GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht Uitspraak : 2 januari 2025 Zaaknummer : 200.344.338/01 Zaaknummer eerste aanleg : C/01/398242 / EX RK 23-158 in de zaak in hoger beroep van: [appellant] , wonende te [woonplaats] , appellant, hierna te noemen: [appellant] , advocaat: mr. P.J.A. van de Laar te Eindhoven, tegen [verweerster] , wonende te [woonplaats] , verweerster, hierna te noemen: [verweerster] , advocaat: mr. C.M. Brouwers te Gemert. belanghebbende: [belanghebbende] , gevestigd te [vestigingsplaats] . 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst naar de beschikking van 5 juni 2024 van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, waarbij de rechtbank [verweerster] machtiging heeft verleend tot het te gelde maken van de onroerende zaak staande en gelegen te [plaats] , [adres] (hierna: de woning), middels het verlenen van een verkoopopdracht onder de voorwaarden zoals vermeld in de offerte die op 11 oktober 2023 is afgegeven door [makelaar] te [plaats] met inachtneming van een vraagprijs van minimaal € 350.000,= k.k. 2Het geding in hoger beroep 2.1. Bij beroepschrift met producties (nr. 1 t/m 2), ingekomen ter griffie van dit hof op 31 juli 2024, heeft [appellant] het hof verzocht de beschikking van 5 juni 2024 te vernietigen en/of althans bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de verzoeken van [verweerster] alsnog als zijnde ongegrond en/of onbewezen te ontzeggen en haar te veroordelen in de proceskosten van beide instanties. 2.2. Bij memorie van antwoord (het hof begrijpt: verweerschrift) in hoger beroep met producties (nr. 1 t/m 8), ingekomen ter griffie van dit hof op 5 november 2024, heeft [verweerster] het hof verzocht om bij arrest (het hof begrijpt: beschikking), uitvoerbaar bij voorraad, [appellant] niet-ontvankelijk te verklaren in zijn appel althans deze af te wijzen of hem deze te ontzeggen als zijnde niet bewezen en of ongegrond althans de beschikking van 5 juni 2024 te bevestigen, te bekrachtigen, met veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van [appellant] in de kosten van deze procedure vermeerderd met wettelijke rente. 2.3. Het hof heeft verder kennisgenomen van: het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg gehouden op 7 mei 2024; een aanvullend stuk – de e-mail van 30 juli 2024 van [belanghebbende] waarin wordt bericht dat er op dit moment geen betaalachterstand rust op de hypotheek – zijdens [appellant] , ingekomen ter griffie van dit hof op 5 september 2024; de bij V6-formulier ingediende aanvullende stukken zijdens [appellant] , ingekomen ter griffie van dit hof op 18 september 2024; het bericht van [betrokkene] namens de [belanghebbende] , ingekomen ter griffie van dit hof op 21 oktober 2024, dat [belanghebbende] niet aanwezig zal zijn bij de zitting; de bij V6-formulier ingediende aanvullende producties (nr. 13 en 14) zijdens [verweerster] , ingekomen ter griffie van dit hof op 29 november 2024; de inhoud van de op de mondelinge behandeling in hoger beroep door [verweerster] overgelegde en voorgelezen ‘voorbereide verklaring’ en het ter zitting overgelegde vonnis in kort geding van 3 december 2024 van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, gewezen tussen partijen. 2.4. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 4 december 2024. Bij die gelegenheid zijn gehoord: mr. Van de Laar namens [appellant] die zelf niet aanwezig was en [verweerster] , bijgestaan door mr. Brouwers. 