang bij haar verzoeken. Omdat het de vrouw vrij stond om een (wijzigings)verzoek in te dienen bij de Nederlandse rechtbank handelde zij niet in strijd met de “Comity of Courts”. De man heeft zelf in eerste aanleg de beschikking van de Indiase rechter van 15 april 2024 overgelegd als productie 5, zodat deze onderdeel uitmaakt van de procedure bij de rechtbank Oost-Brabant. Reeds om die reden faalt het beroep van de man op artikel 21 Rv. Er is dan ook geen sprake van een bewuste misleiding van de rechtbank door de vrouw. De man heeft nagelaten deze productie 5 bij zijn verweerschrift in eerste aanleg over te leggen en handelt daarmee zelf in strijd met artikel 21 Rv. 5.5.2. Nu de grief van de man faalt komt het hof toe aan de inhoudelijke beoordeling. Gezag 5.6. De man is het niet eens met het oordeel van de rechtbank. Hij vindt dat de rechtbank hem in de eerste plaats ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard ten aanzien van zijn verzoek om een raadsonderzoek te gelasten. Gezien de omstandigheden van het geval en de gebeurtenissen die in het verleden hebben plaatsgevonden tussen partijen is een raadsonderzoek geboden om een weloverwogen beslissing te kunnen nemen ten aanzien van het gezag. Daarnaast oordeelt de rechtbank volgens de man ten onrechte dat is voldaan aan de wettelijke criteria voor het beëindigen van het gezamenlijk gezag. Hij voert, samengevat, het volgende aan. Het uitgangspunt van de wetgever is dat de ouders gezamenlijk gezag uitoefenen. De rechtbank oordeelt ten onrechte dat de ouders hier niet meer toe in staat zijn. Hoewel het klopt dat de verstandhouding tussen partijen is verstoord, zal de man zich inspannen om de onderlinge verstandhouding te verbeteren. Hij is bereid en in staat om gezamenlijke beslissingen in het belang van [minderjarige] te nemen. De man meent dat partijen hulp en sturing nodig hebben vanuit een professionele hulpverleningsorganisatie. De man is, hoewel hij in India woont, verder goed bereikbaar voor de vrouw en [minderjarige] . Hij heeft structureel contact met [minderjarige] en wil een actieve rol blijven spelen in haar leven. Hij erkent zijn aandeel in de gebeurtenissen in het verleden die hebben plaatsgevonden en toont hiervoor berouw. Hij meent dat samenwerking tussen partijen mogelijk is. Ook zijn er volgens de man geen contra-indicaties die erop wijzen dat [minderjarige] klem en verloren zal raken tussen de ouders. 5.7. De vrouw meent dat de rechtbank op goede gronden heeft beslist. Zij voert daartoe, samengevat, het volgende aan. De vrouw benadrukt dat er voldoende informatie is om een beslissing te kunnen nemen. De rechtbank heeft ten aanzien van het door de man gevraagde raadsonderzoek de juiste beslissing genomen. Het blijft onduidelijk op grond van welke omstandigheden en gebeurtenissen het volgens hem noodzakelijk is om een raadsonderzoek te gelasten. Er was en is wel degelijk sprake van een onaanvaardbaar risico dat [minderjarige] klem of verloren zal raken tussen de ouders en het is wel degelijk zo dat enige basis voor gezamenlijk gezag ontbreekt. De verhoudingen tussen partijen zijn uitsluitend en alleen door toedoen van de man ernstig verstoord. Hij heeft [minderjarige] langdurig in India achtergehouden en veel Nederlandse beslissingen aan zijn laars gelapt. De man erkent niet zijn aandeel in de gebeurtenissen. Hij heeft zich schuil gehouden met [minderjarige] en is, nadat de rechter in Inda een opsporingsbevel heeft uitgegeven, door de politie gearresteerd. De vrouw is daardoor alle vertrouwen in de man verloren. Hij heeft niets ondernomen om het geschonden vertrouwen van de vrouw te herstellen en blijft bovendien de strijd voortzetten door te procederen in India en de vrouw te diskwalificeren als ouder. Enige basis voor gezamenlijk gezag ontbreekt. Herstel van de onderlinge communicatie tussen de ouders is onmogelijk. De man doet er alles aan om de vrouw in India strafrechtelijk te laten veroordelen. Bovendien was de man in de afgelopen maanden niet bereid en niet in staat om gezamenlijke beslissingen te nemen. Hij laat zich niet sturen. Hulp en ondersteuning vanuit een professionele organisatie zal daarom onvoldoende zijn. De man is op geen enkele wijze geïnteresseerd in het leven van [minderjarige] in Nederland en hij kan op geen enkele wijze aansluiten bij de belevingswereld van [minderjarige] . Omdat de man voor de vrouw niet goed bereikbaar is, is communicatie met hem onmogelijk. Daarbij komt dat de man de vrouw stelselmatig verwijten blijft maken. Nu er aantoonbaar geen onderling contact is tussen partijen, is samenwerking onmogelijk. Tot slot heeft de vrouw de vrees dat de man voor de derde keer [minderjarige] zal ontvoeren. De man gaat hier ten onrechte aan voorbij en het is zorgelijk dat hij dit niet ziet, laat staan dat hij begrip heeft voor de zorgen van de vrouw en het belang van [minderjarige] . 