GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Meervoudige Belastingkamer Nummers: 24/19 en 24/20 Uitspraak op het hoger beroep van [belanghebbende] , wonend in [woonplaats] , hierna: belanghebbende, tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 28 november 2023, nummers BRE 22/2287 en BRE 22/2289 in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst, hierna: de inspecteur. 1Ontstaan en loop van het geding 1.1. De inspecteur heeft een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) 2015 opgelegd (hierna: de navorderingsaanslag IB/PVV). Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht en is een vergrijpboete opgelegd. 1.2. De inspecteur heeft een navorderingsaanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw) 2015 opgelegd (hierna: de navorderingsaanslag Zvw). Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht. 1.3. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de in 1.1 en 1.2 genoemde navorderingsaanslagen (gezamenlijk aangeduid als de navorderingsaanslagen). De inspecteur heeft de bezwaren gegrond verklaard. 1.4. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraken beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard en de vergrijpboete verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn. 1.5. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.6. De zitting heeft plaatsgevonden op 11 september 2025 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] . 1.7. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten. 2Feiten 2.1. In 2012 is bij belanghebbende een hennepplantage ontdekt. De opbrengst van deze plantage is berekend op € 34.592 (hierna: de hennepopbrengst). De plantage behoorde toe aan belanghebbende en zijn broer [de broer] (hierna: de broer). Bij beide broers heeft in dat jaar een inkomenscorrectie van € 17.296 plaatsgevonden, zijnde 50% van het totaal aan inkomen uit de hennepplantage. 2.2. Belanghebbende had in het belastingjaar 2015 geen fiscaal partner. 2.3. Belanghebbende dreef in 2015 een eenmanszaak onder de naam ‘ [eenmanszaak] ’. De activiteiten van de onderneming bestonden uit een detailhandel in en de reparatie van computers en randapparatuur. Verder zijn op de bedrijfslocatie van de onderneming ook een [A] en een postagentschap van [B] gevestigd. 2.4. Belanghebbende heeft in 2015, in privé, auto’s gekocht en hier hobbymatig mee gehandeld. 2.5. Belanghebbende heeft een aangifte IB/PVV 2015 ingediend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van negatief € 3.404. Dit bedrag is als volgt opgebouwd: Winst uit onderneming -/- € 3.958 MKB-winstvrijstelling -/- € 554 Totaal inkomen uit werk en woning -/- € 3.404 2.6. Bij het opleggen van de aanslagen IB/PVV en Zvw 2015 heeft de inspecteur de aangifte gevolgd en nihilaanslagen vastgesteld. Tegelijk met de aanslag IB/PVV 2015 heeft de inspecteur, in overeenstemming met de aangifte, een verlies uit werk en woning van € 3.404 vastgesteld. 2.7. De inspecteur heeft bij belanghebbende een boekenonderzoek ingesteld. Onderzocht is onder meer de aanvaardbaarheid van de aangifte IB/PVV over het jaar 2015. De bevindingen van het boekenonderzoek zijn vastgelegd in een controlerapport met dagtekening 2 december 2020 (hierna: het controlerapport). De inspecteur heeft in het controlerapport de volgende kasopstelling gemaakt (hierna: de kasopstelling): Kasopstelling 2015 datum omschrijving bedrag datum omschrijving bedrag 01-01-2015 contant geld € 0 31-12-2015 kasstortingen opname € 240 privé bank € 16.585 activiteiten 2012 € 17.296 NIBUD € 5.584 tussentelling € 17.536 kasstortingen zaak € 22.678 tekort € 32.461 auto’s € 5.150 totaal € 49.997 € 49.997 De ‘activiteiten 2012’ betreft belanghebbendes aandeel in de hennepopbrengst (zie 2.1). De inspecteur is er in de kasopstelling van uitgegaan dat belanghebbendes aandeel in de hennepopbrengst uit 2012 begin 2015 nog aanwezig was. 2.8. De inspecteur is op basis van de kasopstelling (zie 2.7) tot de conclusie gekomen dat belanghebbende in 2015 € 32.461 meer inkomsten moet hebben genoten dan dat hij in zijn aangifte heeft verantwoord (een zogenoemd negatief netto privé). In verband daarmee volgen uit het controlerapport voor 2015 de volgende correcties voor de IB/PVV en Zvw: Winst als ondernemer (voor ondernemersaftrek) -/- € 3.958 Meer omzet volgens kasopstelling € 32.461 Gecorrigeerde winst als ondernemer € 28.503 Nader vastgesteld inkomen box 1 € 28.503 2.9. De inspecteur heeft gelijktijdig met de vaststelling van de navorderingsaanslag IB/PVV een vergrijpboete opgelegd op basis van artikel 67e Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) van € 3.329 en € 1.174 aan belastingrente in rekening gebracht. Over de navorderingsaanslag Zvw is € 243 aan belastingrente in rekening gebracht. 