Parketnummer : 20-000711-25 Uitspraak : 3 december 2025 TEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv) Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 7 maart 2025, in de strafzaak met parketnummer 02-117277-24 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1993, wonende te [adres] . Hoger beroep Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter de verdachte ter zake van ‘medeplegen van witwassen’ (feit 1 primair) veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 50 uren, subsidiair 25 dagen hechtenis. De politierechter heeft de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] hoofdelijk toegewezen tot een bedrag ter hoogte van € 4.750,00 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 juli 2023 tot aan de dag van de gehele voldoening en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voorts is de verdachte veroordeeld in de gemaakte en nog te maken proceskosten van de benadeelde partij, tot aan het vonnis begroot op nihil. Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen met aanvulling van gronden en met uitzondering van de opgelegde straf en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 30 uren, waarvan 15 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Ten aanzien van de vordering benadeelde partij heeft de advocaat-generaal gevorderd deze hoofdelijk toe te wijzen tot een bedrag van € 4.750,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de benadeelde partij voor het overige deel van haar vordering niet ontvankelijk te verklaren. De raadsman van de verdachte heeft primair vrijspraak bepleit en heeft subsidiair een strafmaatverweer gevoerd. Met betrekking tot de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] heeft de raadsman van de verdachte zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering en subsidiair dat de vordering van de benadeelde partij dient te worden afgewezen. Vonnis waarvan beroep Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, reeds omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: primair hij in of omstreeks de periode van 11 juli 2023 tot en met 23 juli 2023, te Dongen en/of te 's-Hertogenbosch, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen (van) een geldbedrag van in totaal 4.750 euro, althans enig geldbedrag de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld, en/of heeft verborgen en/of heeft verhuld wie de rechthebbende(
- n)op dat geldbedrag was/waren, en/of heeft verborgen en/of heeft verhuld wie dat geldbedrag voorhanden had(den), en/of heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en/of gebruik heeft gemaakt, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(
- s)wist(en), althans redelijkerwijs moest(
- en)vermoeden dat dat geldbedrag – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig (eigen) misdrijf. subsidiair [medeverdachte] en/of een of meer onbekend gebleven personen in of omstreeks de periode van 11 juli 2023 tot en met 23 juli 2023, te Dongen en/of te 's-Hertogenbosch, althans in Nederland, (van) een geldbedrag van in totaal 4.750 euro, althans enig geldbedrag de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld, en/of heeft verborgen en/of heeft verhuld wie de rechthebbende(
- n)op dat geldbedrag was/waren, en/of heeft verborgen en/of heeft verhuld wie dat geldbedrag voorhanden had(den), en/of heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en/of gebruik heeft gemaakt, terwijl die [medeverdachte] en/of die een of meer onbekend gebleven personen wist(en), althans redelijkerwijs moest(
- en)vermoeden dat dat geldbedrag – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig (eigen) misdrijf bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks de periode van 11 juli 2023 tot en met 23 juli 2023 te Dongen en/of te 's-Hertogenbosch, althans in Nederland opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door zijn, verdachtes, rekening aan die [medeverdachte] en/of een of meer onbekend gebleven personen ter beschikking te stellen, en/of een of meerdere geldbedragen naar de rekening van die [medeverdachte] te over te maken, en/of een of meerdere geldbedragen te pinnen en/of aan die [medeverdachte] en/of een of meer onbekend gebleven personen af te staan. De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij in de periode van 11 juli 2023 tot en met 23 juli 2023 in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, een geldbedrag van in totaal 4.750 euro heeft verworven, voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen, terwijl hij, verdachte, en zijn mededader(
- s)wist(
- en)dat dat geldbedrag – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf. Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. Bewijsmiddelen Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht. Bewijsoverwegingen I. De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd. II. De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep integrale vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit. Daartoe is in de kern aangevoerd dat een vorm van opzet aan de zijde van de verdachte ontbreekt. Er zou sprake zijn geweest van een afhankelijke relatie tussen de verdachte en de [medeverdachte] . De verdachte was ten tijde van het tenlastegelegde (en thans nog) verslaafd aan verdovende middelen en de medeverdachte [medeverdachte] was de dealer die hem drugs verstrekte. Daarnaast zou de verdachte gebruikt zijn door de medeverdachte [medeverdachte] en is de verdachte in die zin ook slachtoffer, aldus de raadsman van de verdachte. Voorts heeft de raadsman van de verdachte bepleit dat er geen sprake is geweest van mededaderschap, nu een nauwe en bewuste samenwerking