GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.338.308/01 arrest van 4 november 2025 in de zaak van 1 [XX] HOLDING B.V. gevestigd te [vestigingsplaats] ,
- [appellant sub 2] , wonende te [woonplaats] , appellanten in principaal hoger beroep, geïntimeerden in incidenteel hoger beroep, hierna in gezamenlijk enkelvoud te noemen [appellant] , advocaat: mr. B.H.A. Augustin te Urmond, gemeente Stein, tegen Hair Science Institute B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , geïntimeerde in principaal hoger beroep, appellante in incidenteel hoger beroep, hierna te noemen Hair Science, advocaat: mr. M. van Sintmaartensdijk te Maastricht, op het bij exploot van dagvaarding van 23 februari 2025 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 31 januari 2024, door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, gewezen tussen [appellant] als eisers en Hair Science als gedaagde. 1De kern van de zaak 1.
- Hair Science heeft tot 1 januari 2022 een bedrijfsruimte gehuurd van [appellant] . Volgens [appellant] was het pand na het vertrek van Hair Science in een zo slechte staat dat het niet meer verhuurbaar was. [appellant] heeft daardoor herstelkosten gemaakt en huur gederfd. In hoger beroep heeft [appellant] daaraan toegevoegd dat met Hair Science was afgesproken dat zij het pand nog drie jaar langer zou huren. Daarnaast had Hair Science volgens [appellant] door hem voorgeschoten onroerendezaakbelasting (verder “OZB”) niet betaald. [appellant] vordert een schadevergoeding van € 116.987,
- 1.
- In eerste aanleg heeft de kantonrechter van die vordering € 23.339,36 toegewezen. Dat betreft de OZB en een deel van de gestelde schade door noodzakelijke herstelwerkzaamheden aan het pand. De rest van de schades en dat het pand onverhuurbaar was geweest, konden volgens de kantonrechter niet worden vastgesteld. 1.
- [appellant] wil in hoger beroep ook de rest van de schade vergoed te krijgen. Hair Science wil in hoger beroep dat de OZB en een deel van de toegewezen schadeposten alsnog worden afgewezen. 1.
- Het hof komt echter tot hetzelfde oordeel als de kantonrechter. De overige schade en ook de afspraak dat Hair Science nog drie jaar langer zou blijven huren en 50% van de nieuwe luchtbehandelingsinstallatie zou betalen kunnen niet worden vastgesteld. Anderzijds slaagt Hair Science er niet in de post OZB en de door haar bestreden schadeposten in voldoende mate te ontkrachten. Het vonnis van de kantonrechter zal worden bekrachtigd. 2Het verloop van het geding 2.
- Voor het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 10571173 CV EXPL 23-2619) verwijst het hof naar voormeld vonnis. 2.
- Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep; de memorie van grieven met vermeerdering van grondslag van eis en producties 1 t/m 16; de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep met een productie; de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep; de nagekomen producties 17 en 18 van [appellant] ; de brief 19 augustus 2025 van mr. Augustin inhoudende een vermeerdering van eis, met productie 19; de mondelinge behandeling, waarbij partijen spreekaantekeningen hebben overgelegd. Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. 3De feiten 3.
- De kantonrechter heeft in overweging 2.1 t/m 2.5 van het vonnis de feiten vastgesteld waarvan bij de beoordeling van dit geschil wordt uitgegaan. Tegen deze vaststelling heeft geen van beide partijen een grief geformuleerd. Het hof gaat daarom uit van diezelfde feiten en verwijst daartoe naar het vonnis. 3.
- In aanvulling daarop stelt het hof de volgende nadere feiten vast. 3.
- Op 31 december 2021, daags voor het einde van de huurovereenkomst, heeft deurwaarder Schaeken uit Helmond een opname gedaan van het pand en daarvan proces-verbaal (verder het “proces-verbaal van opname”) opgemaakt. [appellant] was uitgenodigd om bij die opname aanwezig te zijn, maar heeft daar geen gehoor aan gegeven. 3.
- Daags na het vertrek van Hair Science uit het gehuurde hebben [appellant] en Hair Science, in het bijzijn van hun advocaten, een rondgang door het pand gemaakt. Daarvan is geen verslag gemaakt. 4Standpunten van partijen In eerste aanleg 4.
