GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Meervoudige Belastingkamer Nummer: 23/923 Uitspraak op het hoger beroep van [belanghebbende] , wonend in [woonplaats] (Duitsland), hierna: belanghebbende, tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 14 juni 2023, nummer BRE 22/2684, in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst, hierna: de inspecteur. 1Ontstaan en loop van het geding 1.1. De inspecteur heeft voor het jaar 2020 een aanslag inkomstenbelasting (hierna: IB) opgelegd. 1.2. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard. 1.3. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de inspecteur. 1.6. De zitting heeft plaatsgevonden op 14 februari 2025 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende, bijgestaan door zijn echtgenote [de echtgenote] , en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] . Op deze zitting zijn gelijktijdig, maar niet gevoegd, behandeld de onderhavige zaak en de zaken met nummers 23/895, 23/911, 23/920 tot en met 922, 23/926 en 23/928 tot en met 23/930. 1.7. Belanghebbende heeft tijdens de zitting een pleitnota voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de andere partij. 1.8. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten. 1.9. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak in Mijn Rechtspraak wordt geplaatst dan wel aan partijen wordt verzonden. 1.10. De inspecteur heeft na de zitting een nader stuk met bijlage ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar belanghebbende. Het hof heeft daarmee het onderzoek heropend. Belanghebbende heeft op het nader stuk gereageerd. Deze reactie is doorgestuurd naar de inspecteur. 1.11. Het hof heeft vervolgens bepaald dat een nadere zitting achterwege kan blijven. Geen van partijen heeft – na navraag door het hof – verklaard gebruik te willen maken van hun recht om op een nadere zitting te worden gehoord. Het hof heeft partijen schriftelijk medegedeeld dat het onderzoek is gesloten. 2Feiten 2.1. Belanghebbende, geboren op [geboortedatum 1] 1944, heeft de Nederlandse nationaliteit en is gehuwd in gemeenschap van goederen met [de echtgenote] (hierna: de echtgenote), geboren op [geboortedatum 2] 1945. Het echtpaar woont sinds december 1997 in Duitsland in een eigen woning. 2.2. De woning is een eigen woning in de zin van de Wet IB 2001 en is gezamenlijk eigendom van het echtpaar. Ter zitting bij de rechtbank is gebleken dat tussen partijen niet meer in geschil is dat naar Nederlands fiscaal recht voor belanghebbende en zijn echtgenote samen het negatieve inkomen uit eigen woning in 2020 € 7.047 en de specifieke zorgkosten € 4.213 bedraagt. 2.3. Belanghebbende ontving in 2020 vanuit Nederland een AOW-uitkering van € 9.668 en een ouderdomspensioen van het [pensioenfonds] van € 36.984. Uit het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen, Berlijn, 12-04-2012, tekst 2019 (hierna: het Verdrag) volgt dat Duitsland over de AOW-uitkering en Nederland over het [pensioenfonds] -pensioen belasting mag heffen. 2.4. Belanghebbende ontving in 2020 ook een Duitse pensioenuitkering van € 24. 2.5. De echtgenote ontving in 2020 vanuit Nederland een AOW-uitkering van € 10.107. Uit het Verdrag volgt dat Duitsland over de AOW-uitkering mag heffen. 2.6. Belanghebbende heeft voor 2020 aangifte IB gedaan. Hierin heeft hij - voor zover relevant - aangegeven samen met zijn echtgenote kwalificerende buitenlandse belastingplichtige te zijn en te voldoen aan de voorwaarden voor uitbetaling van heffingskortingen. De aftrek van negatieve inkomsten uit eigen woning en specifieke zorgkosten is in de aangifte aan belanghebbende toegedeeld. 2.7. Onder dagtekening van 21 december 2021 heeft de inspecteur aan belanghebbende aangegeven af te wijken van de aangifte IB 2020 omdat belanghebbende niet als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige kan worden aangemerkt aangezien in het Verdrag het heffingsrecht over de AOW-uitkering aan Duitsland is toegewezen zodat het totale inkomen van belanghebbende en zijn echtgenote niet nagenoeg geheel belast is in Nederland. 