GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Meervoudige Belastingkamer Nummer: 24/391 Uitspraak op het hoger beroep van [belanghebbende] , wonend in [woonplaats] , hierna: belanghebbende, en het incidentele hoger beroep van de inspecteur van de Belastingdienst, hierna: de inspecteur, tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 26 februari 2024, nummer BRE 22/3045, in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur. 1Ontstaan en loop van het geding 1.1. De inspecteur heeft een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) opgelegd. 1.2. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard. 1.3. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard. 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. De inspecteur heeft incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank. Belanghebbende heeft schriftelijk gereageerd op het incidentele hoger beroep. 1.6. Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de inspecteur. 1.7. De zitting heeft plaatsgevonden op 24 september 2025 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende en zijn gemachtigde [gemachtigde] , en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] . Op deze zitting zijn gelijktijdig, maar niet gevoegd, behandeld de onderhavige zaak en de zaak met nummer 25/28. 1.8. Belanghebbende heeft tijdens de zitting, zonder bezwaar van de andere partij, een kopie overgelegd van de verkoopfactuur van de onderhavige auto. 1.9. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten. 1.10. Bij brief van 1 oktober 2025 heeft het gerechtshof het onderzoek heropend en partijen gelegenheid gegeven om binnen twee weken na 1 oktober 2025 te reageren op enkele arresten van de Hoge Raad van 26 september 2025. Gemachtigde heeft hierop gereageerd bij brieven van 3 oktober 2025. De inspecteur heeft niet gereageerd. Geen van partijen heeft om een nadere zitting verzocht. 1.11. Het gerechtshof heeft het onderzoek op 20 oktober 2025 gesloten en bepaald dat binnen zes weken schriftelijk uitspraak wordt gedaan. 2Feiten 2.1. Belanghebbende is eigenaar van het motorrijtuig [merk auto] met VIN-nummer [nummer] (hierna: de auto). Belanghebbende heeft de auto blijkens de inkoopfactuur op [datum] 2021 gekocht voor € 35.000. Op de inkoopfactuur staat verder vermeld dat sprake is van motorschade door een ongeval, dat de auto is verkocht in de staat zoals de auto is gezien en dat er geen sprake is van garantie. 2.2. Belanghebbende heeft op 20 januari 2021 op aangifte een bedrag van € 1.970 aan BPM voldaan ter zake van de registratie van de auto. 2.3. Bij de aangifte is een taxatierapport gevoegd van [bedrijf 1] van 17 januari 2021. In dit rapport heeft de taxateur een bedrag aan schade berekend van (afgerond) € 29.703. Er is een bedrag van € 26.730 in mindering gebracht op de handelsinkoopwaarde. De handelsinkoopwaarde in beschadigde staat bedraagt volgens de taxateur daardoor € 7.910. 2.4. De inspecteur heeft een hertaxatie laten verrichten door Domeinen Roerende Zaken (hierna: DRZ). De bevindingen zijn opgenomen in een taxatierapport van 1 februari 2021. De handelsinkoopwaarde is door de hertaxateur bepaald op € 35.867. De hertaxateur heeft geen schade aan de auto geconstateerd. In onderdeel 4c. ‘Bevindingen/opmerkingen’ heeft de hertaxateur het volgende vermeld: “Extra opmerkingen taxateur -> Voertuig is met autoambulance binnen in onze taxatiestraat gereden. Motorblok ziet er als nieuw uit. We hebben hem even gestart, na korte tijd hoor je het motorgeluid in stationair rustig lopen. Heb ook geen motor probleem gezien in de storingslijst ook brand er geen motormanagement lampje (zie foto 15 t/m 18). Er zit ook een prijsopgave van een ruilmotor, maar dat geeft niet aan of de motor kapot is. Luchtfilter en ventilator zijn eruit gehaald weet niet waarom zie geen reden en ook op het taxatierapport van [bedrijf 1] is dit niet vermeld. Mijn inziens is het blok met toebehoren niet kapot en als dit wel zou zijn valt het nog onder de garantie gezien ook de lage kilometerstand.” 