- In eerste aanleg heeft [appellant] , samengevat en voor zover hier van belang, een schadevergoeding gevorderd van in totaal € 116.987,35 ter zake verschillende schadeposten, vermeerderd met rente en kosten. Hij heeft daarvoor aangevoerd dat na het vertrek van Hair Science het pand zo beschadigd was dat het niet meer verhuurd kon worden, zodat hij huur heeft gederfd en kosten voor herstel heeft moeten maken. Ook stelt [appellant] dat hij OZB heeft voorgeschoten die Hair Science niet heeft (terug)betaald. 4.
- Hair Science heeft verweer gevoerd en geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen van [appellant] , met veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van [appellant] , hoofdelijk, in de proceskosten. Zij heeft aangevoerd dat er geen sprake was van schade aan het pand en dat zij niet gehouden was om de door [appellant] betaalde OZB (terug) te betalen. 4.
- De kantonrechter heeft de vorderingen van [appellant] gedeeltelijk toegewezen en de kosten in eerste aanleg gecompenseerd. De kantonrechter heeft geoordeeld dat een deel van de gestelde schades (aan lampen en armaturen, cilindersloten, waterschade en de gederfde huur) niet kan worden vastgesteld en die vorderingen afgewezen. In hoger beroep 4.
- [appellant] vordert in principaal hoger beroep vernietiging van het vonnis voor zover zijn vorderingen daarin zijn afgewezen, met veroordeling van Hair Science in de kosten van beide instanties, en, zo begrijpt het hof tenminste, dat die afgewezen vorderingen alsnog worden toegewezen. Hij heeft daartoe vier grieven (I t/m IV) geformuleerd. 4.
- Hair Science heeft de grieven bestreden en geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen van [appellant] met veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van [appellant] in de kosten van beide instanties, te vermeerderen met rente. 4.
- In incidenteel hoger beroep vordert Hair Science om het vonnis te vernietigen en [appellant] , uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen tot betaling van € 22.339,36, vermeerderd met rente en veroordeling van [appellant] in de kosten van beide instanties, ook met rente. Hair Science heeft daartoe twee grieven geformuleerd. 4.
- [appellant] heeft in het incidenteel appel de grieven betreden en geconcludeerd afwijzing van de vorderingen van Hair Science, met veroordeling van Hair Science in de kosten. 5De beoordeling Bevoegdheid 5.
- Deze zaak heeft een internationaal karakter omdat een van appelanten in het buitenland (België) woont. Aangezien de verweerder in Nederland woont en het een handelszaak betreft als bedoeld in artikel 1 van de herschikte EEX-Verordening (Brussel I-bis-Vo) is de Nederlandse rechter bevoegd (artikel 4 Brussel I-bis-Vo). Het principaal hoger beroep Eiswijzigingen 5.
- In zijn memorie van grieven heeft [appellant] de grondslag van zijn eis uitgebreid. [appellant] stelt nu ook dat was afgesproken dat Hair Science de helft van de kosten voor een geplaatste luchtbehandelingsinstallatie voor haar rekening zou nemen. Ook heeft [appellant] aan de vordering tot schadevergoeding wegens gederfde huurinkomsten, naast de al eerder gestelde onverhuurbaarheid, toegevoegd dat met Hair Science overeengekomen was, althans dat [appellant] erop mocht vertrouwen dat overeengekomen was, dat Hair Science het pand na 31 december 2021 nog drie jaar zou blijven huren. 5.
- Dit is een vermeerdering van de grondslag van eis en [appellant] is in beginsel daartoe gerechtigd (artikel 130 Rv). [appellant] heeft van deze eiswijziging niet op de in artikel 2.16 van het toen geldende Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven, in de titel van zijn memorie van grieven melding gemaakt. 5.
- Hair Science heeft de aanvulling van de grondslag echter wel herkend. In randnummer 3.21 van de memorie van antwoord, tevens grieven in het incidenteel appel, schrijft Hair Science immers, voor zover hier van belang: “De feitelijke grondslag is (…) in hogere beroep een volledig andere dan in eerste aanleg. De eis is door [appellant] echter niet gewijzigd, althans dat staat niet met zoveel woorden in de memorie van grieven”. De constatering van Hair Science is op zich juist, maar kwalificeert niet als een formeel bezwaar op processuele gronden tegen de toelaatbaarheid van de vermeerdering van eis. Daar komt bij dat Hair Science in de daarop volgende randnummers inhoudelijk verweer voert tegen de aanvullende grondslag. 5.
