← Nederland

ECLI:NL:GHSHE:2025:3471

Parketnummer : 20-000082-25 Uitspraak : 1 december 2025 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 14 januari 2025, in de strafzaak met parketnummer 02-267247-24 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1989, wonende te [adres 1] . Hoger beroep Bij het vonnis waarvan beroep heeft de politierechter de verdachte ter zake van ‘bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht’ veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 40 uren subsidiair 20 dagen hechtenis met aftrek, waarvan 20 uren subsidiair 10 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. De politierechter heeft aan het voorwaardelijke strafdeel naast algemene voorwaarde tevens bijzondere voorwaarden verbonden, te weten reclasseringstoezicht en een contact- en locatieverbod. Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het bestreden vonnis zal worden vernietigd en, opnieuw rechtdoende, het hof de verdachte zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 40 uren, waarvan 20 uren voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Aan het voorwaardelijk strafdeel dienen volgens de advocaat-generaal bijzondere voorwaarden te worden verbonden, te weten een contactverbod met [slachtoffer] , tenzij dit contact plaatsvindt onder begeleiding van de gezinsmanager of een soortgelijke vertegenwoordiger van bijvoorbeeld [stichting] en oplegging van een locatieverbod voor het adres [adres 2] . Namens de verdachte is vrijspraak bepleit, subsidiair is een straftoemetingsverweer gevoerd. Vonnis waarvan beroep Het bestreden vonnis zal worden vernietigd omdat de politierechter heeft volstaan met aantekening van de uitspraak op een aan het dubbel van de dagvaarding gehecht stuk, maar het hof gebonden is aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359 van het Wetboek van Strafvordering. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: hij op of omstreeks 18 juli 2024 te Tilburg [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling door haar de woorden toe te voegen 'de volgende keer dat ik je zie ben je de mijne en maak ik je af', althans woorden van gelijke aard en/of strekking, en/of een snijbeweging met zijn hand/vinger langs zijn (verdachtes) keel te maken. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij omstreeks 18 juli 2024 te Tilburg [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door haar de woorden toe te voegen 'de volgende keer dat ik je zie, ben je de mijne en maak ik je af' althans woorden van gelijke aard en/of strekking. Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. Bewijsmiddelen Hierna wordt – tenzij anders vermeld – steeds verwezen naar het eindproces-verbaal van de politie eenheid Zeeland-West-Brabant, registratienummer PL2000-2024186341, gesloten d.d. 5 september 2024, bevattende een verzameling van op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal van politie met daarin gerelateerde bijlagen, doorgenummerde dossierpagina’s 1-

  1. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 24 juli 2024 (pg. 11-14), voor zover inhoudende als verklaring van aangever [slachtoffer] : Ik doe aangifte van bedreiging. De bedreiging is gepleegd door mijn vader [verdachte] . Door de bedreiging ben ik veel angstgevoelens opgelopen. Ik heb niemand toestemming gegeven en niemand heeft het recht om mij te bedreigen. Op 18 juli 2024 omstreeks 20.00 uur stond hij ons op te wachten bij mijn huis. Ik was toen met mijn moeder naar de winkel geweest. Hij begon weer te schreeuwen en zei: ‘De volgende keer dat ik je zie, ben je de mijne en maak ik je af’.
  2. De verklaring van [getuige 1] afgelegd als getuige ter terechtzitting van dit hof op 17 november 2025, voor zover inhoudende: U, voorzitter, vraagt mij of ik het filmpje van die dag van de vermeende bedreiging na het doen van de boodschappen nog op mijn telefoon heb staan. Dat heb ik. U, voorzitter, houdt voor dat het filmpje is gemaakt op de datum 17 juli 2024, om 20.18 uur. Wij kwamen aangereden van de boodschappen. Meneer (het hof: de verdachte) kwam met zijn vriendin aangereden. Ik was met [getuige 2] en [slachtoffer] . Wij stapten uit. Het was heel hectisch. [slachtoffer] was doodsbang voor haar vader en hij ging schreeuwen dat hij haar iets ging aandoen. Hij riep ‘ik pak jou wacht maar’. Dit heb ik allemaal zelf gehoord. Bewijsoverwegingen De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar. Strafbaarheid van de verdachte Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde. Op te leggen straf De raadsman heeft het hof verzocht om een straf op te leggen gelijk aan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Het hof overweegt dienaangaande als volgt. Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zijn dochter [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht. Door aldus te handelen heeft de verdachte bij het slachtoffer gevoelens van angst veroorzaakt. Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat hij heeft gehandeld zoals is bewezenverklaard. Dat de verdachte het feit heeft gepleegd tegen zijn eigen (minderjarige) dochter acht het hof een strafverzwarende omstandigheid. Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 24 september 2025, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte. Hieruit komen geen relevante eerdere veroordelingen naar voren. Ten slotte heeft het hof acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals deze op het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep naar voren zijn gekomen. De verdachte heeft veel last ondervonden van het contactverbod. Hij probeert het contact met zijn dochter in samenspraak met de betrokken instanties weer op te pakken. Een contactverbod zou hierin een belemmering kunnen zijn. Het contact met zijn zoontje is inmiddels hersteld en deze komt eens in de twee weken een weekend bij hem. Gelet op de ernst van het feit en de context waarin het zich heeft afgespeeld acht het hof alles afwegende een voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis met een proeftijd van 3 jaren passend en geboden. Mocht deze straf ten uitvoer worden gelegd, dan zal aftrek van het voorarrest overeenkomstig artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht worden toegepast, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag. Met oplegging van een voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten. Gelet op bovenvermelde overwegingen aangaande verdachtes persoonlijke omstandigheden, zal het hof, anders dan gevorderd door de advocaat-generaal, aan deze voorwaardelijke straf geen contact- en locatieverbod verbinden. Met het oog op een mogelijk contactherstel in samenspraak met de betrokken instanties is deze voorwaardelijke straf voor de verdachte bovenal een belangrijke stok achter de deur om niet opnieuw in de fout te gaan. Toepasselijke wettelijke voorschriften De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 285 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden. BESLISSING Het hof: vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht; verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan; verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij; verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar; veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis; bepaalt dat de taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt; beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Aldus gewezen door: mr. G.J. Hanssen, voorzitter, mr. R. Lonterman en mr. M.J.M.A. van der Put, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. D.S. Yap, griffier, en op 1 december 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.