2.8. Bij brief van 20 januari 2022 heeft de inspecteur aan belanghebbende medegedeeld af te wijken van de aangifte IB 2020, omdat belanghebbende als niet kwalificerende buitenlandse belastingplichtige moet worden aangemerkt met als gevolg dat hij geen recht heeft op de heffingskortingen en aftrek voor de eigen woning en specifieke zorgkosten. 2.9. Onder dagtekening van 4 februari 2022 heeft de inspecteur de aanslag IB 2020 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 36.984 en belanghebbende als buitenlandse belastingplichtige aangemerkt. 2.10. Belanghebbende heeft in Duitsland over 2020 een nihilaanslag Einkommensteuer (inkomstenbelasting) ontvangen, waarbij het gezamenlijk “zu versteuerndes Einkommen” € 18.067 bedroeg. Dit gezamenlijk inkomen in Duitsland en de daaruit voortvloeiende Duitse nihilaanslag zijn door de Duitse Belastingdienst als volgt berekend: 3Geschil en conclusies van partijen 3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen: I. Kan belanghebbende als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige worden aangemerkt? II. Is de aanslag over het jaar 2020 tot het juiste bedrag opgelegd? 3.2. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, vermindering van de aanslag IB 2020 conform de door belanghebbende ingediende aangifte. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank. 4Gronden Vooraf 4.0. De Hoge Raad heeft op 18 juli 2025 prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. Het hof constateert dat er overlap is tussen deze zaak en de zaken waarin prejudiciële vragen zijn gesteld. Het hof heeft desondanks besloten om uitspraak te doen in deze zaak. Het hof heeft in zijn beslissing de uitdrukkelijke voorkeur van belanghebbende voor een uitspraak op korte termijn, mede gelet op zijn leeftijd, laten meewegen. Ten aanzien van het geschil I. Kwalificerende buitenlandse belastingplichtige (nationaal recht) 4.1. In artikel 7.8, lid 6, Wet IB 2001 zijn voorwaarden genoemd waaraan een inwoner van een andere lidstaat van de EU moet voldoen om aangemerkt te worden als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige. Eén van die voorwaarden is dat het inkomen (tezamen met het inkomen van de partner) geheel of nagenoeg geheel in Nederland is onderworpen aan de loonbelasting of inkomstenbelasting. Belanghebbende voldoet niet aan deze voorwaarde, omdat de AOW-uitkering op basis van het Verdrag in Duitsland belast is. Als gevolg daarvan is zijn inkomen (tezamen met het inkomen van de echtgenote) niet geheel of nagenoeg geheel in Nederland belast. 4.2. Op grond van artikel 7.8, lid 8, Wet IB 2001 is in artikel 21bis Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 (hierna: UBIB 2001) een uitbreiding opgenomen van het begrip kwalificerende buitenlandse belastingplichtige. Deze uitbreiding is tot stand gekomen naar aanleiding van het arrest van het HvJ EU in de zaak Commissie tegen Estland. In artikel 21bis, lid 1, UBIB 2001 is bepaald dat ook als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige wordt aangemerkt, degene die: pensioen, lijfrente of een soortgelijke uitkering geniet; voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in de aanhef en het slot van de eerste volzin van artikel 7.8, lid 6, Wet IB 2001; en aannemelijk maakt dat hij wegens de geringe hoogte van zijn inkomen in het woonland geen inkomstenbelasting is verschuldigd. 