← Nederland

ECLI:NL:GHSHE:2025:3427

Parketnummer : 20-002382-24 Uitspraak : 26 november 2025 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 27 augustus 2024, in de strafzaak met parketnummer 02-179899-24 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1974, wonende te [adres] . Hoger beroep Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter de verdachte ter zake van ‘bedreiging’ (feit 2) vrijgesproken. De politierechter heeft de verdachte ter zake van ‘mishandeling’ (feit 1) en ‘opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen’ (feit 3) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 dagen met aftrek van voorarrest en een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis, waarvan 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met bijzondere voorwaarden in de vorm van een contactverbod en een locatieverbod. Voorts heeft de politierechter de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toegewezen tot een bedrag van € 1.120,85, te vermeerderen met de wettelijke rente, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en met veroordeling van de verdachte in de proceskosten. Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Omvang hoger beroep Het hoger beroep van de verdachte is beperkt ingesteld en richt zich niet tegen de vrijspraak door de rechtbank van hetgeen onder feit 2 ten laste is gelegd. Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het vonnis waarvan beroep dat aan het oordeel van het hof is onderworpen. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen ten aanzien van de bewezenverklaring en het bewijs, en zal vernietigen ten aanzien van de opgelegde straf. De advocaat-generaal heeft in dat kader gevorderd dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 weken, waarvan 3 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek van voorarrest en met de bijzondere voorwaarden met betrekking tot het contactverbod en het gebiedsverbod zoals door de politierechter is opgelegd. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de vordering van de benadeelde partij zal toewijzen tot een bedrag van € 1.270,85, bestaande uit € 1.000,00 aan immateriële schade en € 270,85 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en voor het overige te beslissen zoals de politierechter heeft gedaan. Namens de verdachte is primair vrijspraak van beide feiten bepleit. Subsidiair is een straftoemetingsverweer gevoerd. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij is primair afwijzing dan wel niet-ontvankelijkheid bepleit, gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair is bepleit dat een kostenpost van het materiële deel van de vordering dient te worden afgewezen en dat de vordering voor wat betreft het immateriële deel dient te worden gematigd. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en de gronden waarop het berust, met dien verstande dat: de bewijsmiddelen door het hof worden aangevuld met de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep; de bewijsoverwegingen van de politierechter op pagina’s 9 en 10 van het vonnis wordt geschrapt en vervangen door de onderstaande bewijsoverweging; en de motivering van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij wordt aangevuld. Aanvulling bewijsmiddelen De bewijsvoering behoeft, mede gelet op hetgeen in hoger beroep aan de orde is gekomen, aanvulling. Naast de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen komt de bewezenverklaring mede te berusten op het bewijsmiddel zoals hierna is weergegeven. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep op 12 november 2025, voor zover inhoudende: Ik ben op 26 mei 2024 bij mevrouw [slachtoffer] haar huis geweest. Ik zal wel boos zijn geweest en zal verhaal hebben willen halen. Ik heb mevrouw [getuige] ook bij de woning van mevrouw [slachtoffer] gezien. Bewijsmotivering Algemene overwegingen De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd. Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft. Bepleite vrijspraak De verdediging heeft vrijspraak bepleit van de tenlastegelegde feiten. Hiertoe is – in de kern – aangevoerd dat de verklaringen van [slachtoffer] en [getuige] op meerdere punten van elkaar afwijken. Ook wijken de verklaringen van [slachtoffer] en [getuige] bij de raadsheer-commissaris af van hun eerdere verklaringen bij de politie. Daarnaast is onvoldoende gebleken dat het letsel van [slachtoffer] is opgelopen door het handelen van de verdachte. Op 26 mei 2024 was er namelijk nog geen sprake van zichtbaar letsel. Pas op 30 mei 2024 werd door de huisarts een bult op het achterhoofd van [slachtoffer] geconstateerd. Het causale verband tussen de gebeurtenissen op 26 mei 2024 en de bult is daarmee niet voldoende aannemelijk. Tevens kan de vernieling van de ruit niet wettig en overtuigend worden bewezen, aangezien nergens uit blijkt dat de ruit voor de komst van de verdachte nog niet beschadigd was. Het hof overweegt dienaangaande als volgt. De verdachte heeft verklaard dat hij op 26 mei 2024 bij het huis van aangeefster [slachtoffer] is geweest omdat hij, naar alle waarschijnlijkheid, verhaal bij haar wilde halen. Toen hij daar was heeft hij mevrouw [getuige] ook gezien. [slachtoffer] en [getuige] hebben beide bij de politie verklaard dat de verdachte [slachtoffer] tijdens dat bezoek meerdere keren met zijn helm tegen het hoofd heeft geslagen, haar aan haar haren heeft getrokken en dat de verdachte met zijn helm op een ruit van de woning heeft gebonkt. Het hof ziet geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van deze verklaringen. De verklaringen komen weliswaar niet geheel met elkaar overeen, maar vinden wel in kernelementen steun in elkaar. Zo verklaren [slachtoffer] en [getuige] gelijkluidend over de geweldshandelingen die de verdachte heeft gepleegd, namelijk het met zijn helm tegen het hoofd van [slachtoffer] slaan, het aan de haren trekken van [slachtoffer] en het met zijn helm op de ruit van de woning bonken. Bij de raadsheer-commissaris hebben [slachtoffer] en [getuige] hun eerdere verklaringen bij de politie op essentiële punten gehandhaafd. Ook komen de verklaringen van [slachtoffer] en [getuige] bij de raadsheer-commissaris wederom in de kern met elkaar overeen. Op grond van het voorgaande twijfelt het hof niet aan de betrouwbaarheid van deze verklaringen. Over het letsel van [slachtoffer] dat pas een paar dagen na het geweldsincident zou zijn geconstateerd oordeelt het hof als volgt. [slachtoffer] heeft bij de politie verklaard dat zij pijn had aan haar hoofd en nek had door de harde klappen met de helm die zij van de verdachte heeft gekregen. De huisarts heeft, zo schrijft hij, [slachtoffer] op 30 mei 2024 onderzocht naar aanleiding van huiselijk geweld en vastgesteld dat ze een buil op het achterhoofd had met warmte en ontstekingsverschijnselen. Het hof acht het aannemelijk dat klappen met een helm op het hoofd een buil kunnen veroorzaken. Dat [slachtoffer] heeft verklaard geen zichtbaar letsel op haar hoofd te hebben doet aan het voorgaande niet af nu immers een medicus [slachtoffer] heeft onderzocht en letsel heeft geconstateerd. [getuige] heeft bij de politie verklaard dat ze zag dat verdachte zijn helm afzette en zeker vijf keer hard met zijn helm sloeg tegen de grote ruit van de woonkamer aan de voorzijde van de woning. Toen de politie die ochtend ter plaatse kwam zag verbalisant [verbalisant] dat er “scherven in de ruit van de woning zaten”. De verbalisant maakte er foto’s van, zo staat gerelateerd op pagina 20 van het proces-verbaal van bevindingen, en bevinden zich in het dossier op pagina 24. Dat [slachtoffer] aanvankelijk bij de politie verklaard dat verdachte met zijn helm tegen de ruit van de voordeur sloeg en daar ook schade heeft geconstateerd doet aan het voorgaande niet af. De niet onderbouwde stelling dat deze schade er mogelijk al was of door de zoon van [slachtoffer] is veroorzaakt wordt door het hof verworpen. Het hof acht het daartegen zeer aannemelijk dat het meerdere malen hard bonken met een helm op een ruit barsten in een ruit kan veroorzaken. Het hof verwerpt op grond van het voorgaande het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging. Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] De verdediging heeft in hoger beroep aangevoerd dat het niet nodig was voor de benadeelde partij om meerdere beveiligingscamera’s aan te schaffen, waardoor de kosten van één camera kunnen worden toegewezen maar de kosten voor de overige camera’s dienen te worden afgewezen. Ten aanzien van het immateriële gedeelte van de vordering heeft de verdediging aangevoerd dat deze dient te worden gematigd. Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [slachtoffer] als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 1.120,85. Materiële schade De vordering is voor het materiële gedeelte opgebouwd uit de volgende posten: Twee hotelovernachtingen € 216,00; en Aanschaf van drie beveiligingscamera's € 54,85. Het hof acht het begrijpelijk dat de benadeelde partij twee nachten niet in haar woning wilde slapen naar aanleiding van de geweldshandelingen die daar hebben plaatsgevonden. Deze kostenpost zal dan ook worden toegewezen. De verdediging heeft zich verzet tegen de kostenpost van meerdere beveiligingscamera’s, omdat één camera voldoende zou zijn. Het hof acht het echter aannemelijk dat er meerdere beveiligingscamera’s nodig zijn om het grootste deel van de woning in beeld te kunnen krijgen. Het hof zal deze vordering daarom ook geheel toewijzen. Immateriële schade De benadeelde partij heeft door de geweldshandelingen van de verdachte lichamelijk letsel opgelopen in de vorm van hoofdpijn en een bult op haar hoofd. Gezien dit letsel is het hof van oordeel dat de gevorderde vergoeding voor immateriële schade onder het bereik van artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek valt. Gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde, de aard en ernst van het letsel en de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij, acht het hof het, net als de politierechter, billijk deze immateriële schade te begroten op een bedrag van € 850,00. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is. BESLISSING Het hof: Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen met inachtneming van het hiervoor overwogene. Aldus gewezen door: mr. M.L.P. van Cruchten, voorzitter, mr. W.E.C.A. Valkenburg en mr. W.P.A. Korver, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. I.A.M.H. Hermans, griffier, en op 26 november 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.