- Gezien het voorgaande en het feit dat [appellant] zijn eisvermeerdering in zijn eerste (inhoudelijke) processtuk in hoger beroep heeft gedaan, en nu de eisvermeerdering ook overigens niet in strijd is met de eisen van de goede procesorde, staat het hof deze vermeerdering van eis toe. 5.
- Op 19 augustus 2025 heeft de advocaat van [appellant] vervolgens een brief gezonden aan de griffier van het hof. [appellant] zegt daarin zijn oorspronkelijk vordering om Hair Science te veroordelen tot betaling van een voorschot van € 50.000,00 wegens huurderving als gevolg van onverhuurbaarheid, te willen wijzigen in een vordering tot betaling van € 615.162,50 wegens huurderving. Daarnaast voegt [appellant] een nieuwe vordering toe, namelijk betaling van € 87.916,70 ter zake de hiervoor onder 5.2 genoemde luchtbehandelingsinstallatie. 5.
- Ook dit zijn eisvermeerderingen, maar deze staat het hof niet toe. Nog daargelaten of de brief van 19 augustus 2025 valt aan te merken als een processtuk waarmee een eiswijziging kan worden gedaan, en het formele bezwaar van Hair Science tegen deze tweede set eiswijzigingen, staat de in artikel 347 lid 1 Rv besloten twee-conclusie-regel aan toelating van deze eisvermeerderingen in de weg. Dit artikel beperkt de aan oorspronkelijk eiser toekomende bevoegdheid tot verandering of vermeerdering van eis in hoger beroep in die zin, dat hij in beginsel zijn eis niet later dan in zijn memorie van grieven of antwoord mag veranderen of vermeerderen. Omstandigheden die afwijking van deze regel rechtvaardigen zijn niet gesteld of gebleken. 5.
- Het gevolg van wat hiervoor in r.o. 5.6 en 5.7 is overwogen, is dat het hof in het navolgende de stellingen omtrent de luchtbehandelingsinstallatie onbesproken zal laten. [appellant] heeft de feitelijke en juridische grondslagen voor deze vordering weliswaar wel al bij memorie van grieven gesteld, maar daar toen geen concrete eis aan verbonden. Het op die grondslag door [appellant] gevorderde bedrag valt niet onder een van de toen al wel gevorderde posten te brengen. Ook niet onder die ter zake gederfde huur. Pas in de brief van 19 augustus 2025 voorziet [appellant] de kwestie van de luchtbehandelingsinstallatie van een, geheel op zichzelf staande, concrete vordering. Die eisvermeerdering is echter zoals hiervoor overwogen niet toelaatbaar. 5.
- Het hof zal hierna dus oordelen op basis van: - (mede) de aanvullende grondslag (voor zover dit betreft de afspraak dat drie jaar langer gehuurd zou worden) uit de memorie van grieven in het principaal hoger beroep; - het ongewijzigde petitum, zoals geformuleerd in de dagvaarding in eerste aanleg. De grieven I en II (lampen & armaturen en cilindersloten) 5.
- Met deze grieven komt [appellant] op tegen het oordeel van de kantonrechter dat [appellant] zijn stelling dat de lampen en armaturen in het gebouw na het vertrek van Hair Science gebreken vertoonden (r.o. 4.2 van het vonnis) en dat een veelvoud van de cilindersloten in het pand defect was en vervangen moesten worden (r.o. 4.7 van het vonnis), in het licht van het verweer van Hair Science, onvoldoende gemotiveerd heeft gehandhaafd. 5.
- Deze grieven falen. In eerste aanleg heeft [appellant] ter onderbouwing van zijn stellingen aan aantal facturen in het geding gebracht. Weliswaar kan daaruit worden opgemaakt dat bepaalde kosten zijn gemaakt, maar niet waarom die kosten zijn gemaakt, laat staan dat dat noodzakelijk was vanwege schade waarvoor Hair Science verantwoordelijk gehouden kan worden. Terecht heeft de kantonrechter geoordeeld dat [appellant] zijn stellingen nader had moeten motiveren en (met stukken) onderbouwen, zeker gezien de omstandigheid dat uit het proces-verbaal van opname niets van gebreken aan lampen, armaturen en cilindersloten blijkt. Het hof voegt daar nog de omstandigheid aan toe dat (bij gebreke van enig verslag) uit niets blijkt dat tijdens de gezamenlijke rondgang door partijen en hun advocaten wel (dergelijke) gebreken zijn geconstateerd. 5.
