← Nederland

ECLI:NL:GHSHE:2025:2939

Parketnummer: 20-000987-25 Uitspraak : 22 oktober 2025 TEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv) Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 16 december 2024, in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, met parketnummers 03-232127-23 en 03-329298-24, en de van dat vonnis deel uitmakende beslissingen op de vordering tot tenuitvoerlegging, met parketnummers 03-004829-22 en 03-064212-22, tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1987, thans uit anderen hoofde verblijvende in P.I. Zuid Oost, locatie Roermond te Roermond. Hoger beroep Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter de verdachte ter zake van ‘diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak/verbreking’ (feit 1 in de zaak met parketnummer 03-232127-23), en, opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod’ (feit 2 in de zaak met parketnummer 03-329298-24), veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden, met aftrek van het voorarrest. Voorts heeft de politierechter de tenuitvoerlegging gelast van een gedeelte van de onder parketnummer 03-064212-22 opgelegde voorwaardelijke straf, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 4 weken, en heeft de politierechter de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot tenuitvoerlegging van de onder parketnummer 03-004829-22 opgelegde voorwaardelijke straf. Ten slotte heeft de politierechter de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] toegewezen tot een bedrag van € 1.600,00, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel tot datzelfde bedrag en de verdachte veroordeeld in de proceskosten van de benadeelde partij ten tijde van het vonnis begroot op nihil. Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren. De raadsman van de verdachte heeft bepleit dat de verdachte kan worden ontvangen in het hoger beroep. Ontvankelijkheid van het hoger beroep De verdachte is in eerste aanleg gedagvaard in de zaak met parketnummer 03-232127-23 om op 6 december 2023 te verschijnen ter terechtzitting van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht. Het hof heeft vastgesteld dat deze inleidende dagvaarding rechtsgeldig en in persoon aan de verdachte is betekend op 13 september

