Parketnummer : 20-000317-25 Uitspraak : 6 november 2025 TEGENSPRAAK (Art. 279 Sv) Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 27 januari 2025, parketnummer 03-343622-24 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf, parketnummer 20-001051-23, in de strafzaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1991, wonende te [adres] , thans uit anderen hoofde verblijvende in P.I. Grave te Grave. Hoger beroep De politierechter heeft verdachte ter zake van “diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van inklimming” veroordeeld tot een gevangenisstraf van 13 weken. Tevens heeft de politierechter de tenuitvoerlegging bevolen van de straf voor zover voorwaardelijk opgelegd bij arrest van dit hof van 23 november 2023 met parketnummer 20-001051-23 te weten een gevangenisstraf van 4 weken. Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal bevestigen. De verdediging heeft verweren gevoerd betreffende de bewezenverklaring en de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de redengeving waarop dit berust onder aanvulling van gronden. Standpunten verdediging Ten aanzien van de bewezenverklaring De verdediging heeft het in eerste aanleg gevoerde verweer herhaald dat verdachte van het ten laste gelegde moet worden vrijgesproken en heeft daartoe – in de kern aangevoerd – dat het veegspoor aangetroffen aan de buitenzijde van het inklimraam geen daderspoor is. De politierechter heeft omtrent dit verweer het navolgende overwogen (pagina 5 van het vonnis): “Het onderzochte veegspoor aan de buitenzijde van het inklimraam bevat DNA van de verdachte. Dat spoor kan alleen door hem zijn aangebracht. Een andere aannemelijke verklaring voor het spoor is er niet. Het aangetroffen spoor vraagt om een verklaring van verdachte, maar die heeft hij niet gegeven. Dit leidt tot de conclusie dat het niet anders is dan dat verdachte heeft zich de toegang tot het woonzorgcentrum verschaft door middel van inklimming. Daar heeft hij meerdere kandelaars en één kruis weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.” Het hof neemt vorenstaande overweging van de politierechter over en maakt deze tot de zijne. Aanvullend overweegt het hof dat, anders dan de verdediging naar voren heeft aangebracht, de veegsporen op de buitenzijde van het inklimraam wel als dadersporen zijn aan te merken gelet op hetgeen uit de bewijsvoering blijkt en de plaats waar het veegspoor is aangetroffen en er door verdachte geen aannemelijke verklaring is gegeven voor de aanwezigheid van het betreffende veegspoor noch een dergelijke verklaring anderszins aannemelijk is geworden. Daarbij is tevens van belang dat verdachte ervoor heeft gekozen om op vragen met betrekking tot aangetroffen DNA-sporen zich op zijn zwijgrecht te beroepen. De belastende omstandigheid dat een veegspoor van verdachte op de plaats delict is aangetroffen op (onder)delen van het woonzorgcentrum waarvan het voor de hand ligt dat ze door de dader van de inbraak zijn aangeraakt en welke onderdelen van het woonzorgcentrum niet verplaatsbaar zijn ”schreeuwt” om een verklaring van verdachte, die is uitgebleven. Met de politierechter verwerpt hof het verweer van de verdediging Ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot tenuitvoerlegging van een in de zaak met parketnummer 20-001051-23 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 4 weken moet worden afgewezen. Daartoe is aangevoerd dat het in de onderhavige zaak bewezenverklaarde feit (diefstal met inklimming) niet gelijksoortig is aan het feit (bedreiging, vernieling en overtreding van de Wegenverkeerswet 1994) waarvoor de voorwaardelijke straf is opgelegd. Het hof verwerpt dit verweer nu artikel 14g, eerste lid, Sr noch een andere rechtsregel de eis stelt dat het strafbare feit waaraan de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt, soortgelijk is aan het strafbare feit in verband waarmee de (gedeeltelijk) voorwaardelijke gevangenisstraf is opgelegd. BESLISSING Het hof: Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen. Aldus gewezen door: mr. J.C. Gillesse, voorzitter, mr. J.T.F.M. van Krieken en mr. C.A. van Roosmalen, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. J.H.W. van der Meijs, griffier, en op 6 november 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.