2.10. De inspecteur heeft in de bezwaarfase geconstateerd dat in de correctie ‘Meer omzet volgens kasopstelling’ van € 32.461 (zie 2.8) ten onrechte 21% omzetbelasting was begrepen en heeft dit bedrag verminderd met € 5.633 tot € 26.828 (100/121 x € 32.461). Ook heeft de inspecteur in de bezwaarfase geconstateerd dat de MKB-winstvrijstelling ten onrechte niet is toegepast. Dit heeft geresulteerd in de volgende correcties voor de IB/PVV en Zvw 2015: Winst cf aangifte -/- € 3.958 Winstcorrectie exclusief OB 21% € 26.828 Winst na correctie € 22.870 MKB-winstvrijstelling -/- € 3.202 Inkomen uit werk en woning (box 1) € 19.668 Het bijdrage-inkomen is vastgesteld op € 19.668. 2.11. Gelet op de in 2.10 genoemde constateringen heeft de inspecteur de vergrijpboete en de beschikking belastingrente ten aanzien van de navorderingsaanslag IB/PVV verminderd naar respectievelijk € 1.377 en € 486. De belastingrentebeschikking ten aanzien van de opgelegde navorderingsaanslag Zvw is verminderd naar € 168. 2.12. In de beroepsfase heeft de inspecteur de volgende vermogensvergelijking voor het jaar 2015 opgesteld: Vermogen begin boekjaar Hennepinkomsten -contant – cf boekenonderzoek € 17.296 Eenmanszaak € 11.048 Banksaldi (excl. ond. rek.) € 708 € 29.052 Inkomsten boekjaar Bij: WUO -/- € 7.727 Theoretisch eindvermogen € 21.325 Vermogen einde boekjaar Eenmanszaak € 25.999 Banksaldi (excl. ond. rek.) € 378 € 26.377 Besteedbaar inkomen -/- € 5.052 Aantoonbare uitgaven Af: Rentelasten bank € 1 Netto Privé -/- € 5.053 NIBUD-norm € 5.584 Te weinig -/- € 10.637 2.13. De rechtbank heeft in beroep de vergrijpboete met 15% gematigd wegens overschrijding van de redelijke termijn tot een bedrag van € 1.170 en de beroepen voor het overige ongegrond verklaard. 3Geschil en conclusies van partijen 3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen: I. Heeft belanghebbende de vereiste aangifte IB/PVV 2015 gedaan? II. Zijn de navorderingsaanslagen IB/PVV en Zvw 2015 tot een te hoog bedrag vastgesteld? III. Is de vergrijpboete terecht en tot het juiste bedrag opgelegd? IV. Zijn de belastingrentebeschikkingen terecht en naar de juiste bedragen opgelegd? 3.2. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en vermindering van de navorderingsaanslagen, de vergrijpboete en de belastingrentebeschikkingen. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank. 4Gronden Ten aanzien van het geschil De vereiste aangifte 4.1. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat belanghebbende de vereiste aangifte niet heeft gedaan. Samengevat is uit het boekenonderzoek naar voren gekomen dat niet de volledige omzet uit de onderneming is verantwoord en dat belanghebbendes aangegeven inkomen niet voldoende was om van te leven. Belanghebbende moet derhalve meer omzet of andere inkomstenbronnen hebben gehad. Rekening houdend met het aandeel van belanghebbende van 50% in de hennepopbrengst leidt de kasopstelling tot een winstcorrectie van € 26.828 exclusief omzetbelasting (zie 2.10) en de vermogensvergelijking tot een negatief netto-privé van € 10.637 (zie 2.12), aldus de inspecteur. 4.2. Belanghebbende stelt daartegenover dat 100% van de hennepopbrengst in 2015 is geïnvesteerd in zijn onderneming, ook het deel van zijn broer (€ 17.296). Voor belanghebbende en zijn broer ging het om één pot geld en daarom heeft belanghebbende verklaard dat hij geen lening had. Belanghebbende heeft met betrekking tot het overige verschil verklaard dat hij schenkingen van familie had gehad die niet via de bank zijn gegaan, maar omdat hij dat niet kan bewijzen heeft hij dat standpunt laten varen. 4.3. Artikel 27e, lid 1, Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) bepaalt – voor zover van belang – dat indien de vereiste aangifte niet is gedaan het beroep ongegrond wordt verklaard, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is (‘omkering en verzwaring van de bewijslast’). Deze bepaling is van overeenkomstige toepassing in hoger beroep.De vereiste aangifte is, onder andere, niet gedaan indien één of meer gebreken in de aangifte ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting, zowel in absoluut als in relatief opzicht. Bij deze beoordeling moeten de normale regels van stelplicht en bewijslast worden toegepast. De inhoudelijke gebreken in de aangifte worden slechts in aanmerking genomen in het geval dat de belastingplichtige ten tijde van de aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven. De bewijslast dat de vereiste aangifte niet is gedaan, rust op de inspecteur. 