2.5. De inspecteur heeft op basis van hem ter beschikking staande gegevens het standpunt ingenomen dat de verschuldigde BPM moet worden vastgesteld op € 8.811. Vervolgens heeft de inspecteur de naheffingsaanslag opgelegd. 2.6. De rechtbank heeft het hoger beroep van belanghebbende gegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat er schade is aan de motor, maar kent niet het hele bedrag aan schade toe omdat de nieuwe motor een verbetering betreft ten opzichte van de oude motor en de motorschade onder de fabrieksgarantie valt. De rechtbank heeft de schade in goede justitie vastgesteld op € 5.000, de naheffingsaanslag verminderd tot € 5.612, de inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 2.370 en bepaald dat de inspecteur het griffierecht van € 184 aan belanghebbende moet vergoeden. 2.7. Belanghebbende heeft in hoger beroep diverse facturen overgelegd van reparaties en de aankoop van onderdelen. Deze facturen zijn afkomstig van [bedrijf 2] B.V. en [bedrijf 3] . 3Geschil en conclusies van partijen 3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen: I. Heeft de inspecteur voldoende rekening gehouden met waardevermindering wegens schade? II. Dient het bedrag van de vastgestelde herstelkosten van de schade voor 72% in aanmerking te worden genomen ter bepaling van de waardevermindering dan wel voor een hoger percentage? III. Dient belanghebbende op grond van artikel 8:45 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) facturen met betrekking tot de aan- en verkoop en de reparatie van de auto over te leggen? IV. Heeft belanghebbende recht op een hogere kostenvergoeding voor de bezwaarfase? 3.2. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, primair tot vernietiging van de naheffingsaanslag en subsidiair tot vermindering van de naheffingsaanslag wegens een hogere waardevermindering door schade. De inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en bevestiging van de uitspraak op bezwaar. 4Gronden Ten aanzien van het geschil I. Schade 4.1. Het hof stelt voorop dat de verschuldigde BPM met betrekking tot gebruikte personenauto’s wordt berekend met inachtneming van een vermindering. Deze vermindering is de afschrijving, uitgedrukt in procenten van de som van de catalogusprijs en de BPM op het tijdstip waarop de auto voor het eerst in gebruik is genomen. De stelplicht en bewijslast met betrekking tot de toepasselijkheid en de omvang van die vermindering rusten op de belastingplichtige. De vermindering heeft tot doel om bij de heffing van BPM ter zake van gebruikte personenauto’s rekening te houden met een (bij benadering) reële waardedaling van het desbetreffende voertuig. 4.2. De wet- en regelgever heeft voorzien in drie methoden waaruit - met inachtneming van bepaalde voorwaarden - kan worden gekozen om die reële waardedaling aannemelijk te maken, namelijk door een verwijzing naar een in de handel algemeen toegepaste koerslijst voor de inkoop van gebruikte motorrijtuigen door wederverkopers in Nederland, onder overlegging van een kopie van de passage uit die koerslijst waaraan de toegepaste afschrijving is ontleend, ofwel door een verklaring van een onafhankelijke, erkende taxateur dat de in het taxatierapport opgegeven waarde door hem naar waarheid is vastgesteld aan de hand van een gedegen fysieke opname van het motorrijtuig, onder vermelding van datum, begin- en eindtijd van deze fysieke opname en naam, adres en woonplaats van degene die de taxatie feitelijk heeft verricht. Indien de belastingplichtige geen gebruik maakt van één van de hiervoor bedoelde opgaven, wordt de afschrijving bepaald aan de hand van de in artikel 8, lid 5, Uitvoeringsregeling BPM voorziene afschrijvingstabel. Hetgeen hiervoor onder 4.1 is overwogen brengt mee dat de belastingplichtige die kiest voor één van die methodes, in geval van gemotiveerde betwisting door de inspecteur, de feiten aannemelijk dient te maken die meebrengen (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.