  1. De verdachte was aldus van de datum van de terechtzitting van 6 december 2023 alsmede de strafvervolging in de zaak op de hoogte. Uit het proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 6 december 2023 volgt dat de gemachtigd raadsvrouw van de verdachte heeft verklaard dat de verdachte wel ter terechtzitting van 6 december 2023 zou verschijnen, maar dat hij de nacht daarvoor was opgepakt en dat hij verbleef op het politiebureau te Maastricht. De raadsvrouw had geen contact gehad met de verdachte en heeft de politierechter verzocht de zaak aan te houden. De politierechter heeft daarop het onderzoek ter terechtzitting geschorst voor onbepaalde tijd. De verdachte is vervolgens in de zaak met parketnummer 03-232127-23 opgeroepen om op 9 juli 2024 te verschijnen ter terechtzitting van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond. Het hof heeft vastgesteld dat deze oproeping rechtsgeldig en niet in persoon aan de verdachte is betekend. Uit het proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 9 juli 2024 in de zaak met parketnummer 03-232127-23 volgt dat een gemachtigd raadsman ter terechtzitting is verschenen. De politierechter heeft het onderzoek ter terechtzitting aangehouden voor onbepaalde tijd. De reden daarvoor was dat de benadeelde partij graag bij de zitting aanwezig had willen zijn, maar dat hij door persoonlijke omstandigheden was verhinderd. De gemachtigd raadsman van de verdachte heeft zich niet verzet tegen de schorsing van het onderzoek ter terechtzitting. Bij de stukken in hoger beroep bevinden zich een oproeping voor de zitting in de zaak met parketnummer 03-232127-23 van 16 december 2024 aan de gemachtigd raadsman van de verdachte en een akte van uitreiking van de oproep voor de zitting in de zaak met parketnummer 03-232127-23 van 16 december 2024 aan het Openbaar Ministerie. Blijkens deze akte van 17 oktober 2024 was de woon-of verblijfplaats van de verdachte niet bekend. Daarnaast bevinden zich bij de stukken in hoger beroep een oproeping van de raadsman van de verdachte en een akte van uitreiking van de dagvaarding in de zaak met parketnummer 03-329298-
  2. Blijkens deze akte van 18 oktober 2024 was de woon-of verblijfplaats van de verdachte niet bekend en is de dagvaarding uitgereikt aan het Openbaar Ministerie. De politierechter heeft beide zaken ter terechtzitting gevoegd en op 16 december 2024 einduitspraak gedaan. Blijkens de aantekening mondeling vonnis is het vonnis op ‘tegenspraak, na aanhouding niet verschenen’, gewezen. Gelet op het bepaalde in artikel 408, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, had de verdachte in dit geval binnen veertien dagen na het op 16 december 2024 gewezen vonnis daartegen in hoger beroep moeten komen. De verdachte was immers in de zaak met parketnummer 03-232127-23 op de hoogte van de zitting van 16 december 2024, was aldus op de hoogte van de strafvervolging werd in deze zaak op de zittingen van 6 december 2023 en 9 juli 2024 bijgestaan door een gemachtigd raadsman/vrouw en het aantekening mondeling vonnis is op ‘tegenspraak, na aanhouding niet verschenen’, gewezen. De omstandigheid dat uit het vonnis van 16 december 2024 van de ter terechtzitting gevoegde zaken blijkt dat een gemachtigd raadsman als bedoeld in art. 279, eerste lid, Sv is opgetreden, brengt met zich mee dat ook in de zaak met parketnummer 03-329298-24 een rechtsmiddel tegen de op tegenspraak gewezen einduitspraak binnen veertien dagen na die uitspraak diende te worden ingesteld. Het is aan de verdachte om zich bereikbaar te houden voor politie en justitie en het is ook aan de verdachte om tijdig hoger beroep in te stellen.. De verdachte heeft echter eerst op 9 april 2025, en aldus meer dan veertien dagen na de einduitspraak door de politierechter, hoger beroep ingesteld. De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de termijnoverschrijding verontschuldigbaar is. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat de strafzaak tegen de verdachte behandelt dient te worden, omdat de vordering tot tenuitvoerlegging, met parketnummer 03-064212-22, in meerdere strafzaken is toegewezen. Dit leidt er toe dat de verdachte een langere gevangenisstraf moet uitzitten dan de oorspronkelijke opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf, hetgeen een schending van artikel 5 van het EVRM oplevert. Het hof stelt voorop dat de wet bepaalt in welke gevallen tegen een rechterlijke uitspraak een rechtsmiddel kan worden ingesteld en binnen welke termijn dit dient te geschieden. Die termijnen zijn van openbare orde. Overschrijding van de termijn voor het instellen van hoger beroep door de verdachte, zoals in het onderhavige geval, betekent in de regel dat deze niet in dat hoger beroep kan worden ontvangen. Dit gevolg kan daaraan uitsluitend niet worden verbonden, indien sprake is van bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen, omstandigheden welke de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doen zijn. In de jurisprudentie komen als bijzondere omstandigheden onder andere naar voren een psychische stoornis, opgewekt vertrouwen alsmede het ontbreken van een vertaling. Naar het oordeel van het hof levert hetgeen door de raadsman is aangevoerd geen verschoonbare overschrijding van de termijn voor het instellen van hoger beroep op. Het gegeven dat de vordering tot tenuitvoerlegging van de onder parketnummer 03-064212-22 eerder opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf in meerdere strafzaken is toegewezen, leidt er niet toe dat de verdachte een hogere gevangenisstraf dient uit te zitten dan aan hem voorwaardelijk is opgelegd. Een, al dan niet voorwaardelijk opgelegde, gevangenisstraf kan slechts eenmaal worden uitgezeten. Al het meerdere van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf wat wordt toegewezen in andere strafzaken, wordt in dat geval dan niet ten uitvoer gelegd. Nu het hoger beroep pas na het verstrijken van de termijn van veertien dagen op 9 april 2025 is ingesteld en het hof overigens niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de termijnoverschrijding verschoonbaar zou zijn, kan de verdachte niet in het hoger beroep worden ontvangen. BESLISSING Het hof: Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep. Aldus gewezen door: mr. M.J.M.A. van der Put, voorzitter, mr. A.M.G. Smit en mr. M. van der Horst, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. H. Smits, griffier, en op 22 oktober 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.