4.4. De rechtbank heeft over het doen van de vereiste aangifte het volgende geoordeeld: “5.4. De rechtbank overweegt dat zowel de kasopstelling als de vermogensopstelling is gebaseerd op concrete en verifieerbare gegevens. Daarnaast is uitgegaan van de NIBUD-norm, waarbij rekening is gehouden met de specifieke situatie van belanghebbende. Uit beide opstellingen volgt dat belanghebbende in 2015 meer (contant) geld ter beschikking moet hebben gehad, dan is te zien op zijn bankrekeningen en administratie. Belanghebbende heeft de door de inspecteur gehanteerde bedragen niet (meer) betwist. Het geschil spitst zich toe op de vraag of het tekort dat in de opstellingen is geconstateerd betekent dat belanghebbende meer (contante) inkomsten heeft genoten (standpunt inspecteur) of dat in dit tekort is voorzien doordat belanghebbende ook de beschikking had over de hennepopbrengst die toekwam aan de broer (standpunt belanghebbende). 5.5. De rechtbank gaat niet mee in het betoog van belanghebbende dat zijn broer en hij de gehele hennepopbrengst hebben bewaard, zijn broer zijn deel in 2015 aan belanghebbende ter beschikking heeft gesteld en belanghebbende dit vervolgens in de onderneming heeft gestort. Als in eerste instantie – zoals belanghebbende aanvoert – niet zou zijn onderkend dat de helft van de opbrengst afkomstig was van de broer en daarom geen lening in de administratie is opgenomen, dan had dit bedrag als kasstorting moeten zijn verantwoord. Tijdens het boekenonderzoek is ook verklaard dat de kasstortingen een deel van de hennepopbrengst betreft. Het totale bedrag aan kasstortingen (€ 22.678) is echter niet zo hoog dat daarin de hele hennepopbrengst (€ 34.592) kan zijn begrepen. De rechtbank acht niet geloofwaardig dat er naast hetgeen in de kas zou zijn verwerkt nog een groter deel van de hennepopbrengst in de onderneming is ingebracht. Dat standpunt is niet onderbouwd. Daar komt nog bij dat nergens uit volgt dat belanghebbende en de broer nog zouden beschikken over de (gehele) hennepopbrengst. 5.6. Dit betekent dat – zelfs als rekening zou worden gehouden met inbreng van de hennepopbrengst tot het hele bedrag van de kasstortingen – er een andere bron van inkomen moet zijn geweest. De rechtbank acht daarom aannemelijk dat belanghebbende inkomsten heeft genoten, die hij niet in zijn aangifte IB/PVV en Zvw heeft vermeld. Niet in geschil is dat deze inkomsten dan winst uit onderneming betreffen. Het tekort dat overblijft op basis van de kasopstelling is zodanig hoog dat de inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat de niet aangegeven inkomsten ertoe leiden dat een absoluut en relatief aanzienlijk bedrag aan belasting niet is geheven. Daarbij heeft de rechtbank rekening gehouden met de MKB-winstvrijstelling, de algemene heffingskorting en de arbeidskorting. De rechtbank acht ook aannemelijk dat belanghebbende zich ervan bewust is geweest dat hij niet alle inkomsten heeft vermeld. Belanghebbende heeft dan ook niet de vereiste aangifte gedaan. 5.7. In de omstandigheid dat uit de vermogensopstelling een lager tekort volgt, ziet de rechtbank geen aanleiding om anders te oordelen. Kenmerkend van kas- en vermogensopstellingen is dat deze berekenen hoeveel (onbekende) inkomsten er minimaal moeten zijn geweest. Dat de vermogensopstelling tot een lager bedrag komt, betekent daarom niet dat het hogere bedrag op basis van de kasopstelling niet aannemelijk is. Ook die opstelling is namelijk gebaseerd op concrete gegevens en berekent een minimum. 5.8. Aangezien belanghebbende niet de vereiste aangifte heeft gedaan, wordt de bewijslast omgekeerd en verzwaard. Dit geldt voor zowel de navorderingsaanslag IB/PVV als de navorderingsaanslag Zvw.” 4.5. Naar het oordeel van het hof heeft de rechtbank terecht en op goede gronden geoordeeld dat belanghebbende de vereiste aangifte niet heeft gedaan en dat de bewijslast derhalve omgekeerd en verzwaard dient te worden. Het hof maakt dit oordeel en de overwegingen waarop dit oordeel berust tot de zijne. Aangezien in hoger beroep hetzelfde is aangevoerd als in eerste aanleg leidt dit niet tot een ander oordeel. Hoogte opgelegde aanslagen 4.6. Gelet op de omkering en verzwaring van de bewijslast moet worden beoordeeld (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.