5.8. De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep het advies in eerste aanleg gehandhaafd. 5.9. Het hof overweegt als volgt. 5.9.1. Het hof acht zich, op grond van de stukken en mondelinge behandeling voldoende voorgelicht om een verantwoorde beslissing te nemen over het gezag. Het hof ziet dan ook geen aanleiding om hiernaar een raadsonderzoek te gelasten. 5.9.2. Ingevolge artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of een van hen het gezamenlijk gezag beëindigen indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. De rechter bepaalt dat het gezag over een kind aan één ouder toekomt indien: a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of b. wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is. 5.9.3. Het hof is van oordeel dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden na de datum van de ontbinding van het huwelijk. Vaststaat immers dat de man [minderjarige] langdurig heeft onttrokken aan het gezag van de vrouw en dat de vrouw diverse procedures heeft moeten voeren voordat zij [minderjarige] vanuit India mee kon nemen naar Nederland. De man verblijft bovendien nog in India. 5.9.4. Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof na eigen onderzoek en waardering overneemt en tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat er sprake is van een onaanvaardbaar risico dat [minderjarige] bij voortzetting van het gezamenlijk gezag klem en verloren raakt tussen de ouders. Ook acht het hof beëindiging van het gezamenlijk gezag daarnaast in het belang van [minderjarige] noodzakelijk. Het hof voegt daaraan nog het volgende toe. Uit de processtukken en het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling is het hof het volgende gebleken. Partijen zijn sinds 2023 gescheiden. De man heeft [minderjarige] aan het gezag van de vrouw onttrokken en haar in India ondergebracht. Nadat [minderjarige] met de vrouw weer in Nederland is gaan wonen, is de man in India gebleven. De man geeft aan op termijn weer in Nederland te willen gaan wonen maar dit is nog niet definitief. Hij heeft twee keer per week contact met [minderjarige] via begeleide videobelmomenten. De verhoudingen tussen de ouders zijn ernstig verstoord en zij zijn niet in staat om met elkaar te communiceren. Het hof is van oordeel dat in de gegeven omstandigheden wijziging van het gezag in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is. [minderjarige] zit klem tussen de ouders. Partijen zijn niet in staat om met elkaar te communiceren en hierin is geen verbetering te verwachten. Het vertrouwen is over en weer teveel geschaad. De verhoudingen tussen de ouders zijn ernstig verstoord (mede) doordat de man [minderjarige] meerdere keren aan het gezag van de vrouw heeft onttrokken en hij tot op heden geen schuldbesef laat zien vanwege de ontvoering(
  5. en)van [minderjarige] . Zoals de raad tijdens de mondelinge behandeling van het hof heeft verwoord geeft de man weinig blijk van inzicht in wat het voor [minderjarige] betekende om haar zonder toestemming van de vrouw in India te houden. De man lijkt niet in te zien hoe onvoorspelbaar en verwarrend dit is voor een kind. Ook gaat de man ten onrechte voorbij aan de angst die de vrouw heeft ten aanzien van een mogelijk nieuwe ontvoering van [minderjarige] door de man. Effectieve uitoefening van het gezamenlijk gezag is in de huidige omstandigheden niet mogelijk. Aldus acht het hof wijziging van het gezag naar eenhoofdig gezag voor de vrouw in het belang van [minderjarige] noodzakelijk, zodat de vrouw, die de volledige zorg voor [minderjarige] heeft adequaat beslissingen kan nemen en zodat daarmee zoveel mogelijk de reële angst van de vrouw kan worden weggenomen. Wijziging omgangsregeling 5.10. Het hof begrijpt uit de grieven van de man en zijn toelichting tijdens de mondelinge behandeling dat de man zorgen heeft over [minderjarige] en dat hij uit de telefoongesprekken met [minderjarige] begrijpt dat [minderjarige] het zwaar heeft vanwege de afstand tussen haar en de man. Hij wil daarom graag dat de raad onderzoek doet naar het emotionele welzijn van [minderjarige] . Het hof acht zich op grond van de stukken en mondelinge behandeling voldoende voorgelicht om een verantwoorde beslissing te nemen. Het hof ziet geen aanleiding voor een raadsonderzoek, temeer omdat de raad tijdens de mondelinge behandeling uitdrukkelijk heeft verklaard geen noodzaak te zien voor een raadsonderzoek. De raad mist daarvoor bij de man inzicht in zijn handelen en het effect daarvan voor [minderjarige] en ziet bovendien in de situatie van [minderjarige] bij de vrouw geen dreiging en dat er inmiddels hulp is geregeld voor [minderjarige] . 