← Nederland

ECLI:NL:GHSHE:2025:3138

Parketnummer : 20-001826-23 Uitspraak : 3 november 2025 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 19 juni 2023, in de strafzaak met parketnummer 96-251694-22 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1981, postadres: [adres] . Hoger beroep Bij het vonnis waarvan beroep heeft de politierechter de verdachte vrijgesproken van het tenlastegelegde, te weten het rijden onder invloed van alcohol. De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het tenlastegelegde bewezen zal verklaren en de verdachte zal veroordelen tot een geldboete ter hoogte van € 700,00, subsidiair 14 dagen hechtenis, en oplegging van de ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 7 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Namens de verdachte is primair vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit. Subsidiair heeft de raadsman een straftoemetingsverweer gevoerd. Vonnis waarvan beroep Het bestreden vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissingen. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: hij op of omstreeks 2 september 2022 te Tilburg, als bestuurder van een motorrijtuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 775 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op 2 september 2022 te Tilburg, als bestuurder van een motorrijtuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 775 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn. Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. Bewijsmiddelen Hierna wordt – tenzij anders vermeld – steeds verwezen naar het eindproces-verbaal van de politie Eenheid Zeeland-West-Brabant, zaakregistratienummer PL2000-2022234254-1, op ambtseed opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] en op ambtsbelofte opgemaakt door verbalisant, [verbalisant 2] , hoofdagenten, gesloten d.d. 4 september 2022, bevattende een verzameling van op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal van politie met daarin gerelateerde bijlagen en met doorgenummerde dossierpagina’s 1-

  1. Alle te noemen processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten. Alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.
  2. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 september 2022 (pg. 5), voor zover inhoudende het relaas van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] : Op 2 september 2022 reden wij in Tilburg. Wij stonden voor de verkeerslichten bij de Hasselt rotonde. Wij werden aangesproken door een persoon. Zij sprak ons aan met de mededeling dat achter ons een voertuig stond waarin de bestuurder volgens haar ‘niet goed was’. Dit voertuig betrof een Peugeot
  3. Wij hadden dit voertuig eerder gepasseerd. Wij zagen dat er één persoon in het voertuig zat. Wij zagen dat hij verward overkwam. Ik, verbalisant, [verbalisant 2] , nam een blaastest af bij de man. Ik zag dat het resultaat een G/F was. De persoon werd verdacht van het rijden onder invloed en bleek later [verdachte] te zijn.
  4. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 september 2022 (pg. 6), voor zover inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 1] : Op 2 september 2022 omstreeks 19.44 uur werd verdachte [verdachte] aangehouden. Ik bracht [verdachte] over naar het politiebureau nadat ik hem een bevel tot medewerking had gegeven aan het ademanalyse apparaat. Ik startte voor de derde keer een test op en zag dat het resulteerde in een geldig meetresultaat met als uitslag 775 µg/l.
  5. De verklaring van [verdachte] afgelegd ter terechtzitting van dit hof op 20 oktober 2025, voor zover inhoudende: Ik heb in totaal 7 keer geblazen. Tussentijds heb ik aangegeven dat ik een bloedonderzoek wilde. U, voorzitter, houdt mij voor dat dat uit het proces-verbaal van bevindingen blijkt dat de politie mij de kans op een tegenonderzoek bood, maar dat ik dat niet wilde. Ze gaven mij de kans op een tegenonderzoek, na de laatste keer blazen. Toen heb ik gezegd dat ik een advocaat wilde om daarmee te overleggen over hoe nu verder. Bewijsoverwegingen De raadsman van de verdachte heeft aangevoerd dat de verdachte in drie cycli heeft moeten blazen, terwijl slechts twee cycli zijn toegestaan. De verdachte was het vertrouwen in het ademanalyseapparaat verloren, omdat er eerst geen geldig resultaat uit het ademanalyseapparaat kwam en de verbalisant niet begreep hoe dat kon. Daarom heeft de verdachte tijdens de blaaspogingen die geen geldig resultaat opleverden meermaals verzocht om een bloedonderzoek. Nadat wel een geldig resultaat was verkregen en dit aan verdachte is meegedeeld heeft de politie niet uit eigener beweging een bloedonderzoek uitgevoerd. Het recht op bloedonderzoek als tegenonderzoek is een strikte waarborg. Nu dit niet is uitgevoerd, ondanks het verzoek daartoe van de verdachte, dient de verdachte te worden vrijgesproken. Het hof begrijpt – mede gelet op het subsidiair gevoerde 359a-verweer – dat de raadsman als primair verweer heeft willen voeren dat er geen sprake is van een onderzoek in de zin van artikel 8, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW) en dat de verdachte zodoende vrijgesproken dient te worden van het tenlastegelegde. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat, gelet op het blazen in drie cycli en het niet uitvoeren van het tegenonderzoek, sprake is van een vormverzuim. Ten gevolge van dat vormverzuim – in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) – dient bewijsuitsluiting te volgen. Het hof overweegt dienaangaande als volgt. Het hof stelt op basis van het procesdossier vast dat de verdachte een ademonderzoek is bevolen omdat hij verdacht werd van het besturen van een motorrijtuig onder invloed van alcohol. De verbalisant heeft ademonderzoek bij de verdachte uitgevoerd. Het ademonderzoek leidde in eerste instantie niet tot een geldig resultaat, nu het apparaat telkens als meetresultaat ‘mondalcohol’ gaf. De verbalisant heeft daarop contact gezocht met een specialist van het team verkeer. Deze collega adviseerde de verbalisant om de verdachte even in een andere ruimte te plaatsen en een bekertje water te geven. Vervolgens is de test voor een derde keer uitgevoerd en is tot een geldig resultaat gekomen. De uitslag van het ademonderzoek bedroeg 775 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht. De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij in totaal 7 keer heeft geblazen. De verdachte heeft voorts ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij meermaals om een bloedonderzoek heeft gevraagd gedurende het ademonderzoek. De verdachte heeft eveneens verklaard dat hij na afloop van het laatste ademonderzoek door de verbalisanten gewezen is op zijn recht op een tegenonderzoek. Daarop heeft de verdachte aangegeven dat hij eerst contact wilde hebben met zijn advocaat. Het hof overweegt ten aanzien van de in acht te nemen vormen bij onderzoek in geval van een verdenking van overtreding van artikel 8, tweede lid, WVW het navolgende. Het onderzoek als bedoeld in voornoemd artikel is omgeven met procedurele voorschriften zoals neergelegd in het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer (hierna: Besluit). Onderscheid dient te worden gemaakt tussen enerzijds voorschriften die weliswaar behoren tot de procedure strekkend tot een onderzoek als bedoeld in artikel 8 WVW, maar geen betrekking hebben op het daar bedoelde onderzoek als zodanig en anderzijds voorschriften die behoren tot het stelsel van strikte waarborgen. Onderscheidend daarbij is of het desbetreffende voorschrift de juistheid en de betrouwbaarheid van de uitkomst van ademonderzoek beoogt te waarborgen (ECLI:NL:PHR:2018:1319). Het onderzoek dient overeenkomstig de strikte waarborgen te zijn gedaan. Indien daar niet aan voldaan is, heeft het onderzoek niet te gelden als een onderzoek in de zin van artikel 8, tweede lid, WVW. Ingevolge artikel 11 lid 2 van het Besluit deelt de opsporingsambtenaar het resultaat van het ademonderzoek direct aan de verdachte mee en wijst hem, indien het ademonderzoek het vermoeden bevestigt dat het alcoholgehalte in zijn adem hoger is dan is toegestaan, erop dat dat hij recht op tegenonderzoek heeft. Ingevolge artikel 11 lid 3 aanhef en onder a van het Besluit geschiedt het tegenonderzoek door middel van een bloedonderzoek met dien verstande dat de verdachte direct nadat hij op het recht op een tegenonderzoek is gewezen aan de opsporingsambtenaar kenbaar dient te maken dat hij van dat recht gebruik maakt en het bloed van de verdachte direct daarna wordt afgenomen. Het hof overweegt dat het recht op een tegenonderzoek een strikte waarborg is omdat deze bijdraagt aan de juistheid en de betrouwbaarheid van de uitkomst van het onderzoek. Het hof vindt daarbij aansluiting in de jurisprudentie, nu de Hoge Raad tot het oordeel komt dat de mededeling op het recht op tegenonderzoek een strikte waarborg is (ECLI:NL:HR:2019:92). Het hof overweegt voorts dat niet kan worden aangenomen dat het voorgeschreven aantal keren dat mag worden geblazen ertoe strekt de juistheid te waarborgen van het resultaat van de ademanalyse. Het voorgeschreven aantal keren blazen – in maximaal twee cycli – behoort aldus niet tot het stelsel van strikte waarborgen waarmee het onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid, WVW is omringd (ECLI:NL:HR:2015:2502). Ten