Parketnummer : 20-003307-24 Uitspraak : 12 november 2025 TEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv) Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 11 december 2024, parketnummer 02-282720-24 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf, parketnummer 05-013318-23, in de strafzaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1987, blijkens de informatiestaat SKDB-persoon d.d. 1 september 2025 in de Basisregistratie Personen (BRP) sedert 23 oktober 2023 vertrokken onbekend waarheen’; registratie laatst opgegeven woon- of verblijfplaats sedert 13 juni 2024: [adres 1] . Hoger beroep Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van ‘opzetheling’ veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden. De politierechter heeft een accu onttrokken aan het verkeer. Tot slot heeft de politierechter de vordering tot tenuitvoerlegging van de eerder opgelegde voorwaardelijke straf in de zaak met parketnummer 05-013318-23 toegewezen, te weten een taakstraf voor de duur van 12 uren, subsidiair 6 dagen hechtenis. Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft vrijspraak gevorderd ten aanzien van de tenlastegelegde opzetheling en gevorderd dat het hof de tenlastegelegde schuldheling zal bewezen verklaren en de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden. Ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging van de eerder opgelegde voorwaardelijke straf in de zaak met parketnummer 05-013318-23 heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof deze vordering zal toewijzen. De verdediging heeft integrale vrijspraak bepleit. Ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging van de eerder opgelegde voorwaardelijke straf in de zaak met parketnummer 05-013318-23 heeft de verdediging bepleit dat het hof deze vordering zal afwijzen. Vonnis waarvan beroep Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat de politierechter heeft volstaan met aantekening van de uitspraak op een aan het dubbel van de dagvaarding gehecht stuk, maar het hof gebonden is aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359 van het Wetboek van Strafvordering. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: hij in of omstreeks 12 juni 2024 te Oosterhout meermalen, althans eenmaal, - een of meerdere elektrische fietsen en/of - een of meerdere accu’s, althans een of meer goederen heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed/deze goederen wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof. De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Partiële vrijspraak van het tenlastegelegde Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging bepleit dat het hof de verdachte zal vrijspreken van de tenlastegelegde opzetheling dan wel schuldheling met betrekking tot de fietsen. Hiertoe heeft de raadsman van de verdachte naar voren gebracht dat de verklaring van de verdachte betrouwbaar is en dat gelet op deze verklaring de verdachte geen tijd heeft gehad om te controleren of de fietsen van diefstal afkomstig waren, nu de politie zeer kort nadat zijn vriend [betrokkene] de fietsen ter reparatie heeft afgegeven aanwezig was. Derhalve hoefde de verdachte niet te weten of te vermoeden dat de fietsen van misdrijf afkomstig waren. Het hof overweegt dienaangaande als volgt. Uit het dossier volgt dat verbalisant [verbalisant] op 12 juni 2024, omstreeks 23.00 uur, het verzoek heeft gekregen om naar [adres 2] te gaan, nu er een melding was binnengekomen van een gestolen fiets die was voorzien van een gps-tracker die zou uitstralen op dit adres. De verdachte was in dit pand aanwezig en heeft de verbalisant de fiets met de gps-tracker aangewezen, waarvan later is gebleken dat dit de gestolen fiets van aangever [aangever] betreft. Hierop heeft de verdachte verklaard dat de fiets ongeveer een uur eerder ter reparatie was gebracht door een vriend van hem, in zijn telefoon [betrokkene] genoemd. De verdachte heeft het telefoonnummer van deze vriend in zijn telefoon aan de verbalisant getoond. Ook blijkt er nog een tweede gestolen fiets in het pand aanwezig te zijn. Tijdens het verhoor door de politie de volgende dag heeft de verdachte verklaard dat [betrokkene] op 12 juni 2024 omstreeks 21.00 uur twee fietsen ter reparatie naar het pand heeft gebracht. Het hof ziet geen reden