- [appellant] wijst in hoger beroep aanvullend op twee e-mails (van respectievelijk 9 maart 2022 en 27 januari 2023) van zijn advocaat, maar ook die zijn niet voldoende. Die tonen immers niet meer aan, dan dat [appellant] zich, bij monde van zijn advocaat, op het standpunt stelde dat er gebreken waren geconstateerd. Een gezamenlijke vaststelling daarvan, of een door een derde, ontbreekt nog steeds. 5.
- Ook de foto’s waar [appellant] op wijst zeggen niet genoeg. Daarop is te zien dat bepaalde lampen niet branden. Maar dat dat komt door gebreken waar Hair Science verantwoordelijk voor is, blijkt uit de foto’s niet. Terwijl er meerdere redenen denkbaar zijn waarom een lamp niet brandt. Ook zijn op die foto’s geen beschadigingen of andere gebreken aan armaturen zichtbaar. 5.
- Daarmee heeft [appellant] de gestelde gebreken nog steeds niet voldoende concreet en met stukken onderbouwd. Het oordeel van de kantonrechter blijft in stand. Grief III (waterschade) 5.
- Deze grief bestrijd het oordeel van de kantonrechter dat de zowel de feitelijke als de juridische grondslag onder de vordering met betrekking tot waterschade te vaag zijn gebleven en deze vordering daarom afgewezen wordt (r.o. 4.12 van het vonnis). 5.
- Het hof zal ook deze grief afwijzen. 5.
- In hoger beroep wijst [appellant] op dezelfde e-mail van een schade-expert (productie 18 bij dagvaarding in eerste aanleg) als waar hij zich in eerste aanleg op beriep. In die e-mail geeft die deskundige zijn persoonlijke mening over een verdeling van uitgekeerde schadevergoedingen. Wat er aan die mening ten grondslag ligt wordt niet vermeld. Daar komt bij dat de mening is gebaseerd op een aanname, c.q. van een voorbehoud is voorzien (“Indien de bedragen inderdaad betaald zijn(…)”). 5.
- Uit deze e-mail volgt niet op grond van welke feiten Hair Science het gevorderde bedrag moet betalen. Ook blijkt er niet uit wat de juridische grondslag voor die betaling zou moeten zijn. [appellant] zelf heeft over de feitelijke en de juridische grondslag in hoger beroep niets aanvullends gesteld, zodat beide nog steeds onvoldoende duidelijk zijn. [appellant] heeft daarmee onvoldoende gesteld. Ook dit oordeel van de kantonrechter blijft daarom in stand. Grief IV (gederfde huur) 5.
- [appellant] komt met deze grief op tegen het oordeel van de kantonrechter dat niet kan worden vastgesteld dat het pand na het vertrek van Hair Science daaruit in een onverhuurbare staat verkeerde en dat ook een afspraak om het pand nog drie jaar te blijven huren, als die al is gemaakt, geen aanspraak biedt op enige schadevergoeding wegens gebreken aan het gehuurde (r.o. 4.13 en 4.14 van het vonnis). 5.
- De grief faalt. 5.
- [appellant] richt zich in de toelichting op deze grief volledig op de bij memorie van grieven gepresenteerde aanvullende grondslag dat was overeengekomen dat Hair Science het pand nog drie jaar zou blijven huren. Over het oordeel van de kantonrechter aangaande de oorspronkelijke grondslag, de beweerdelijk onverhuurbare toestand van het pand, zegt [appellant] in de toelichting op de grief helemaal niets. In die zin is de grief ondeugdelijk onderbouwd. Bovendien is het hof van oordeel dat [appellant] , met name in het licht van de inhoud van het door op de deurwaarder op 31 december 2021 opgemaakte proces-verbaal van opname van het gehuurde (productie 1 bij conclusie van antwoord) zijn stelling dat het gehuurde zich in een erbarmelijke en onverhuurbare toestand bevond bij het einde van de huur onvoldoende feitelijk heeft onderbouwd. 5.
