Parketnummer : 20-001221-23 Uitspraak : 26 november 2025 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 14 april 2023, in de strafzaak met parketnummer 02-284926-20 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] , wonende te [adres] . Hoger beroep Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte door de rechtbank vrijgesproken van het onder feit 2 tenlastegelegde en ter zake van ‘mensenhandel, terwijl het in artikel 273f, eerste lid onder 1°, 3°, 4°, 6° en 9° van het Wetboek van Strafrecht omschreven feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en terwijl dit feit is vergezeld van geweld’ veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden met aftrek van voorarrest. Voorts is de vordering van de benadeelde partij hoofdelijk toegewezen tot een bedrag van € 9.695,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, eveneens hoofdelijk en te vermeerderen met de wettelijke rente. De verdachte is veroordeeld in de kosten van de benadeelde partij, tot aan de datum van de uitspraak begroot op nihil De benadeelde partij is in het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard. Voorts is het beslag, te weten een wapen en munitie, onttrokken aan het verkeer. Tot slot is het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven. Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Ontvankelijkheid van het hoger beroep De verdachte is door de rechtbank ten aanzien van feit 2 vrijgesproken. Ingevolge artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte geen hoger beroep open tegen het vonnis voor zover hij van het tenlastegelegde is vrijgesproken. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de vrijspraakbeslissing van de rechtbank van het onder feit 2 tenlastegelegde. Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het bestreden vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal bevestigen met uitzondering van de overweging omtrent het vormverzuim en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en, opnieuw rechtdoende, de vordering van de benadeelde partij integraal zal toewijzen te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Namens de verdachte is primair vrijspraak bepleit. Subsidiair is er een strafmaatverweer gevoerd. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis voor zover in hoger beroep nog aan de orde, met aanvulling en verbetering van de gronden waarop dit berust, behalve voor wat betreft de beslissing op de vordering van de benadeelde partij. Het hof vult de volgende gronden aan of zal deze verbeteren: de bewijsmiddelen, de bewijsoverweging en de strafmotivering. Bewijsmiddelen Het hof vervangt en verbetert de bewijsmiddelen zoals gebruikt door de rechtbank. In het geval tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op dit arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht. Bewijsoverweging Het hof vervangt de bewijsoverweging van de rechtbank in het vonnis op pagina 3 onder het kopje ‘bewijsuitsluitingsverweer’ door navolgende overwegingen. De verdediging heeft zowel in eerste aanleg als in hoger beroep bepleit dat bij de totstandkoming van de getuigenverklaringen van [slachtoffer] meerdere vormvoorschriften zijn verzuimd door zowel de tolken als de verbalisanten waardoor de verklaringen van [slachtoffer] uitgesloten moeten worden van het bewijs. Het hof stelt vast dat door de verdediging in een eerder stadium is verzocht om bepaalde fragmenten uit het politieverhoor van [slachtoffer] opnieuw te vertalen en aan het dossier toe te voegen, waaraan uitvoering is gegeven. Hieruit blijkt dat er enkele malen een misverstand is geweest tussen de verbalisanten en de tolk. Bij de hernieuwde vertaling door de tweede tolk zijn deze misverstanden opgehelderd en daarmee hersteld. Anders dan de verdediging is het hof op geen enkele manier gebleken dat er sprake is van een opzettelijk onjuiste weergave van het verhandelde en evenmin kan worden geoordeeld dat er sprake is van een zodanig onzorgvuldige weergave van het verhoor dat deze niet representatief kan worden geacht. Bij het opmaken van het proces-verbaal gaat het namelijk veelal om een zakelijke weergave waarbij er geen woordelijke uitwerking van het verhoor plaatsvindt. De verdediging heeft voorts bepleit dat door de verbalisanten sturende vragen zijn gesteld waardoor er bij aangeefster een “bepaald zaadje is geplant dat niet meer ontworteld kan worden”. Op dit punt is naar voren gebracht dat de verbalisanten de naam van de verdachte zouden hebben geïntroduceerd, terwijl [slachtoffer] enkel aangifte kwam doen tegen [medeverdachte] . Het hof acht niet aannemelijk geworden dat de verbalisanten zodanig sturende vragen hebben gesteld dat daardoor de verklaringsvrijheid van [slachtoffer] is aangetast en, meer in het bijzonder, zij de verdachte aanwijst als schuldige aan de uitbuiting. Het hof verwijst hierbij onder andere naar het proces-verbaal van verhoor aangever gedateerd 2 juli 2020 (pagina 1917) waarbij door de verbalisanten is opgenomen dat [slachtoffer] eerder aan ene [naam] heeft verteld dat ze via [verdachte] (de verdachte) naar Nederland is gekomen. Vanaf daar verklaart [slachtoffer] verder over de verdachte. Het is dus aangeefster zelf die in eerste instantie met de naam van de verdachte is gekomen. Naar het oordeel van het hof is er dan ook geen sprake van enig vormverzuim in de wijze van verhoren van [slachtoffer] en kunnen haar verklaringen gebezigd worden tot het bewijs. Strafmotivering Het hof verbetert en vult aan de strafmotivering van de rechtbank als genoemd onder 6.3, pagina 9 t/m 11 van het vonnis. Omwille van de leesbaarheid wordt de bestaande tekst voornoemd vervangen door de volgende overwegingen. Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de uitbuiting van de zeer jonge (net 18 jaar oude) [slachtoffer] . Daartoe heeft de verdachte [slachtoffer] vanuit Bulgarije naar Nederland gelokt onder het valse voorwendsel dat zij in de aardbeienteelt zou kunnen werken. Uiteindelijk is zij kort na aankomst in Nederland in de prostitutie beland en heeft zij haar verdiensten grotendeels moeten afstaan. Om [slachtoffer] in de prostitutie te houden heeft de verdachte daartoe twee keer geweld gebruikt. De strafbaarstelling van mensenhandel beoogt uitbuiting van personen te voorkomen en bescherming te bieden tegen de aantasting van de lichamelijke en geestelijke integriteit en persoonlijke vrijheid van individuele personen. Iemand dwingen om in de prostitutie te werken is een vergaande en ontluisterende manier van uitbuiting, waarbij de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer ondergeschikt wordt gemaakt aan de zucht naar geldelijk gewin van degene die het slachtoffer uitbuit. De verdachte heeft een grove inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van deze jonge vrouw (het slachtoffer) en heeft daarmee haar lichamelijke integriteit aangetast. Gezien het vorenstaande rekent het hof het de verdachte dan ook zwaar aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard. Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 19 september 2025, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat hij niet eerder onherroepelijk voor een soortgelijk strafbaar feit in Nederland is veroordeeld. Voorts heeft het hof acht geslagen op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals ter terechtzitting naar voren zijn gebracht. Het hof is van oordeel dat, in het bijzonder gelet op de ernst van het bewezenverklaarde, de straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd en uit het oogpunt van vergelding, niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of lichtere sanctie dan een straf die langdurige onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Alles afwegende acht het hof oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, in beginsel passend en geboden. Daarbij heeft het hof de binnen de zittende magistratuur ontwikkelde oriëntatiepunten, dienende als indicatie voor een gebruikelijk rechterlijk straftoemetingsbeleid ten aanzien van mensenhandel, tevens in aanmerking genomen. Schending redelijke termijn Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling en afdoening van zijn zaak binnen een redelijke termijn. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. De aanvang van de redelijke termijn in eerste aanleg stelt het hof vast op de dag waarop de verdachte in verzekering is gesteld, te weten 10 november
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.