5.11. De vrouw is het niet eens met de door de rechtbank vastgestelde voorlopige omgangs- regeling. Zij voert daartoe, samengevat, het volgende aan. De frequentie van de videobelmomenten is te hoog en deze momenten duren te lang. De ervaring is dat het voor [minderjarige] onmogelijk is om twee keer per week één uur videocontact met de man te hebben. De man sluit niet aan bij de belevingswereld van [minderjarige] en [minderjarige] is regelmatig in verwarring door de contacten met de man. De man blijft in het contact met [minderjarige] teruggrijpen op India, zijn verblijf daar en zijn familie. Dat is voor [minderjarige] niet te bevatten. Daar komt bij dat het voor de vrouw erg lastig is om deze langdurige contacten, gelet op het tijdsverschil, te faciliteren. Voor de vrouw kost het verder veel moeite om [minderjarige] te stimuleren voor de videobelmomenten en om voor de laptop plaats te nemen. [minderjarige] ziet er vaak al lang tevoren tegenop en het neemt de nodige tijd in beslag om haar te kalmeren. [minderjarige] vindt het ook moeilijk om aan te geven wanneer ze het gesprek wil beëindigen. Dit laatste leidt regelmatig tot verwijten van de kant de man jegens de vrouw en [instantie] . De man meent dat de vrouw [minderjarige] negatief beïnvloedt. 5.12. De man heeft verweer gevoerd. De man is het met de rechtbank eens dat het voor de identiteitsontwikkeling van [minderjarige] van belang is dat ze omgang kan hebben met haar vader en dat uit de verslagen van [instantie] blijkt dat de begeleide videocontactmomenten tussen hem en [minderjarige] goed verlopen. De raad heeft ook geadviseerd om de begeleide videocontacten voort te zetten. Omdat de man het voornemen heeft om terug te komen naar Nederland acht hij deze contacten in het belang van [minderjarige] zodat zij later weer als vanzelfsprekend fysieke omgang met elkaar kunnen hebben. De man wil zich richten op de toekomst. Het is de wens van de man dat de videobelmomenten blijven bestaan zolang hij nog in het buitenland verblijft. Dit biedt de man en [minderjarige] de mogelijkheid om de onderlinge relatie te behouden en te verdiepen. Het contact draagt niet alleen bij aan de emotionele ontwikkeling van [minderjarige] , maar ook aan haar gevoel van veiligheid en verbondenheid met beide ouders. De man herkent zich niet in het door de vrouw geschetste beeld dat hij niet aansluit bij de belevingswereld van [minderjarige] en dat hij haar stelselmatig zou beïnvloeden. De man is bereid om zijn agenda aan te passen om het contactmoment zo goed mogelijk af te stemmen op [minderjarige] ’s dagritme. Hij staat open voor het maken van praktische afspraken, zodat het contact op een voor [minderjarige] passende en stabiele manier kan blijven plaatsvinden en voor suggesties over een betere vormgeving van de gesprekken. Volgens de man vormt India voor [minderjarige] geen bron van verwarring. Het is een wezenlijk onderdeel van haar afkomst. [minderjarige] heeft daar gewoond en is bekend met India. Het lijkt erop dat de vrouw geen betrokkenheid wenst bij India en niet wil dat [minderjarige] daarmee in aanraking komt. Het verder beperken van het videocontact zal de band tussen [minderjarige] en de man ernstig onder druk zetten. De man is bereid om samen met de vrouw al dan niet met hulp van een derde te zoeken naar manieren om de inhoud en vorm van het contact zo goed mogelijk af te stemmen op de behoeften van [minderjarige] . Hij merkt niet dat [minderjarige] tegen de videobelmomenten opziet en hij benoemt dat tijdens de videobelmomenten [minderjarige] vaak zingt, danst en tekeningen maakt. 5.13. Ingevolge artikel 1:377e BW kan de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen een beslissing inzake de omgang alsmede een door de ouders onderling getroffen omgangsregeling wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. 5.14. Niet in geschil is dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden in die zin dat de vader sinds de zomer van 2023 in India verblijft en dat er sinds februari 2024 sprake is van video-contact tussen [minderjarige] en haar vader en dat er geen communicatie is tussen de ouders. 5.15. Een kind en zijn ouders hebben recht op omgang met elkaar. Een vader of moeder zonder gezag heeft ook de verplichting tot omgang met het kind (artikel 1:377a BW). De rechter kan bepalen dat een ouder geen omgang mag hebben met het kind als: a.