- Ten aanzien van de gestelde afspraak dat Hair Science het pand nog drie jaar zou blijven huren geldt het volgende. [appellant] stelt dat dat hij deze afspraak mondeling met [persoon A] , bestuurder van Hair Science heeft gemaakt. Ter onderbouwing van zijn stelling verwijst [appellant] naar twee gesprekken die hij op respectievelijk 20 juni en 23 oktober 2023, speciaal hierover, met [persoon A] heeft gevoerd. De geluidsopnames en transcripties van die gesprekken heeft [appellant] respectievelijk als producties 12 en 13 in hoger beroep in het geding gebracht. 5.
- Het hof heeft kennis genomen van de geluidsopnames en transcripties en stelt vast dat [persoon A] nergens in een van die gesprekken erkent een dergelijke afspraak namens Hair Science te hebben gemaakt. Wel zegt [persoon A] in het gesprek op 20 juni 2023 “Natuurlijk, hè, want dat lag ook buiten mijn bevoegdheid” (productie 12 bij memorie van grieven in principaal hoger beroep, 02:04:32). Ook blijkt uit de opnames en transcripties dat er ook nooit een formeel besluit genomen is door Hair Science over de door [appellant] gestelde verlenging van de huurovereenkomst. Het hof stelt verder vast dat de door [appellant] gestelde afspraken, waarmee een aanzienlijk bedrag/belang was gemoeid, nergens schriftelijk tussen partijen zijn vastgelegd, hetgeen tussen zakelijk opererende ondernemingen voor de hand had gelegen. 5.
- Daar staat de gemotiveerde betwisting door Hair Science tegenover, die zij onderbouwt met het proces-verbaal van het op 31 maart 2024 gehouden voorlopig getuigenverhoor van [persoon A] . Bij dat verhoor heeft [persoon A] verklaard: “De onderwerpen verdeling van de kosten en verlenging van de huurovereenkomst zijn beide door de heer [appellant] opgeworpen. De verlenging van de huurovereenkomst was vanuit HSI [Hair Science: hof], in het bijzonder de grootaandeelhouder, niet bespreekbaar. Zodra de huurovereenkomst zou eindigen zou HSI niet meer willen blijven.” 5.
- In het licht van de gemotiveerde betwisting door Hair Science, die met de beëdigde verklaring van [persoon A] is onderbouwd, heeft [appellant] ten aanzien zijn stelling dat (hij er ten minste gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat) met Hair Science overeengekomen was dat zij het pand nog drie jaar zou blijven huren, onvoldoende gesteld. Aan bewijsvoering (zoals door [appellant] voor het eerst ter zitting van het hof in algemene bewoordingen aangeboden) komt het hof daarom niet toe. 5.
- Deze proceskostenveroordeling zal, zoals verzocht, uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. Het incidenteel hoger beroep Grief 1 5.
- Met deze grief komt Hair Science op tegen het oordeel van de kantonrechter in r.o. 4.3 t/m 4.5 van het vonnis, dat zij – samengevat – door [appellant] betaalde OZB moet (terug)betalen. 5.
- Deze grief faalt. Het verweer van Hair Science tegen de vordering van [appellant] op dit punt valt in twee delen uiteen. Het eerste deel betreft het zogenaamde landhuis, het gedeelte van het gehuurde waar Hair Science zelf direct gebruik van maakte. De gebruikersbelasting met betrekking tot dit pand zou Hair Science volledig zelf hebben betaald. De productie waarnaar Hair Science ter onderbouwing verwijst, heeft zij echter niet in deze procedure (ook niet alsnog in dit hoger beroep) ingebracht. Daartegenover staan door [appellant] in het geding gebrachte stukken, te weten aanslagen, waaruit blijkt dat [appellant] voor die bedragen is aangeslagen. Hair Science heeft haar verweer dan ook onvoldoende gemotiveerd. 5.
- Het tweede gedeelte betreft het zogenaamde koetshuis. Dat deel van het gehuurde werd door Hair Science onderverhuurd. Hair Science stelt zich op het standpunt dat haar onderhuurders de gebruikersbelasting hadden moeten betalen en hebben betaald en dat [appellant] zich, voor zover hij die aanslagen heeft voldaan maar op hen moet verhalen. Dat de onderhuurders de aanslagen zelf hebben betaald, heeft Hair Science echter op geen enkele manier onderbouwd. Dat is niet meer dan een blote stelling, waar het hof, gezien de betwisting door [appellant] aan voorbij gaat. Daarnaast valt niet in te zien waarom [appellant] de door haar aan gebruikersbelasting betaalde bedragen niet op haar eigen contractspartner (Hair Science) zou kunnen verhalen, maar in plaats daarvan partijen zou moeten aanspreken waar hij zelf geen enkele contractuele binding mee heeft, maar Hair Science op haar beurt als onderverhuurder wel. De kantonrechter heeft de vordering inzake OZB terecht toegewezen. Grief 2 5.