aanzien van bewijsuitsluiting vanwege een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek overweegt het hof dat dit beoordeeld dient te worden aan de hand van de beoordelingsfactoren in het tweede lid van artikel 359a Sv. Deze factoren zijn het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij door de opsporingsambtenaren is gewezen op het recht op tegenonderzoek na het ademonderzoek. Hij heeft daarop geantwoord dat hij contact wil opnemen met zijn advocaat daarover. De verdachte heeft zodoende geen gebruik gemaakt van zijn recht op een tegenonderzoek, nu hij niet direct kenbaar heeft gemaakt daar gebruik van te willen maken. Dat hij tijdens het ademonderzoek heeft aangegeven geen ademonderzoek te willen, maar een bloedonderzoek doet daar niets aan af. Het recht op een tegenonderzoek ontstaat pas na voltooiing van het ademonderzoek en de verdachte heeft de mogelijkheid op een tegenonderzoek gehad na voltooiing van het ademonderzoek. Het recht op een tegenonderzoek – en daarmee het voorschrift in artikel 11 van het Besluit – is niet geschonden. Het verweer dat geen sprake is van een onderzoek in de zin van artikel 8, tweede lid, WVW, omdat het recht op tegenonderzoek geschonden is, terwijl dit een strikte waarborg betreft, mist feitelijke grondslag omdat de verdachte wel de mogelijkheid tot een tegenonderzoek is geboden. Nu geen sprake is van een schending van een voorschrift faalt ook het subsidiaire verweer, voor zover dat betrekking heeft op het niet-uitvoeren van een bloedonderzoek. Het hof stelt met de raadsman vast dat niet gehandeld is in overeenstemming met het in artikel 10, vijfde lid, Besluit gegeven voorschrift omdat de verdachte in drie cycli heeft geblazen in plaats van twee. Gelet op het hiervoor overwogene betreft dit echter geen strikte waarborg. Vrijspraak omdat geen sprake is van onderzoek in de zin van artikel 8, tweede lid, WVW – indien de voorgeschreven aantal keren blazen geschonden wordt – is daarom niet aan de orde. Het verweer van de raadsman wordt verworpen. Ten aanzien van bewijsuitsluiting in de zin van artikel 359a Sv neemt het hof de eerder aangehaalde beoordelingsfactoren in overweging, waarbij het in de volgende alinea stilstaat bij het belang dat het geschonden voorschrift dient. Het criterium van de Hoge Raad om te beoordelen of sprake is van een strikte waarborg is of het betreffende voorschrift de juistheid en betrouwbaarheid van het onderzoek beoogt te waarborgen. Het hof overweegt dat het belang dat artikel 10, vijfde lid, van het Besluit dient, strekt ter bescherming van de verdachte. Het voorschrift beoogt te voorkomen dat te snel wordt overgegaan op het meer ingrijpende bloedonderzoek. Een bloedonderzoek betreft namelijk een (grotere) aantasting van de lichamelijke integriteit. Het niet te snel overgaan op de bloedproef vindt aansluiting in het stelsel van de wet, nu ingevolge artikel 163 WVW eerst tot een niet voltooid ademonderzoek gekomen dient te worden voordat overgegaan kan worden op een bloedonderzoek. Daarnaast is iedere opsporingsambtenaar bevoegd tot het geven van een bevel tot ademonderzoek, terwijl niet iedere opsporingsambtenaar een bloedonderzoek kan bevelen. Het blazen in drie cycli, in plaats van in twee cycli, leidt volgens het oordeel van het hof niet tot een nadeel van de verdachte, nu een extra cyclus gedurende het ademonderzoek niet in strijd is met het belang dat het voorschrift beoogt te beschermen. Het hof volstaat met de enkele constatering dat een vormverzuim is begaan. Het verweer van de raadsman wordt verworpen. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd: overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994 (775 microgram). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar. Strafbaarheid van de verdachte Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde. Op te leggen straf De raadsman heeft het hof verzocht om ten aanzien van de straf rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De verdachte heeft lastige jaren achter de rug en is net uit de schulden. De verdachte heeft voor zijn werk een rijbewijs nodig en indien hij zijn rijbewijs kwijtraakt, dan zal hij ook zijn baan verliezen. Daarnaast heeft de raadsman verzocht rekening te houden met het gegeven dat het feit een aantal jaren oud is en dat de verdachte een traject bij het CBR heeft doorlopen. Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Het hof overweegt daartoe in het bijzonder als volgt. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan rijden onder invloed van alcohol > 775 µg/l. Artikel 8, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 strekt ter bescherming van de verkeersveiligheid. Het is algemeen bekend dat alcoholgebruik een negatieve invloed heeft op cognitieve functies, terwijl zelfoverschatting juist bevorderd wordt. Verdachte heeft door zijn handelen de verkeersveiligheid – en daarmee de veiligheid van personen en goederen – in gevaar gebracht. Het hof rekent het de verdachte aan dat hij op deze wijze gehandeld heeft. Het hof heeft acht geslagen op de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS), waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid zijn neerslag heeft gevonden. Ten aanzien van overtreding van artikel 8, tweede lid, van de Wegenverkeerswet is het oriëntatiepunt bij een hoeveelheid van 775 µg/l een geldboete ter hoogte van € 850,00 en een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van 7 maanden. Het hof heeft voorts acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 22 september 2025, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte. Uit dit uittreksel komt naar voren dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van overtredingen van de Wegenverkeerswet, echter zijn deze eerdere onherroepelijke veroordelingen uit een dusdanig ver verleden dat deze geen gewicht worden toegekend bij het bepalen van de straf. Verder heeft het hof acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals deze op het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep naar voren zijn gebracht. De verdachte heeft naar voren gebracht dat hij voor zijn werk het hele land door moet rijden en bezig is met het behalen van zijn vrachtwagenrijbewijs. Hij is zich bewust van de gevaren van het besturen van een voertuig na gebruik van alcohol en stelt helemaal niet meer te drinken als hij moet rijden. Redelijke termijn Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling en afdoening van zijn of haar zaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep dient te zijn afgerond met een uitspraak binnen twee jaren nadat het hoger beroep is ingesteld. Het hof stelt vast dat er geen overschrijding is geweest van de redelijke termijn bij de procedure in eerste aanleg en dat in deze zaak het hoger beroep is ingesteld op 30 juni 2023 en dat het hof heden, 3 november 2025, arrest wijst. Daarmee is de redelijke termijn in hoger beroep geschonden met ruim vier maanden. Het hof zal de overschrijding van de redelijke termijn verdisconteren in de strafmodaliteit. Door de verdediging is aangevoerd dat het kwijtraken van het rijbewijs verregaande gevolgen heeft voor de verdachte. Het hof zal de verdachte – nu deze stelt zijn leven op de rit te hebben en zijn rijbewijs nodig te hebben voor zijn werk – geen onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen opleggen die langer is, dan de periode dat het rijbewijs reeds ingevorderd is geweest. Het hof overweegt voorts dat in verband hiermee niet kan worden volstaan met een geldboete van € 700,00 en een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van 7 maanden, waarvan het grootste gedeelte voorwaardelijk zou zijn zoals gevorderd door de advocaat-generaal. Alles afwegende acht het hof een geldboete ter hoogte van € 1000,00, subsidiair 20 dagen hechtenis en een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen van 300 dagen, waarvan 268 dagen voorwaardelijk, passend en geboden. Het hof heeft bij de op te leggen straf gelet op de draagkracht van de verdachte voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken. Toepasselijke wettelijke voorschriften De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23 en 24c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 8, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden. BESLISSING Het hof: vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan; verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij; verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar; veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 1.000,00 (duizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis; ontzegt de verdachte ter zake van het bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 300 (driehonderd) dagen; bepaalt dat een gedeelte van de bijkomende straf van de ontzegging, groot 268 (tweehonderdachtenzestig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt; bepaalt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip, waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179 van die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht. Aldus gewezen door: mr. M.J.M.A. van der Put, voorzitter, mr. J.C. Gillesse en mr. C.C.H.T. Coert, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. D.S. Yap, griffier, en op 3 november 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.