  6. a)omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of
  7. b)de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of
  8. c)het kind dat twaalf jaar of ouder heeft aangegeven ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder te hebben, of
  9. d)omgang om een andere reden in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind. 5.16. In de onderhavige procedure is de voorlopige omgangsregeling tussen de man en [minderjarige] in geschil. De rechtbank heeft, in afwachting van de omgangsmomenten die begeleid worden door [instantie] , deze regeling bepaald. De rechtbank heeft de verdere behandeling van de omgangsregeling in eerste aanleg aangehouden in afwachting van de uitkomst in de onderhavige zaak. 5.17. Anders dan de rechtbank acht het hof het niet in het belang van [minderjarige] om fysiek omgang te hebben met de man. Ten aanzien van de videobelmomenten acht het hof het op dit moment in het belang van [minderjarige] om deze momenten te beperken tot een begeleid moment van één keer per twee weken voor de duur van maximaal 30 minuten, dan wel langer of korter als [minderjarige] aangeeft. Het hof overweegt daartoe als volgt. Het hof stelt voorop dat de raad tijdens de mondelinge behandeling heeft benadrukt dat de man niet inziet hoe onvoorspelbaar en verwarrend zijn handelen is geweest voor [minderjarige] en wat dit doet in de relatie van een kind en de ouder. Omdat het niet duidelijk is in hoeverre [minderjarige] uitleg heeft gehad over wat er gebeurd is toen zij met de man in India verbleef en of zij een bepaalde zekerheid kan voelen over waar zij nu opgroeit, dient hier aandacht voor te zijn. Om te voorkomen dat er bij [minderjarige] gevoelens van onveiligheid blijven spelen heeft zij een duidelijke situatie nodig waarin de man haar kan verzekeren dat ze kan blijven wonen waar ze nu is en dat ze uitsluitsel krijgt over haar situatie op een manier passend bij haar leeftijd. Uit de stukken en het verhandelde ter mondelinge behandeling volgt naar het oordeel van het hof onmiskenbaar dat de man weinig tot geen blijk van inzicht geeft in wat het voor [minderjarige] heeft betekend om haar (zonder toestemming van de vrouw) in India te houden. Ook laat hij zich niet uit over zijn ontvoering van [minderjarige] . Ondanks dat hij aanvoert in zijn beroepschrift dat hij berouw toont, blijkt dit op geen enkele manier. Ook tijdens de mondelinge behandeling kwam dit niet naar voren uit hetgeen door of namens de man is aangevoerd. De man neemt het de vrouw bovendien kwalijk dat zij zich focust op haar angsten die volgens hem zijn gebaseerd op het verleden en benadrukt hij dat er slechts naar de toekomst moet worden gekeken. De man stelt dat de vrouw hulp dient in te schakelen om met haar angsten als gevolg van de ontvoering van [minderjarige] door de man om te leren gaan. Hij heeft in India juridische procedures gestart om de vrouw daar strafrechtelijk te laten veroordelen en hij heeft recent contact opgenomen met de politie in Nederland met de vraag of sprake is van een belemmering voor hem om naar Nederland terug te komen. Dit maakt dat het hof een contra-indicatie ziet om een voorlopige fysieke begeleide omgangsregeling tussen [minderjarige] en de man vast te leggen. Het hof ontzegt daarom voorlopig de (begeleide) fysieke omgang tussen de man en [minderjarige] . De tweewekelijkse begeleide videobelmomenten tussen de man en [minderjarige] momenten lopen vanaf oktober 2024. Het hof heeft geen kennis genomen van het eindverslag van [instantie] . Uit het tussentijdse verslag van 29 oktober 2024 volgt dat de contacten goed gaan. Uit dit verslag volgt echter ook dat de frequentie van de gesprekken te hoog is. De vrouw benoemt dit laatste ook in haar verzoek in incidenteel hoger beroep en beschrijft verder de bij [minderjarige] ontstane weerstand. Zo ziet [minderjarige] er op de