- Deze grief richt zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat Hair Science de kosten voor vervanging van een harddisk aan [appellant] moet vergoeden. 5.
- Ook deze grief kan niet slagen. Hair Science verwijst naar een vermelding van een item aangeduid als “FAD geheugen extra” in productie 6 bij conclusie van antwoord in eerste aanleg en stelt dat dat de betreffende harddisk zou zijn. Dit item, aldus Hair Science, zou aan haar in eigendom zijn overgedragen. 5.
- [appellant] heeft dit gemotiveerd weersproken en erop gewezen dat de betreffende harddisk bij partijen bekend stond onder de merknaam “QNAP”. Bij gebreke aan een nadere onderbouwing door Hair Science dat het “FAD geheugen extra” wel de betreffende harddisk is, terwijl dit ook niet anderszins uit de beschikbare stukken blijkt, heeft zij haar verweer op dit punt onvoldoende gemotiveerd gehandhaafd. Ook dit oordeel van de kantonrechter blijft dus in stand. Proceskosten in principaal en incidenteel hoger beroep 5.
- Zowel in het principaal hoger beroep als in het incidenteel hoger beroep falen alle grieven. Het oordeel van de kantonrechter blijft dus in stand. Dat geldt ook voor de beslissing om de proceskosten in eerste aanleg te compenseren omdat beide partijen daar deels in het ongelijk zijn gesteld. Weliswaar heeft Hair Science in hoger beroep verzocht [appellant] ook in de kosten in eerste aanleg te veroordelen, maar zij heeft dat verzoek niet onderbouwd. Bij gebreke van zo’n onderbouwing ziet het hof geen aanleiding om anders over de kosten in eerste aanleg te oordelen dan de kantonrechter heeft gedaan. Ook na dit hoger beroep is de vaststelling van de kantonrechter dat beide partijen in eerste aanleg deels in het ongelijk zijn gesteld immers nog juist. 5.
- [appellant] zal als de in het principaal hoger beroep in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in het principaal hoger beroep worden veroordeeld. Die kosten aan de zijde van Hair Science zullen vastgesteld worden op: Griffierecht € 2.175,00 Salaris advocaat € 4.426,00 (2 punten x tarief IV) Nakosten € 178,00 (plus de verhoging als vermeld in de beslissing) Totaal € 6.779,00 5.
- Hair Science zal als de in het incidenteel hoger beroep in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in het incidenteel hoger beroep worden veroordeeld. Die kosten aan de zijde van [appellant] zullen vastgesteld worden op: Salaris advocaat € 1.571,00 (2 punten x 0,5 x tarief III) Nakosten € 178,00 (plus de verhoging als vermeld in de beslissing) Totaal € 1.749,00 6De uitspraak Het hof: op het principaal hoger beroep 6.
- bekrachtigt het vonnis waarvan beroep, 6.
- veroordeelt [appellant] hoofdelijk in de proceskosten in het hoger beroep van € 6.779,00, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de vijftiende dag na dagtekening van dit arrest tot aan de dag van volledige betaling. Als [appellant] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het arrest daarna wordt betekend, bovendien vermeerderd met € 92,00 en met de kosten van betekening; 6.
- verklaart dit arrest voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. op het incidenteel hoger beroep 6.
- bekrachtigt het vonnis waarvan beroep, 6.
- veroordeelt Hair Science in de proceskosten in het hoger beroep van € 1.749,
- Als Hair Science niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het arrest daarna wordt betekend, vermeerderd met € 92,00 en met de kosten van betekening. Op het principaal en incidenteel hoger beroep 6.
- wijst het meer of anders gevorderde af. Dit arrest is gewezen door mrs. J.B. Smits, J.I.M.W. Bartelds en C.M. Molhuysen en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 4 november
- griffier rolraadsheer