om te twijfelen aan de verklaring van de verdachte dat de twee gestolen fietsen in de avond van 12 juni 2024 ter reparatie zijn gebracht door een vriend, nu de politie ook op die avond pas de melding heeft ontvangen dat de gps-tracker uitstraalde op het adres van het pand waar de verdachte zich bevond. De verdachte heeft direct openheid van zaken gegeven en de naam en het telefoonnummer van deze vriend aan de politie doorgegeven. Desondanks heeft er geen nader onderzoek plaatsgevonden. Met de verdediging is het hof van oordeel dat, gelet op het voorgaande en gelet op de tijdspanne tussen het moment dat de fietsen naar dit pand zijn gebracht en het arriveren van de politie, niet kan worden vastgesteld dat de verdachte wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat de fietsen van misdrijf afkomstig waren. Derhalve zal het hof de verdachte partieel vrijspreken van het tenlastegelegde. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij in of omstreeks 12 juni 2024 te Oosterhout - een of meerdere accu’s, voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van deze goederen redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het door misdrijf verkregen goederen betrof. Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. Bewijsmiddelen Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht. Bewijsoverwegingen De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging vrijspraak bepleit van de opzetheling dan wel schuldheling voor zover betrekking hebbend op de accu’s. Hiertoe heeft de raadsman van de verdachte naar voren gebracht dat het de vraag is wie de eigenaar was van de accu’s op het moment dat ze zijn aangetroffen bij de verdachte, nu uit het dossier volgt dat de accu’s zijn gestolen op 2 maart 2023 en in september
- Niet kan worden vastgesteld dat de accu’s na de diefstal niet rechtmatig zijn doorverkocht en vervolgens bij de verdachte terecht zijn gekomen en derhalve kan niet worden vastgesteld dat de accu’s van misdrijf afkomstig zijn. Bovendien is het de vraag hoe de verdachte had moeten controleren of de accu’s van misdrijf afkomstig waren, aldus de verdediging. Het hof overweegt dienaangaande als volgt. Uit het dossier is gebleken dat de aangetroffen accu’s gestolen accu’s betreffen. Naar het oordeel van het hof is er op grond van het dossier geen begin van aannemelijkheid dat de accu’s na de diefstal rechtmatig zijn doorverkocht en vervolgens bij de verdachte terecht zijn gekomen. Om die reden is het hof van oordeel dat het verweer van de verdediging geen hout snijdt en het hof stelt derhalve vast dat de aangetroffen accu’s wel degelijk van misdrijf afkomstig zijn. Vervolgens ziet het hof zich gesteld voor de vraag of de verdachte wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat de accu’s van misdrijf afkomstig waren en overweegt daartoe het navolgende. Uit het dossier volgt dat de verdachte een eigen fietsenzaak heeft en dat hij accu’s via Marktplaats of via handelaren koopt. Niet is gebleken dat de verdachte enige vorm van administratie bijhield van wie hij dergelijke accu’s kocht en voor welk bedrag. Evenmin is gebleken dat de verdachte voorafgaand aan de koop een vorm van controle van de accu’s heeft uitgevoerd. Het hof is van oordeel dat op de verdachte de zorgplicht rustte nader onderzoek te doen. Door geen onderzoek te doen en geen administratie bij te houden is de verdachte tekortgeschoten in zijn in deze geldende onderzoeksplicht, hetgeen meebrengt dat de verdachte met de voor schuldheling vereiste aanmerkelijke onvoorzichtigheid heeft gehandeld. De verdachte had ten tijde van het voorhanden krijgen van de accu’s redelijkerwijs moeten vermoeden dat die accu’s van misdrijf afkomstig waren. Mitsdien verwerpt het hof het tot vrijspraak strekkende verweer. Resumerend acht het hof, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd: schuldheling. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar. Strafbaarheid van de verdachte Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde. Op te leggen sanctie Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Het hof heeft in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan schuldheling van twee fietsaccu’s. Een dergelijk feit draagt eraan bij dat het stelen van goederen lucratief is en houdt zo het criminele circuit in stand. Door aldus te handelen heeft de verdachte daaraan een bijdrage geleverd. Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel Justitiële Documentatie, d.d. 1 september 2025, betrekking hebbend op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat de verdachte voorafgaande aan het bewezenverklaarde onherroepelijk is veroordeeld voor feiten in de vermogenssfeer, laatstelijk in 2023, in 2024 en ruim één week vóór de pleegdatum van het thans bewezenverklaarde. Op grond van de veroordeling in 2024 liep de verdachte bovendien in een proeftijd van een voorwaardelijk opgelegde straf. Deze veroordelingen hebben de verdachte er blijkbaar niet van weerhouden om nogmaals soortgelijke feiten te plegen. Voorts heeft het hof rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals die tijdens het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep zijn gebleken. In dat kader heeft het hof acht geslagen op het reclasseringsadvies d.d. 9 december
- Hieruit volgt dat het risico op recidive als gemiddeld wordt ingeschat. Bij een veroordeling adviseert de reclassering een (gedeeltelijk) voorwaardelijke straf met de onderstaande bijzondere voorwaarden onder het reeds lopende toezicht, aangevuld met de aanvullende voorwaarde van kortweg het volgen van een gedragsinterventie. Het opleggen van opnieuw een reclasseringstoezicht acht de reclassering niet nodig, omdat er nog voldoende tijd is om een gedragsinterventie binnen het huidige toezichtstermijn aan te kunnen bieden. Daarnaast heeft het hof acht geslagen op het door de advocaat-generaal ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde advies van de reclassering, inhoudende een voortijdige negatieve beëindiging toezicht, d.d. 3 juni
- Hieruit volgt dat de houding van de verdachte deels als risicofactor wordt aangemerkt door de reclassering, omdat hij zijn eigen verantwoordelijkheid bagatelliseert en fietsenheling normaliseert. Ondanks deze houding geeft de verdachte wel aan concrete stappen te ondernemen om een soortgelijke verdenking te voorkomen. Hij wenst financieel stabiel te zijn en justitie contact helpt hier niet bij. Ondanks dit ziet de reclassering dat de verdachte zich herhaaldelijk niet aan de afspraken heeft gehouden. Hierdoor ziet de reclassering geen mogelijkheden om de verdachte verder te begeleiden aangezien hij zelf niet gemotiveerd of verantwoordelijk genoeg is over zijn opgelegde toezicht. Alles overziend is het hof van oordeel dat de oplegging van een taakstraf voor de duur van 20 uren, subsidiair 10 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 weken passend en geboden is. Gelet op voornoemde voortijdige negatieve beëindiging toezicht verbindt het hof geen bijzondere voorwaarden aan deze voorwaardelijke gevangenisstraf. Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten. Vordering tot tenuitvoerlegging De officier van justitie in het arrondissement Zeeland-West-Brabant heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van een voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 12 uren, opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, van 13 juni 2023 onder 05-013318-
- Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde. Het hof is van oordeel dat de tenuitvoerlegging van de gehele voorwaardelijk opgelegde taakstraf dient te worden gelast, omdat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig heeft gemaakt en geen bijzondere omstandigheden aannemelijk zijn geworden die aan toewijzing van de vordering in de weg staan. Toepasselijke wettelijke voorschriften De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 63 en 417bis van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken. Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 20 (twintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis. Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Gelderland te Arnhem van 13 juni 2023, gewezen onder parketnummer 05-013318-23, te weten een taakstraf voor de duur van 12 (twaalf) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door 6 (zes) dagen hechtenis. Aldus gewezen door: mr. W.E.C.A. Valkenburg, voorzitter, mr. T. van de Woestijne en mr. N. van der Laan, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. J. de Leijer, griffier, en op 12 november 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.