donderdag tijdens schooltijd al tegenop dat ze de man die dag via videobeeldbellen zal spreken, wil ze zich het liefst verstoppen op het moment dat ze voor de laptop moet gaan plaatsnemen en vindt ze het te lang duren. De man herkent dit niet en benoemt dat de contacten goed verlopen; hij heeft wel benoemd dat de contacten steeds vaker eerder worden afgebroken. Hiervoor heeft hij zich al tot [instantie] gewend. Gelet op de onrust die de videobelmomenten geven voor [minderjarige] , de wijze waarop deze tweewekelijks plaatsvinden, de logistieke planning daaromheen maar vooral de bij [minderjarige] ontstane weerstand acht het hof het realistisch om de door de rechtbank bepaalde voorlopige regeling inzake de begeleide videobelmomenten te beperken tot één moment van één keer in de twee weken voor maximaal 30 minuten, dan wel langer of korter als [minderjarige] aangeeft. Het hof laat het over aan de beschikbaarheid van de begeleiding van [instantie] om in overleg met de ouders te bepalen op welke dag dit zal plaatsvinden. Verzoek (voorlopige) ondertoezichtstelling 5.18. De rechtbank heeft het verzoek van de man om [minderjarige] voorlopig onder toezicht te stellen afgewezen. De man is ook van deze beslissing in hoger beroep gekomen en voert aan dat de rechtbank het verzoek tot al dan niet voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige] ten onrechte heeft afgewezen. Op grond van artikel 807 Rv staat tegen beschikkingen ingevolge artikel 1:257 BW geen andere voorziening open dan cassatie in het belang der wet. Het bovenstaande leidt ertoe dat de man niet kan worden ontvangen in dit onderdeel van zijn hoger beroep. Voor zover de man heeft verzocht om de minderjarige onder toezicht te stellen, is dit verzoek niet toewijsbaar op grond van het bepaalde in artikel 1:255 lid 2 BW. Op grond van het bepaalde in dit artikel 1:255 lid 2 BW is een ouder alleen bevoegd tot het doen van een verzoek indien de raad niet tot indiening van het verzoek overgaat. 5.19. Op grond van het vorenstaande zal het hof de beschikking waarvan beroep vernietigen en beslissen als volgt. 4De beslissing Het hof: op het principaal hoger beroep: verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep tegen de bestreden beschikking voor zover dit zijn verzoek inzake de voorlopige ondertoezichtstelling betreft; op incidenteel hoger beroep: vernietigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 18 november 2024, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, doch uitsluitend voor zover de rechtbank daarin een voorlopige fysieke begeleide omgangsregeling en een voorlopige begeleide videobelregeling heeft bepaald tussen de man en de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2018 te [geboorteplaats] ; en in zoverre opnieuw rechtdoende: wijzigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 28 april 2023, en voor zover nodig de beslissing van de High Court van Bombay van 7 februari 2024, voor zover het de omgangsregeling betreft, voorlopig als hierna te melden; ontzegt de man voorlopig de fysieke omgang met de minderjarige [minderjarige] ; bepaalt dat de man, zolang hij niet in Nederland is, voorlopig gerechtigd is om één keer per twee weken voor de duur van maximaal 30 minuten begeleide omgang te hebben met [minderjarige] , een en ander af te stemmen met [instantie] , dan wel met andere betrokken hulpverlening, en aansluitend bij de behoefte van [minderjarige] op dat moment, via videobellen; verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad; op het principaal en incidenteel hoger beroep: bekrachtigt de beschikking waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, voor het overige; wijst af het meer of anders verzochte. Deze beschikking is gegeven door mrs. C.M.J. Peters, A.M. Bossink, M.A. Stammes en is op 9 oktober 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.