4.3. In de artikelsgewijze toelichting bij de invoering van artikel 21bis, lid 1, UBIB 2001 (hierna: de Toelichting) is het volgende opgemerkt. ‘Artikel 21bis, eerste lid, van het UBIB 2001 geeft uitvoering aan de uitspraak van het HvJ EU in de zaak Commissie v. Estland. Omdat de Europese jurisprudentie over de fiscale behandeling van buitenlandse belastingplichtigen die hun inkomen niet geheel of nagenoeg geheel in een bronstaat verdienen nog niet volledig is uitgekristalliseerd, is er vooralsnog voor gekozen om zo dicht mogelijk bij genoemde uitspraak te blijven. Dit betekent dat de bepaling alleen van toepassing is op gepensioneerde buitenlandse belastingplichtigen met een klein pensioen (of een kleine lijfrente dan wel andere oudedagsvoorziening, zoals een staatspensioen). Indien zij wegens de geringe hoogte van hun inkomen geen belasting verschuldigd zijn in hun woonland, worden zij aangemerkt als kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen, mits ook aan de overige voorwaarden wordt voldaan. Aan voornoemde eis wordt voldaan indien het wereldwijde inkomen van de buitenlandse belastingplichtige dermate laag is dat in het woonland geen inkomstenbelasting verschuldigd is als gevolg van regelingen van dat land die als doel hebben om een bepaald minimuminkomen buiten de belastingheffing te laten. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om een belastingvrije som. Onder de bepaling valt niet de situatie waarin de belastingplichtige in het woonland geen belasting is verschuldigd door de toepassing van regels ter voorkoming van dubbele belasting, terwijl zonder de toepassing van deze regels wel belasting verschuldigd zou zijn.’. 4.4. Belanghebbende en zijn echtgenote hadden in 2020 een wereldgezinsinkomen van € 56.783. Het hof is van oordeel dat belanghebbende niet voldoet aan artikel 21bis, lid 1, UBIB 2001, ondanks het feit dat aan belanghebbende in Duitsland een nihilaanslag is opgelegd (zie hiervoor onder 2.10). Het hof overweegt dat voor de beoordeling van de vraag of belanghebbende wegens de geringe hoogte van zijn inkomen in het woonland geen inkomstenbelasting is verschuldigd het wereldgezinsinkomen als uitgangspunt moet worden genomen. Dit volgt weliswaar niet rechtstreeks uit de tekst van artikel 21bis, lid 1, UBIB 2001, maar wel uit de parlementaire toelichting (zie hiervoor onder 4.3). In de toelichting wordt het ‘inkomen’ uitgelegd als ‘het wereldwijde inkomen’ van de buitenlandse belastingplichtige. De tekst van artikel 21bis, lid 1, UBIB 2001 sluit niet uit dat het daarbij gaat om het wereldwijde gezinsinkomen. Het hof zal, uitgaande van het wereldgezinsinkomen in 2020, beoordelen of het inkomen dermate laag is dat in Duitsland geen inkomstenbelasting is verschuldigd als gevolg van regelingen in Duitsland die als doel hebben om een bepaald minimuminkomen buiten de belastingheffing te laten. Naar het oordeel van het hof hebben de onder punt 2.10 vermelde posten van het ‘Ertragsanteil’ en het ‘Steuerfreier Teil der Rente’ niet het doel om een bepaald minimuminkomen buiten de belastingheffing te laten. Deze regelingen vormen een overgangsregeling die moet voorkomen dat pensioenuitkeringen volledig worden belast terwijl de opbouw van die pensioenen in het verleden in Duitsland niet fiscaal gefaciliteerd is geweest. Daarom zal het hof voor de beantwoording van de vraag of belanghebbende en zijn echtgenote wegens het geringe inkomen in Duitsland geen belasting zijn verschuldigd rekening houden met de volledige bedragen aan AOW-uitkeringen, de pensioenuitkering van het [pensioenfonds] en de Duitse pensioenuitkering. Slechts de regeling van het ‘Grundfreibetrag’ heeft het doel om een bepaald minimuminkomen buiten de belastingheffing te laten. Belanghebbende en zijn echtgenote zouden op basis van dat uitgangspunt, na toepassing van het Grundfreibetrag, (€ 18.816) inkomstenbelasting in Duitsland zijn verschuldigd. Ook indien over het voorgaande anders zou moeten worden geoordeeld in die zin dat bij het ‘inkomen’ in de tekst van artikel 21bis, lid 1, UBIB zou moeten worden uitgegaan van het wereldinkomen van alleen belanghebbende, dan ook geldt dat na toepassing van het Grundfreibetrag inkomstenbelasting in Duitslang zou zijn verschuldigd. Dit betekent dat belanghebbende en zijn echtgenote niet, zoals artikel 21bis, lid 1, UBIB voorschrijft, aannemelijk hebben gemaakt dat zij wegens de geringe hoogte van het wereld(gezins)inkomen in Duitsland geen inkomstenbelasting zijn verschuldigd. Hierdoor