← Nederland

ECLI:NL:GHSHE:2025:3281

Parketnummer : 20-002207-24 Uitspraak : 12 november 2025 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 16 augustus 2024, in de strafzaak met parketnummer 02-021716-24 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1998, thans uit anderen hoofde verblijvende in [PI] . Hoger beroep Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van ‘diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel’ (het onder 1 primair tenlastegelegde) en ‘mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening’ (het onder 2 tenlastegelegde) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 weken, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. De politierechter heeft de benadeelde partij [benadeelde 1] niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot schadevergoeding. Tot slot heeft de politierechter de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] geheel toegewezen, te weten een bedrag van € 600,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 januari 2024 en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdachte is veroordeeld in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot op het moment van het wijzen van het vonnis begroot op nihil. Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft zich ten aanzien van het onderdeel ‘spugen’ met betrekking tot het onder 2 tenlastegelegde op het standpunt gesteld dat dit geen beschermde vrijspraak betreft en gevorderd dat het hof zal bewezen verklaren hetgeen aan de verdachte onder 1 primair en onder 2 is tenlastegelegd en de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 weken, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal verklaren en ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof deze vordering zal toewijzen tot een bedrag van € 600,00, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdediging heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van het onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde. Met betrekking tot het onderdeel ‘spugen’ ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde heeft de verdediging primair bepleit dat de vrijspraak van de politierechter een beschermde vrijspraak betreft, subsidiair dat dit onderdeel niet bewezen kan worden verklaard en meer subsidiair dat het niet als mishandeling kan worden gekwalificeerd. Daarnaast heeft de verdediging in het kader van de afdoening verzocht dat het hof toepassing zal geven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] heeft de verdediging bepleit dat het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal verklaren. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] heeft de verdediging verzocht dat het hof het toe te wijzen bedrag zal matigen. Ontvankelijkheid van het hoger beroep De politierechter heeft de verdachte vrijgesproken van het onderdeel ‘spugen’ ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde. Het hof ziet zich gesteld voor de vraag of dit als een beschermde vrijspraak dient te worden beschouwd. Het hof is, met de advocaat-generaal, van oordeel dat het tenlastegelegde dient te worden gezien als één feit en derhalve dat er geen sprake is van een beschermde vrijspraak. Gelet hierop is de gehele tenlastelegging aan het oordeel van het hof onderworpen. Vonnis waarvan beroep Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: 1.hij op of omstreeks 18 januari 2024, te Heerenveen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een voertuig (personenauto, [merk] , kleur zwart, kenteken [kenteken] ), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan [benadeelde 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(

  1. s)zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben/heeft verschaft en/of dat weg te nemen goed onder hun/zijn bereik hebben/heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door daarbij onbevoegd gebruik te maken van een sleutel, waarmee dat voertuig kon worden gestart en/of waarmee, althans met behulp waarvan, dat voertuig kon worden bestuurd en/of bestuurd blijven worden; subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 18 januari 2024, te Oosterhout (gemeente Oosterhout), tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een voertuig (personenauto, [merk] , kleur zwart, kenteken [kenteken] ), althans een goed, heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(
  2. s)ten tijde van de verwerving en/of het voorhanden krijgen van dit goed wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof; 2.hij op of omstreeks 18 januari 2024, te Oosterhout (gemeente Oosterhout), een ambtenaar, te weten een hoofdagent van politie Eenheid Landelijke Expertise en Operaties ( [benadeelde 2] ), gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, heeft mishandeld door die [benadeelde 2] met kracht met geschoeide voet op/tegen diens scheenbeen en/of lichaam te schoppen en/of te trappen en/of die [benadeelde 2] op/in/tegen diens gezicht en/of hoofd en/of lichaam te spugen, waardoor een min of meer hevige onlust veroorzakende gewaarwording in of aan het lichaam van die [benadeelde 2] is teweeggebracht. De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Vrijspraak van het onder 1 primair tenlastegelegde De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het onder 1 primair tenlastegelegde bewezen zal verklaren, nu op grond van het dossier kan worden vastgesteld dat er sprake is van medeplegen van diefstal. Hiertoe heeft de advocaat-generaal naar voren gebracht dat de verdachte samen met een ander op pad is gegaan, zij hebben gekeken welke auto’s op slot stonden en zij vervolgens samen in een auto zijn ingestapt en zijn weggereden. Aan de verklaring van de verdachte, te weten dat hij enkel op de uitkijk heeft gestaan, hetgeen hij pas ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard, dient geen waarde te worden gehecht. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging vrijspraak bepleit ten aanzien van het onder 1 primair tenlastegelegde. Hiertoe heeft de raadsman van de verdachte naar voren gebracht dat het handelen van de verdachte slechts duidt op enige vorm van medeplichtigheid aan de diefstal van de auto en de verdachte derhalve dient te worden vrijgesproken van het medeplegen van de diefstal. Het hof overweegt dienaangaande als volgt. Op grond van het dossier stelt het hof vast dat op 18 januari 2024, omstreeks 19.00 uur, aan [adres] een zwarte personenauto van het [merk] met kenteken [kenteken] is weggenomen. Deze auto behoorde toe aan de aangeefster [benadeelde 1] . De aangeefster heeft hierop de politie gebeld, die omstreeks 21.45 uur een ANPR-melding krijgt over het gestolen voertuig. Het voertuig is op de A27 gezien en omstreeks 22.00 uur gecontroleerd tot stilstand gebracht op de vluchtstrook. Als bestuurder is medeverdachte [medeverdachte 1] aangetroffen, de verdachte als bijrijder en [medeverdachte 2] als passagier achterin de auto. Verbalisant [verbalisant] heeft camerabeelden bekeken van de diefstal van voornoemde auto. Hoewel de diefstal zelf niet te zien is op de camerabeelden, is wel een persoon zichtbaar die een sigaret aan het roken is. Verbalisant [verbalisant] constateert dat de kleding van de verdachte overeenkomt met deze persoon op de camerabeelden. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte ook verklaard deze persoon te zijn, terwijl [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] langs auto’s liepen om te kijken of er een auto open was. Nadat voornoemde auto is geopend, is de verdachte ingestapt en zijn zij weggereden, aldus de verdachte. Naar het oordeel van het hof kan uit het dossier niet worden afgeleid dat de verdachte zich tezamen en in vereniging met een of meer anderen schuldig heeft gemaakt aan het plegen of medeplegen van de diefstal van de personenauto, zoals primair is tenlastegelegd. De verdachte heeft zelf ter zitting verklaard dat hij ten behoeve van de diefstal op de uitkijk stond. Uit de overige inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting valt naar het oordeel van het hof niet, althans niet met de vereiste mate van zekerheid, af te leiden dat de rol van de verdachte bij de diefstal groter of anders is geweest dan het gestelde op de uitkijk staan. Daarmee ontbreekt in elk geval al het bewijs dat de verdachte de diefstal heeft gepleegd. Voor wat betreft het tenlastegelegde medeplegen overweegt het hof voorts dat het op de uitkijk staan een gedraging betreft die doorgaans met medeplichtigheid in verband dient te worden gebracht. Feiten of omstandigheden die maken dat in dit geval van deze hoofdregel dient te worden afgeweken zijn niet aannemelijk geworden. Ook voor het door de verdachte medeplegen van de desbetreffende diefstal ontbreekt daarom het bewijs.. Derhalve zal het hof de verdachte vrijspreken van het aan hem onder 1 primair tenlastegelegde. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat: 1. hij op 18 januari 2024, te Oosterhout (gemeente Oosterhout), een voertuig (personenauto, [merk] , kleur zwart, kenteken [kenteken] ), voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van dit goed wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof; 2.hij op 18 januari 2024, te Oosterhout (gemeente Oosterhout), een ambtenaar, te weten een hoofdagent van politie Eenheid Landelijke Expertise en Operaties ( [benadeelde 2] ), gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, heeft mishandeld door die [benadeelde 2] met kracht met geschoeide voet tegen diens scheenbeen te schoppen en die [benadeelde 2] in diens gezicht te spugen, waardoor een min of meer hevige onlust veroorzakende gewaarwording in of aan het lichaam van die [benadeelde 2] is teweeggebracht. Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. Bewijsmiddelen Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht. Bewijsoverwegingen De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd. Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft. Ten aanzien van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging ten aanzien van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde vrijspraak bepleit. Hiertoe heeft de raadsman van de verdachte aangevoerd dat de enkele aanwezigheid van de verdachte in de auto onvoldoende is om vast te stellen dat er sprake is van opzetheling, nu de auto zich niet in de machtssfeer van de verdachte heeft bevonden en hij derhalve niet als heer en meester hierover kon beschikken. Het hof overweegt dienaangaande als volgt. Uit hetgeen hiervoor onder ‘Vrijspraak van het onder 1 primair tenlastegelegde’ is overwogen volgt dat de verdachte is ingestapt in de gestolen auto van aangeefster [benadeelde 1] . Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij, de verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] alle drie in de auto hebben gereden. Het hof ziet geen reden om te twijfelen aan deze verklaring. Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat de verdachte derhalve wetenschap had van de omstandigheid dat de auto van diefstal afkomstig was en dat de auto zich ook in zijn machtssfeer heeft bevonden. Er zijn geen omstandigheden aannemelijk geworden waaruit voortvloeit dat dit anders is. Mitsdien verwerpt het hof het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging. Resumerend acht het hof, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld. Ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging vrijspraak bepleit ten aanzien van het onderdeel ‘spugen’, nu niet bewezen kan worden verklaard dat de verdachte heeft gespuugd naar verbalisant [benadeelde 2] dan wel dat dit geen mishandeling oplevert. Het hof overweegt dienaangaande als volgt. Uit het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [benadeelde 2] volgt dat hij zag dat de verdachte tijdens zijn aanhouding zijn gezicht in de richting van het gezicht van [benadeelde 2] draaide, waarbij de verbalisant voelde dat er spetters tegen zijn gezicht aankwamen en dat hij tegelijkertijd zag dat de verdachte spugende bewegingen maakte in zijn richting. Op grond hiervan is het hof van oordeel dat bewezen kan worden verklaard dat de verdachte heeft gespuugd in het gezicht van verbalisant [benadeelde 2] . Bovendien is het hof van oordeel dat dit handelen van de verdachte, in combinatie met het schoppen van de verdachte tegen het scheenbeen van de verbalisant, dient te worden gezien als mishandeling. Het verweer van de verdediging wordt derhalve in al zijn onderdelen verworpen. Resumerend acht het hof, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd: opzetheling. Het onder 2 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd: mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar. Strafbaarheid van de verdachte Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde. Op te leggen sanctie Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Het hof heeft in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan opzetheling van een auto. Door aldus te handelen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van de benadeelde en heeft hij zich van haar belangen niets aangetrokken. Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard. Tevens heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan mishandeling van een verbalisant. De verdachte heeft de lichamelijke integriteit van het slachtoffer geschonden en heeft met zijn handelen bovendien blijk gegeven van een gebrek aan respect voor het openbaar gezag en voor het publieke belang dat door politieambtenaren wordt gediend. Ambtenaren met een publieke taak moeten – in het belang van de openbare orde en veiligheid – ongehinderd hun werk kunnen doen, hetgeen door de verdachte is bemoeilijkt. Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel Justitiële Documentatie, d.d. 1 september 2025, betrekking hebbend op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat de verdachte voorafgaande aan het bewezenverklaarde onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Deze veroordelingen dateren echter van 2017 en eerder, zodat het hof daaraan geen gewicht zal toekennen bij de strafoplegging. Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. In dat kader heeft het hof acht geslagen op het reclasseringsadvies d.d. 6 mei 2024, welk advies is opgemaakt in de zaken met parketnummers 18-257815-23, 18-085085-24 en 18-030660-24. De reclassering vindt de afwijzende houding jegens hulpverlening en de sterke wens tot autonomie zorgelijk en is van oordeel dat het de verdachte ontbreekt aan probleembesef en ziekte-inzicht. Eerdere reclasseringstrajecten verliepen over het algemeen moeizaam. Er is sprake van een psychotische stoornis waarvoor de verdachte, nu hij in zich in preventieve hechtenis bevindt, dwangmedicatie ontvangt. De verdachte spreekt uit dat hij deze medicatie niet meer zal nemen op het moment dat hij uit detentie is. Het risico op recidive zal verhogen op het moment dat de verdachte niet medicatietrouw is. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte naar voren gebracht dat hij weet dat de medicatie goed voor hem is en baat zou hebben bij een behandeling. Anders dan de verdediging is het hof van oordeel dat niet kan worden volstaan met toepassing van het rechterlijk pardon, zoals bedoeld in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. Hoewel de rechtbank Noord-Nederland bij vonnis van 4 juli 2025 een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, heeft opgelegd en de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging heeft gelast, overweegt het hof dat dit vonnis niet onherroepelijk is, nu hiertegen hoger beroep is ingesteld. Derhalve zal het hof bij de strafoplegging geen rekening houden met dit gewezen vonnis en niet overgaan tot toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. Bij de afdoening van eerder genoemde zaak in hoger beroep kan het hof eventueel rekening houden met de opgelegde straf in onderhavige zaak. Het hof is van oordeel dat gelet op de ernst van het bewezenverklaarde niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt en dat evenmin kan worden volstaan met de oplegging van de door de advocaat-generaal gevorderde gevangenisstraf voor de duur van 5 weken. Alles overziend is het hof van oordeel dat de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 8 weken, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden is. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding van een bedrag van € 1.279,95, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering bestaat uit de volgende posten: 1. Materiële schade: € 1.069,19 interieur en reiniging auto € 705,35; brandstof € 125,17; kilometervergoeding € 175,72; boodschappen aangebroken € 37,95; reinigen gordijn € 15; los geld in auto: € 10; 2. Immateriële schade: € 210,76 door veiligheidsbeleving en geen slaag één dag niet gewerkt € 122,78; door veiligheidsbeleving twee camera’s gekocht € 87,98. Bij vonnis waarvan beroep is de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft te kennen gegeven de gehele vordering in hoger beroep te handhaven. Materiële schade Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde 1] als gevolg van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden ten aanzien van de kostenpost brandstof, nu deze brandstof samen met, dan wel als onderdeel van, de auto is gestolen en er vervolgens vele kilometers door de verdachten met deze auto zijn gereden alvorens zij werden aangehouden. Er is voorts sprake van opzetheling die (zeer) dicht op de diefstal van de desbetreffende auto is gelegen. Het hof begroot de schade naar billijkheid op een bedrag van € 100,00. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is. Het hof is van oordeel dat de vordering voor het overige onvoldoende is onderbouwd. Bij gebreke van een nadere onderbouwing kan het hof de gevorderde schade derhalve niet beoordelen. Naar het oordeel van het hof zou het een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren indien het hof de zaak aan dient te houden in verband met de nadere onderbouwing van deze kosten. De benadeelde partij kan daarom thans in het overige gedeelte van de vordering niet worden ontvangen en kan haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Immateriële schade Nu de verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde handelen, waardoor de gestelde immateriële schade veroorzaakt zou zijn, wordt vrijgesproken, zal het hof de benadeelde partij [benadeelde 1] ten aanzien van dit gedeelte niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. Wettelijke rente Het toe te wijzen bedrag zal, zoals gevorderd, worden te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 januari 2024, zijnde het moment waarop de schade is ontstaan, tot aan de dag der algehele voldoening. Proceskosten Het hof zal de verdachte veroordelen in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt (en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken), tot op heden begroot op nihil. Hoofdelijkheid mededaders Tot vergoeding van de schade zijn naast de verdachte ook de mededaders gehouden. Zij zijn derhalve hoofdelijk aansprakelijk voor deze schade. Indien en voor zover één van hen (een deel van) deze schade betaalt, zal ook de ander daardoor zijn bevrijd van zijn betalingsverplichting. Schadevergoedingsmaatregel Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte onder 1 subsidiair rechtstreeks schade aan het slachtoffer [benadeelde 1] is toegebracht tot een bedrag van € 100,00. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk en de medeverdachten zijn daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk. Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen tot een bedrag van € 100,00, te vermeerderen met de wettelijke rente op de wijze zoals hiervoor is vermeld, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 2 dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] De benadeelde partij [benadeelde 2] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding van een bedrag van € 600,00, aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Bij het vonnis waarvan beroep is de vordering toegewezen tot een bedrag van € 600,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 januari 2024 tot aan de dag van de gehele voldoening. De benadeelde partij heeft te kennen gegeven de gehele vordering in hoger beroep te handhaven. Uit het onderzoek ter terechtzitting is naar het oordeel van het hof komen vast te staan dat aan de benadeelde partij [benadeelde 2] door het onder 2 bewezenverklaarde handelen van de verdachte nadeel is toegebracht dat niet uit vermogensschade bestaat. De benadeelde partij heeft, zo volgt uit het strafdossier, als gevolg van de bewezenverklaarde mishandeling immers lichamelijk letsel opgelopen. Dit is aan de verdachte toe te rekenen. Het hof is derhalve van oordeel dat de gevorderde immateriële schadevergoeding onder het bereik van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek valt. Het hof begroot de immateriële schade naar billijkheid op een bedrag van € 400,00. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag aan immateriële schade toewijsbaar is. Het hof zal het overige gedeelte van de vordering afwijzen. Wettelijke rente Het toe te wijzen bedrag zal, zoals gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 januari 2024, zijnde het moment waarop de schade is ontstaan, tot aan de dag der algehele voldoening. Proceskosten Het hof zal de verdachte veroordelen in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt (en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken), tot op heden begroot op nihil. Schadevergoedingsmaatregel Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte onder 2 rechtstreeks schade aan het slachtoffer [benadeelde 2] is toegebracht tot een bedrag van € 400,00. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk. Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen tot een bedrag van € 400,00, te vermeerderen met de wettelijke rente op de wijze zoals hiervoor is vermeld, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 8 dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft. Toepasselijke wettelijke voorschriften De beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 57, 300, 304 en 416 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het onder 1 subsidiair en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) weken. Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] Wijst gedeeltelijk toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 100,00 (honderd euro) als vergoeding van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededaders hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 januari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening en bepaalt dat de verdachte met zijn mededaders hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is. Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil. Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat der Nederlanden, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1] , ter zake van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 100,00 (honderd euro) als vergoeding voor materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 januari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, en bepaalt dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 2 (twee) dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid van de schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededaders aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] Wijst gedeeltelijk toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 400,00 (vierhonderd euro) als vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 januari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil. Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af. Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat der Nederlanden, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 400,00 (vierhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 januari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, en bepaalt dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 8 (acht) dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid van de schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft. Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt. Aldus gewezen door: mr. N. van der Laan, voorzitter, mr. W.E.C.A. Valkenburg en mr. T. van de Woestijne, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. J. de Leijer, griffier, en op 12 november 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.