3De beoordeling Feiten 3.1. Het hof gaat uit van de volgende feiten. a. [appellant] en [verweerster] hadden een affectieve relatie met elkaar die in 2009 is verbroken. Tijdens de relatie in 2009 hebben partijen de woning aan de [adres] te [plaats] gekocht. Zij zijn daarvoor samen een hypothecaire lening aangegaan van € 250.000,=. Partijen zijn ieder hoofdelijk aansprakelijk voor de aflossing van die lening. Zij hebben met elkaar afgesproken dat [appellant] de financiële verplichtingen in het kader van de eigendom van de woning zou voldoen, waaronder de betaling van de hypotheekrente. De Burgemeester van de plaats [plaats] heeft de woning op 17 februari 2020 voor de duur van drie maanden gesloten in verband met een hennepkwekerij/plantage in de woning. Bij besluit van 4 juni 2024 heeft de burgemeester besloten dat de woning van [appellant] op 18 juni 2024 voor vier maanden zal worden gesloten. [appellant] heeft hiertegen bezwaar gemaakt bij de burgemeester. Hij heeft daarnaast bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend waarmee hij wil bereiken dat zijn woning in elk geval niet wordt gesloten voordat de burgemeester op het bezwaar heeft beslist. Bij uitspraak van 8 augustus 2024 heeft de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Bij brief van 12 augustus 2023, die is verzonden op 13 augustus 2024, heeft de gemeente [gemeente] [appellant] bericht dat zijn woning wordt gesloten voor een periode van vier maanden, ingaande op 27 augustus 2024 tot en met 26 december 2024. Eerste aanleg 3.2. Het verzoek van [verweerster] strekte tot het verlenen van een machtiging tot het te gelde maken van de woning om een gewichtige reden als bedoeld in artikel 3:174 BW. Volgens [verweerster] komt [appellant] zijn (financiële) verplichtingen niet na en is de hypotheekverstrekker voornemens om de woning middels een executieveiling te verkopen. 3.2.1. Omdat [appellant] niet in de procedure in eerste aanleg is verschenen, was van hem geen verweer bekend. 3.2.2. De rechtbank Oost-Brabant heeft het verzoek van [verweerster] toegewezen, omdat de door [verweerster] aangevoerde grond een gewichtige reden vormt en nu tegen het verzoek ook geen verweer is gevoerd. Hoger beroep 3.3. [appellant] heeft in zijn beroepschrift – kort weergegeven – aangevoerd dat er geen gewichtige redenen zijn als bedoeld in artikel 3:174 BW, omdat [verweerster] geen enkel risico loopt. Volgens [appellant] zijn de verplichtingen uit de hypothecaire lening en eigenaarslasten steeds volledig door hem voldaan. [appellant] betwist dat er enige achterstand is met betrekking tot de hypothecaire lening en/of eigenaarslasten. De hypotheekverstrekker had dan ook geen redelijke grond om tot executie over te gaan. [appellant] betwist ook dat [verweerster] hem meerdere malen heeft benaderd om in overleg tot scheiding en deling te komen. Volgens [appellant] is hij plotseling in een procedure betrokken. 3.4. [verweerster] heeft zowel bij verweerschrift als bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep verweer gevoerd tegen de stellingen van [appellant] . Voor zover relevant zal het hof bij de beoordeling nader ingaan op het verweer van [verweerster] . 3.5. Het hof komt tot de volgende beoordeling. 3.5.1. Op grond van artikel 3:174 lid 1 BW kan de rechter die ter zake van een vordering tot verdeling van een gemeenschappelijk goed bevoegd zou zijn of voor wie een zodanige vordering reeds aanhangig is, een deelgenoot op diens verzoek machtigen tot het te gelde maken van dat goed ten behoeve van de voldoening van een voor rekening van de gemeenschap komende schuld of om andere gewichtige redenen. De krachtens artikel 3:174 lid 1 BW door de rechter verleende machtiging maakt de deelgenoot bevoegd tot het verrichten van handelingen waartoe hij anders uitsluitend tezamen met de deelgenoten bevoegd zou zijn. Indien een dergelijke machtiging wordt verleend, wordt één van de deelgenoten – in dit geval [verweerster] – jegens derden zelfstandig bevoegd om het gemeenschappelijk goed te verkopen en te leveren. 3.5.2. De bevoegdheid van de rechter om al dan niet een machtiging ex artikel 3:174 lid 1 BW te verlenen, is een discretionaire bevoegdheid. De wet geeft de rechter hiervoor twee grondslagen, namelijk indien sprake is van (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.