Parketnummer : 20-001555-24 OWV Uitspraak : 24 juli 2025 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 4 juni 2024 op de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak met parketnummer 03-145292-23 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1970, wonende te [adres] . Hoger beroep De rechtbank heeft het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op € 56.762,88 en heeft aan betrokkene een betalingsverplichting opgelegd voor dat bedrag en heeft het aantal dagen gijzeling dat met toepassing van artikel 6:6:25 Wetboek van Strafvordering kan worden gevorderd bepaald op ten hoogste 1080 dagen. Van de zijde van de betrokkene is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de betrokkene naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal bevestigen. De verdediging heeft verweren gevoerd betreffende de hoogte van het geschatte voordeel en de opgelegde betalingsverplichting. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het vonnis en met de redengeving waarop dit berust onder aanvulling van gronden en met uitzondering van de opgelegde betalingsverplichting en het aantal dagen dat met toepassing van artikel 6:6:25 Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd. De veroordeling Aanvulling van gronden In het beroepen ontnemingsvonnis is de strafrechtelijke veroordeling van de rechtbank van 4 juni 2024 (parketnummer 03-145292-23) tot uitgangspunt voor de ontneming genomen. Dit hof heeft bij arrest van heden in de strafzaak (parketnummer 20-001554-24) vorenstaande veroordeling in de strafzaak van de rechtbank bevestigd, zodat de grondslag voor de ontneming in het hoger beroep ongewijzigd blijft. Standpunten verdediging De standpunten van de verdediging ten aanzien van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel borduren voort op hetgeen in de onderliggende strafzaak naar voren is gebracht. Kern is dat in de strafzaak vrijspraak is betoogd voor onder meer de hennepteelt en nu deze aan de ontnemingsvordering ten grondslag is gelegd, deze vordering moet worden afgewezen. Dit standpunt van de verdediging vindt zijn weerlegging reeds in de bewezenverklaring van de hennepteelt in de onderliggende strafzaak. Betalingsverplichting Het hof zal aan de betrokkene de verplichting opleggen tot betaling van na te melden bedrag aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Het hof legt aan betrokkene een lagere betalingsverplichting op dan de rechtbank. Reden daarvoor is dat de verdediging heeft verzocht de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg als bedoeld in artikel 6 EVRM te verdisconteren in een lagere betalingsverplichting in plaats van in een lagere straf in de gelijktijdig aanhangige strafzaak met parketnummer 20-001554-24. Voor wat betreft de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg stelt het hof met de rechtbank in de strafzaak de aanvang ervan op 16 september 2021, zijnde de datum waarop betrokkene voor het eerst is gehoord. Het einde van de termijn stelt het hof op de datum van het ontnemingsvonnis van 4 juni 2024. Daarmee is de redelijke termijn van 2 jaren met ruim 8 maanden overschreden. In de fase van het hoger beroep heeft geen overschrijding van de redelijke termijn plaatsgevonden. Het hof ziet in vorenstaande overschrijding aanleiding de betalingsverplichting met 10% te matigen en vast te stellen op (€ 56.762,88 – 10%=) € 51.086, (afgerond). Gijzeling Het hof bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 1021 dagen. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde betalingsverplichting en het aantal dagen gijzeling dat met toepassing van artikel 6:6:25 Wetboek van Strafvordering kan worden gevorderd. Legt de betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 51.086,59 (eenenvijftigduizend zesentachtig euro en negenenvijftig cent). Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 1021 dagen. Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen. Aldus gewezen door: mr. F. van Es, voorzitter, mr. J.T.F.M. van Krieken en mr. C.A. van Roosmalen, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. J.H.W. van der Meijs, griffier, en op 24 juli 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.