← Nederland

ECLI:NL:GHSHE:2025:3349

Parketnummer : 20-000826-25 Uitspraak : 19 november 2025 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 24 maart 2025, in de strafzaak met parketnummer 02-337342-23 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1989, wonende te [adres 1] . Hoger beroep Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter de verdachte ter zake van ‘bedreiging met zware mishandeling’ (feit 1) en ‘opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen’ (feit 2) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 125 dagen met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de politierechter de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] , bestaande uit € 500,00 aan immateriële schade, geheel toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en met veroordeling van de verdachte in de proceskosten. Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen. Namens de verdachte is vrijspraak bepleit. Voorts heeft de verdediging verzocht om de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijkheid te verklaren gelet op de bepleite vrijspraak. Vonnis waarvan beroep Het hof kan zich op onderdelen niet met het beroepen vonnis verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

  1. hij op of omstreeks 15 december 2023 te Breda [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door meermalen met een (luchtdruk)wapen in de richting van de woning van voornoemde [slachtoffer] te schieten; 2.hij op of omstreeks 15 december 2023 te Breda opzettelijk en wederrechtelijk een ruit (van de woning gelegen aan [adres 2] ), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n), heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt. De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:
  2. hij op 15 december 2023 te Breda [slachtoffer] heeft bedreigd met zware mishandeling, door meermalen met een (luchtdruk)wapen in de richting van de woning van voornoemde [slachtoffer] te schieten; 2.hij op 15 december 2023 te Breda opzettelijk en wederrechtelijk een ruit van de woning gelegen aan [adres 2] , die aan [slachtoffer] toebehoorde, heeft beschadigd. Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. Bewijsmiddelen Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht. Bewijsoverwegingen Algemene overweging De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd. Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft. Bepleite vrijspraak De verdediging heeft vrijspraak bepleit van de tenlastegelegde feiten. Hiertoe is in de kern aangevoerd dat niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat de verdachte degene is die op 15 december 2023 in de auto zat en op de ruit van de woning van aangeefster heeft geschoten. Aangeefster vermoedt dat het de verdachte is die heeft geschoten, maar zij heeft niet gezien wie er schoot. De schutter is ook niet te zien op de camerabeelden. De verdachte heeft verklaard dat hij zijn auto heeft uitgeleend op de betreffende dag en dat hij zelf bij iemand anders was die dat heeft bevestigd. Op grond van het voorgaande dient de verdachte te worden vrijgesproken. Het hof overweegt als volgt. Op grond van de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen stelt het hof vast dat de rode Toyota Aygo van de verdachte betrokken is geweest bij het schietincident. De auto op de camerabeelden heeft hetzelfde merk, dezelfde kleur en het kenteken van de auto heeft bovendien overeenkomsten met het kenteken van de auto van de verdachte. Daarnaast stelt het hof vast dat in de auto van de verdachte balletjes en cilinders zijn aangetroffen – die steun bieden aan de gevolgtrekking dat met een luchtdrukwapen is geschoten – en dat de verdachte in verband met een conflict over een geldschuld een motief heeft om [slachtoffer] te bedreigen en af te dwingen dat er geld wordt betaald. Een en ander brengt mee dat er een gerechtvaardigd doch weerlegbaar bewijsvermoeden mag worden aangenomen dat het de verdachte is geweest die op de woning van [slachtoffer] heeft geschoten. De verdachte betwist ook niet dat het zijn auto was, maar heeft verklaard dat hij zijn auto die dag had uitgeleend aan iemand die hij niet bij naam wil noemen en dat hij ten tijde van het bewezenverklaarde bij [getuige] was. Die verklaring van de verdachte overtuigt het hof echter niet. De verdachte is op 19 december 2023 bij de politie verhoord over het schietincident. De politie heeft hem toen uitdrukkelijk voorgehouden van welke feiten hij werd verdacht. De verdachte heeft zich toen op zijn zwijgrecht beroepen. Het had op de weg van de verdachte gelegen om op dat moment te verklaren dat hij zijn auto had uitgeleend en dat hij die dag bij iemand anders was. De verdachte heeft dit echter pas later verklaard en heeft vervolgens nooit antwoord willen geven op de vraag aan wie hij de auto dan had uitgeleend. Het is daarmee niet duidelijk wie deze onbekende derde is en het hof kan daardoor ook niet verifiëren of de auto daadwerkelijk is uitgeleend. Bovendien is niet duidelijk geworden waarom deze onbekende derde [slachtoffer] en/of haar zoon zou willen bedreigen, terwijl de verdachte heeft verklaard zelf een conflict te hebben met de zoon van aangeefster omdat hij nog geld van hem kreeg. Hij is hiervoor zelfs al meerdere keren aan de deur van [slachtoffer] geweest. In die zin kan bij de verdachte gesproken worden van een motief voor het schietincident, terwijl er geen begin van aannemelijkheid is dat die onbekende derde ook een motief zou hebben om [slachtoffer] te belagen. Het hof vermag ook niet goed in te zien waarom die onbekende derde dan de auto van de verdachte daarvoor zou gebruiken. Over zijn verblijf bij [getuige] op 15 december 2023 verklaarde de verdachte pas voor het eerst tijdens de terechtzitting in eerste aanleg, dus nadat hij reeds had verklaard zijn auto te hebben uitgeleend. Over de precieze details, zoals wanneer en hoe hij bij [getuige] is gekomen en wat hij daar heeft gedaan, wijkt zijn verklaring ter terechtzitting in hoger beroep af van de verklaring van [getuige] bij de rechter-commissaris. Zo verklaarde de verdachte dat hij op de dag van het schietincident bij [getuige] is gekomen, terwijl [getuige] verklaarde dat hij de avond daarvoor al bij haar was. Ook verklaarde de verdachte er alleen te hebben geslapen, maar verklaarde [getuige] dat ze ook samen boodschappen hebben gedaan en samen hebben gekookt. De verdachte verklaart ook wisselend over hoe hij die dag bij [getuige] was gekomen. Het late stadium waarin de verdachte met een alibi komt, terwijl hij geen gegevens wil verstrekken van ‘de derde’ aan wie hij zijn auto zou hebben uitgeleend en ook niet kan vertellen welk motief die derde zou hebben om de woning van aangeefster te beschieten, in combinatie met het feit dat de verdachte zelf wel een motief had voor het bewezenverklaarde en de tegenstijdigheden in de verklaringen van [getuige] en verdachte over het verblijf van verdachte bij die [getuige] ten tijde van het bewezenverklaarde, maken dat het hof geen geloof hecht aan het door de verdachte opgeworpen alternatieve scenario. Nu de verdachte geen aannemelijke verklaring heeft afgelegd die het bewijsvermoeden kan weerleggen, concludeert het hof dat de verdachte zelf, vanuit zijn eigen auto heeft geschoten op de woning van aangeefster. Het verweer wordt verworpen. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het onder 1 bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als: bedreiging met zware mishandeling. Het onder 2 bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar. Strafbaarheid van de verdachte Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde. Op te leggen sanctie Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan bedreiging met zware mishandeling en het beschadigen van de ruit van de woning van [slachtoffer] door met een (luchtdruk)wapen op de woning van [slachtoffer] te schieten. De verdachte heeft met zijn handelen gevoelens van onveiligheid bij het slachtoffer veroorzaakt en haar angst aangejaagd dat haar iets zou worden aangedaan. Daarnaast heeft de verdachte door aldus te handelen blijk gegeven een gebrek aan respect voor eigendommen van een ander te hebben en heeft hij de benadeelde overlast en financiële schade berokkend. Het hof rekent het de verdachte dan ook ernstig aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard. Het hof heeft bij de straftoemeting acht geslagen op het hem betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 5 september
  3. Uit dit uittreksel komt naar voren dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van vernielingen of beschadigingen, echter zijn deze eerdere onherroepelijke veroordelingen uit een dusdanig ver verleden dat daaraan geen gewicht wordt toegekend bij het bepalen van de straf. Tevens heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken. De verdachte heeft in dat kader naar voren gebracht dat hij met de reclassering een plan van aanpak aan het maken is en dat hij probeert om volledig van zijn drugsverslaving af te komen. Naar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van het bewezenverklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in de hierop gestelde wettelijk strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd; niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt. Alle omstandigheden afwegende acht het hof, met de politierechter en de advocaat-generaal, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 125 dagen, met aftrek van voorarrest, passend en geboden. Deze straf komt erop neer dat de verdachte niet terug hoeft in detentie. Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot immateriële schadevergoeding tot een bedrag van € 500,
  4. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen. De benadeelde partij heeft te kennen gegeven de vordering in hoger beroep te handhaven. De verdachte heeft het hof verzocht om de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren, gelet op de bepleite vrijspraak. Ingevolge het bepaalde in artikel 6:106 aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft de benadeelde voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien de benadeelde “op andere wijze in zijn persoon is aangetast”. De benadeelde heeft daartoe gesteld dat zij zich als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte angstig en niet meer veilig in haar eigen woning voelt. Het hof stelt voorop dat van ‘aantasting in de persoon op andere wijze’ zoals bedoeld in artikel 6:106 aanhef en onder b BW slechts sprake is als het slachtoffer als gevolg van het strafbaar feit naar objectieve maatstaven vast te stellen geestelijk letsel oploopt. Het bestaan van geestelijk letsel in voormelde zin zal de benadeelde moeten onderbouwen met medische stukken, waaruit dergelijk letsel blijkt. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in artikel 6:106 aanhef en onder b BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Meer of minder sterk psychisch onbehagen, zoals in het onderhavige geval, is geen geestelijk letsel en levert (op zichzelf) geen grond op voor vergoeding van immateriële schade, terwijl de aard en de ernst van de normschending niet van dien aard is dat alleen al daarom de aangevoerde nadelige gevolgen zo voor de hand liggen, dat een aantasting in persoon kan worden aangenomen. Het hof zal de vordering van de benadeelde partij derhalve afwijzen. Toepasselijke wettelijke voorschriften De beslissing is gegrond op de artikelen 57, 63, 285 en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 125 (honderdvijfentwintig) dagen. Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] tot schadevergoeding af. Veroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil. Aldus gewezen door: mr. J.C. Gillesse, voorzitter, mr. C.P.J. Scheele en mr. R.G.A. Beaujean, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. I.A.M.H. Hermans, griffier, en op 19 november 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken. mr. Gillesse en mr. Beaujean zijn buiten staat om dit arrest mede te ondertekenen.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.