is niet aan één van de cumulatieve voorwaarden van artikel 21bis UBIB 2001 voldaan en zijn belanghebbende en zijn echtgenote niet aan te merken als kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen. 4.5. De vraag is of de Nederlandse wetgever met deze regelgeving het Unierecht op de juiste wijze heeft geïmplementeerd. De nationale regels moeten immers worden uitgelegd met inachtneming van het Unierecht. Indien het Unierecht noopt tot een verdergaande tegemoetkoming dan de nationale regelgeving voorschrijft, dient aan het Unierecht voorrang te worden gegeven en het nationale recht buiten toepassing te blijven. II. Unierecht 4.6. Op 18 mei 2022 heeft het hof uitspraak gedaan in drie zaken waarin de zogenoemde Schumacker-problematiek aan de orde was. In de bij die uitspraken gevoegde bijlage heeft het hof een uitgebreide zienswijze gegeven ten aanzien van de reikwijdte van de zogenoemde Schumacker-rechtspraak van het HvJ EU. De bijlage is bij de onderhavige uitspraak gevoegd en maakt er integraal onderdeel van uit. Bij de beoordeling van de onderhavige zaak zal het hof, in verband met hetgeen in 4.0 is overwogen, de in onderdeel 29 van de bijlage beschreven stappen volgen. 4.7. Op basis van het Verdrag heeft Nederland het heffingsrecht over het [pensioenfonds] -pensioen en Duitsland het heffingsrecht over de AOW-uitkeringen en de Duitse pensioenuitkering. 4.8. Het hof stelt voorop dat vaststaat dat belanghebbende en zijn echtgenote in gemeenschap van goederen zijn gehuwd en dat de eigen woning gezamenlijk eigendom is. Belanghebbende en zijn echtgenote kunnen beiden niet aangemerkt worden als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige. In dat geval dient voor de toepassing van de Schumacker-rechtspraak te worden uitgegaan van het wereldgezinsinkomen. 4.9. Belanghebbende voldoet niet aan het zogenoemde 90%-criterium (eerste stap). 4.10. Het geschil spitst zich toe op de vraag of Duitsland in voldoende mate rekening kan houden met de persoonlijke situatie van belanghebbende. Hierbij wordt gekeken naar het inkomen dat volgens de wetgeving van Duitsland effectief in de belastingheffing wordt betrokken en naar de tegemoetkomingen waarop belanghebbende recht heeft volgens de wetgeving van Duitsland (tweede stap). 4.11. Het hof stelt vast dat belanghebbende en zijn echtgenote voor het belastingjaar 2020 in Duitsland een nihilaanslag inkomstenbelasting hebben ontvangen (zie hiervoor onder 2.10). Duitsland heeft bij het vaststellen van het belastbaar inkomen de pensioenuitkering van het [pensioenfonds] , de AOW-uitkeringen en de Duitse pensioenuitkering in aanmerking genomen. Het op basis hiervan vastgestelde in Duitsland belastbare inkomen ligt beneden de in Duitsland geldende belastingvrije som. Belanghebbende is zodoende geen belasting verschuldigd in Duitsland. Daarmee staat vast dat vraag 2 ontkennend moet worden beantwoord. 4.12. Gelet op het vorenstaande moet Nederland als bronlidstaat de volgens zijn wetgeving geldende tegemoetkomingen deels verlenen aan de hand van de breuk: belast gezinsinkomen in de bronlidstaat / wereld(gezins)inkomen (derde stap). In het onderhavige geval kan deze breuk worden bepaald op € 36.984 / € 56.783 x 100% = 65,13%. De aftrek van de negatieve inkomsten uit eigen woning zou dan voor 65,13% van € 7.047, zijnde afgerond € 4.590, in aanmerking moeten worden genomen. De aftrek specifieke ziektekosten moet worden gesteld op 65,13% x (€ 4.213 -/- € 610 (drempel)) = afgerond € 2.347. Het belastbaar inkomen uit werk en woning (na toepassing van de persoonsgebonden aftrek) bedraagt dan € 30.047, waarbij rekening wordt gehouden met een bedrag aan heffingskortingen ten bedrage van € 1.376, wat resulteert in een verschuldigd bedrag aan inkomstenbelasting van € 2.017. 4.13. De tegemoetkoming wordt echter begrensd door de belastingheffing die een ingezetene in Nederland verschuldigd zou zijn in overigens vergelijkbare omstandigheden als belanghebbende (vierde stap). Daarbij moet gekeken worden naar de heffing van zowel belanghebbende als zijn echtgenote indien zij in Nederland binnenlandse belastingplichtigen zouden zijn. Voor belanghebbende zou moeten worden uitgegaan van een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 36.968, waarbij rekening wordt gehouden met een bedrag aan heffingskortingen ten bedrage van € 579. De verschuldigde belasting van belanghebbende zou dan € 3.446 bedragen. Voor zijn echtgenote zou moeten worden uitgegaan van een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 10.107, waarbij rekening wordt gehouden met een bedrag aan heffingskortingen ten bedrage van € 1.514. De verschuldigde belasting van de echtgenote zou dan zijn € 0. In totaal is de verschuldigde inkomstenbelasting € 3.446. Dat is meer dan de hiervoor berekende € 2.017. Aangezien de verschuldigde IB in de aanslag IB 2020 is vastgesteld op € 4.031, is deze aanslag te hoog vastgesteld. Het hof zal de aanslag verminderen tot een bedrag aan inkomstenbelasting, vóór verrekening van loonheffing, van € 3.446. 4.14. Gelet op het vorenstaande zal het hof het hoger beroep van belanghebbende gegrond verklaren. Tussenconclusie 4.15. De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is. Ten aanzien van het griffierecht 4.16. De inspecteur dient aan belanghebbende het bij de rechtbank en het hof betaalde griffierecht van € 50 respectievelijk € 136 te vergoeden, omdat de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en het beroep gegrond had moeten worden verklaard. Ten aanzien van de proceskosten 4.17. Het hof heeft in de zaak van de echtgenote met nummer 23/895 de reiskosten die in het kader van de beroepsprocedure zijn gemaakt in de uitspraak in die zaak onder 4.2 opnieuw vastgesteld op een bedrag van € 213,92. Deze reiskosten zien op het bijwonen van de zitting en het ophalen van (geding)stukken op het postadres in Nederland. Deze reiskosten zijn niet gemaakt voor specifiek de zaak met nummer 23/895, maar voor alle zaken van belanghebbende en zijn echtgenote die op 3 mei 2023 door de rechtbank ter zitting zijn behandeld en dus ook voor de onderhavige zaken met nummers 23/920 tot en met 23/922. Gesteld noch gebleken is dat voor de onderhavige zaken reiskosten zijn gemaakt in de beroepsfase die nog niet door het hof zijn vergoed. Het hof ziet daarom geen aanleiding om de inspecteur in de onderhavige zaak (opnieuw) te veroordelen in de proceskosten voor de beroepsfase. 4.18. Belanghebbende heeft in hoger beroep verzocht om een vergoeding van de reiskosten die zijn gemaakt om op de zitting te verschijnen. Het hof heeft deze vergoeding in de zaak van de echtgenote met nummer 23/895 in de uitspraak in die zaak onder 4.6 bepaald op € 99,12. Het hof ziet geen aanleiding om de inspecteur in deze zaak (opnieuw) te veroordelen in de proceskosten. De zaken van belanghebbende en van zijn echtgenote zijn op 14 februari 2025 ter zitting gelijktijdig maar niet gevoegd behandeld. Belanghebbende en zijn echtgenote zijn samen naar de zitting toegekomen, waardoor er eenmalig reiskosten zijn gemaakt. Gesteld noch gebleken is dat in de onderhavige zaak meer proceskosten zijn gemaakt dan het reeds vastgestelde bedrag van € 99,12. 5Beslissing Het hof: verklaart het hoger beroep gegrond; vernietigt de uitspraak van de rechtbank; vernietigt de uitspraak op bezwaar; vermindert de aanslag tot een bedrag aan inkomstenbelasting, vóór verrekening van loonheffing, van € 3.446; bepaalt dat de inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht voor de behandeling van het beroep bij de rechtbank en het hoger beroep bij het hof van, in totaal, € 186 vergoedt. De uitspraak is gedaan door A.J. Kromhout, voorzitter, M.E. Smorenburg en J.J. van den Broek, in tegenwoordigheid van E. Royakkers, als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 november 2025 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst. Aan de partij die niet digitaal procedeert, is een afschrift op die datum aangetekend per post verzonden. De griffier, De voorzitter, E. Royakkers A.J. Kromhout Het aanwenden van een rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl. Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen: Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd. (Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: de naam en het adres van de indiener; de dagtekening; een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; e gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten. Bijlage 1. Bij het hof zijn diverse zaken aanhangig waarin de reikwijdte van de zogenoemde Schumacker-rechtspraak van het HvJ EU aan de orde is. Bij de behandeling van deze zaken is gebleken dat deze rechtspraak bij de uitwerking vele vragen oproept. Het hof heeft daarom een poging gedaan om deze vragen te benoemen en een lijn uit te zetten waarlangs deze vragen kunnen worden beantwoord. In deze bijlage, die zal worden gevoegd bij de uitspraken waar dit speelt, zal het hof een uiteenzetting geven van de relevante rechtspraak en de vragen die dit oproept. Geschetst wordt welke vragen beantwoord moeten worden, welke keuzes het hof maakt en waarom het hof tot die antwoorden komt. Het hof spreekt hierna van woonlidstaat en werklidstaat, zoals ook het HvJ EU doet, maar in veel gevallen gaat het om gepensioneerden met inkomen uit Nederland die in een andere lidstaat dan Nederland wonen. Waar dus over werklidstaat wordt gesproken, moet hier ook onder worden verstaan bronlidstaat. 2. In de onder 1 genoemde zaken zijn de belastingplichtigen niet aan te merken als kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen volgens de nationale regels. De vraag is echter of de Nederlandse wetgever met deze regelgeving het Unierecht op de juiste wijze heeft geïmplementeerd. De nationale regels moeten immers worden uitgelegd met inachtneming van het Unierecht. Indien het Unierecht noopt tot een verdergaande tegemoetkoming dan de nationale regelgeving voorschrijft, dient aan het Unierecht voorrang te worden gegeven en het nationale recht buiten toepassing te blijven. 3. Voor de directe belastingen geldt dat ingezetenen en niet-ingezetenen zich in de regel niet in vergelijkbare situaties bevinden, aangezien het inkomen dat een niet-ingezetene op het grondgebied van een lidstaat verwerft, meestal slechts een deel is van zijn totale inkomen, waarvan het zwaartepunt zich bevindt op de plaats waar hij woont, en de persoonlijke draagkracht van de niet-ingezetene, die wordt gevormd door zijn totale inkomen en zijn persoonlijke en gezinssituatie, het gemakkelijkst kan worden beoordeeld op de plaats waar hij het centrum van zijn persoonlijke en vermogensrechtelijke belangen heeft, welke plaats in het algemeen zijn gebruikelijke woonplaats is. 4. In de regel is dus geen sprake van discriminatie indien de niet-ingezetene bepaalde voordelen die te maken hebben met de persoonlijke en gezinssituatie niet krijgt. 5. Er is echter wel sprake van discriminatie wanneer ingezetenen en niet-ingezetenen in een vergelijkbare situatie verkeren en niet-ingezetenen bepaalde voordelen worden onthouden. Dat is met name het geval wanneer een niet-ingezeten belastingplichtige geen inkomsten van betekenis op het grondgebied van de woonlidstaat verwerft en het grootste deel van zijn belastbaar inkomen verwerft uit een in een andere lidstaat uitgeoefende activiteit, zodat de woonlidstaat hem niet de voordelen kan toekennen waarop aanspraak ontstaat wanneer met zijn persoonlijke en gezinssituatie rekening wordt gehouden. In een dergelijk geval wordt namelijk nergens met de persoonlijke en gezinssituatie rekening gehouden. Bij de beoordeling van de relevante inkomsten in de betreffende lidstaten gaat het om het belastbare gezinsinkomen. 6. Het gaat er dus om of in de woonlidstaat sprake is van voldoende inkomen om rekening te houden met de persoonlijke en gezinssituatie van de belastingplichtige. Of dat zo is, hangt ervan af (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.