ontbreekt. Het hof overweegt dienaangaande als volgt. Uit de bewijsmiddelen volgt dat aangeefster [benadeelde 1] op 11 juli 2023 via Facebook contact heeft gehad met een persoon genaamd [persoon] over de aankoop van een iPhone. De aangeefster en de voornoemde persoon zijn overeengekomen dat de aangeefster het totaalbedrag in twee delen zou betalen, de eerste helft vooraf en de andere helft na ontvangst van de telefoon. De aangeefster heeft op 11 juli 2023 een bedrag van € 125,00 overgemaakt door middel van een Tikkie naar de bankrekening van de verdachte. Op 12 juli 2023 is er een bedrag van € 120,00 opgenomen vanaf die bankrekening van de verdachte bij een geldautomaat te ‘s-Hertogenbosch. Vervolgens heeft de aangeefster bericht gekregen dat haar pakket was stilgezet en heeft zij op 14 juli 2023 opnieuw een bedrag van € 125,00 overgemaakt door middel van een Tikkie naar de bankrekening van de verdachte. Vervolgens is er op 14 juli 2023 een bedrag van € 105,00 overgemaakt vanaf de bankrekening van de verdachte naar de bankrekening van de medeverdachte [medeverdachte] met betalingsomschrijving ‘Cafe’. Op 21 juli 2023 heeft de aangeefster een Whatsapp-bericht ontvangen waarin stond dat zij de levering van de telefoon moest verifiëren. De aangeefster heeft op instructie verscheidene handelingen verricht in haar iCloud-account en de applicatie van de Rabobank. Op 22 juli 2023 is er vervolgens een bedrag van € 4.500,00 overgeschreven vanaf de bankrekening van de aangeefster naar de bankrekening van de verdachte met als betalingsomschrijving ‘Cafe’. Daarna is er op 23 juli 2023 een bedrag van € 4.330,00 in vier verschillende transacties bij meerdere geldautomaten opgenomen vanaf de bankrekening van de verdachte. Ten overstaan van de politie heeft de verdachte verklaard dat degene die de oplichting heeft uitgevoerd bekend staat onder de naam ‘ [naam] ’. Nadat aan de verdachte tijdens het verhoor een foto wordt getoond van de medeverdachte [medeverdachte] geeft de verdachte te kennen dat dat degene is die hij kent als ‘ [naam] ’. De verdachte heeft tevens verklaard dat gedupeerde mensen geld naar zijn rekening overmaakten en dat hij het geld overmaakte aan de medeverdachte [medeverdachte] of hij pinde het en het werd dan door of namens opgehaald. De verdachte heeft verklaard dat hij soms een klein bedrag mocht houden en dat hij er geen kwaad in zag, omdat hij verslaafd was aan drugs. Ten overstaan van de politierechter in eerste aanleg heeft de verdachte tevens verklaard dat hij een keer in de nacht werd geappt dat hij vroeg wakker moest zijn om gelijk het geld van zijn bankrekening af te halen. Het hof is van oordeel dat de verdachte op zijn minst voorwaardelijk opzet heeft gehad op het witwassen van de geldbedragen en overweegt daartoe als volgt. Het hof stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaalde omstandigheid – zoals hier het witwassen van geldbedragen door het voorhanden hebben en overdragen terwijl hij, verdachte, wist dat dat geldbedrag – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf – aanwezig is als de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat geldbedrag – onmiddellijk of middellijk – afkomstig is uit enig misdrijf. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans in het leven roept, is afhankelijk van de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Het hof is van oordeel dat uit het voorgaande volgt dat de verdachte in een relatief korte periode zijn bankrekening aan iemand onbekend die hij enkel kende onder de naam ‘ [naam] ’ (hof: de later geïdentificeerde [medeverdachte] ), ter beschikking heeft gesteld voor de ontvangst van grote geldbedragen op zijn bankrekening via een Tikkie en via overschrijvingen van de bankrekening van aangeefster. Vervolgens heeft de verdachte een deel van de geldbedragen contant opgenomen bij een geldautomaat en een ander deel overgemaakt naar de bankrekening van de [medeverdachte] . Het hof is van oordeel dat de verdachte zich onder de genoemde omstandigheden minst genomen bewust moet zijn geweest van de aanmerkelijke kans dat het geld van misdrijf afkomstig was en hij deze kans ook heeft aanvaard. Het hof wijst in dat kader op de omstandigheden waaronder de verdachte het geld heeft ontvangen, de kenmerken die bij de betalingen waren vermeld, het feit dat de verdachte een bericht heeft ontvangen dat hij vroeg wakker moest zijn om het geld gelijk van zijn bankrekening af te halen en dientengevolge de gelden relatief kort na ontvangst heeft gepind en aan [medeverdachte] heeft doen toekomen. Het hof is van oordeel dat deze handelswijze in het normale betalingsverkeer zeer ongebruikelijk is en dat het niet anders kan zijn dan dat door op deze manier te handelen bij de verdachte het vermoeden moet zijn ontstaan dat de gelden geen legale herkomst hadden. Door desondanks mee te werken aan het overboeken en/of pinnen van de ontvangen geldenbedragen heeft de verdachte zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat het daarbij ging om het voorhanden hebben en overdragen van van misdrijf afkomstig geld, en hij zich derhalve schuldig maakte aan witwassen. De omstandigheid dat de verdachte heeft verklaard, zoals ook door de verdediging naar voren is gebracht, dat de verdachte ten tijde van het tenlastegelegde verslaafd was aan drugs maakt dat oordeel niet anders. Immers, een zodanig verweer kan slechts slagen indien bij de verdachte ten tijde van zijn handelen ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan zou hebben ontbroken. Het hof oordeelt dat een zodanig uitzonderlijk geval zich in casu, gezien de aard van de bewezenverklaarde gedragingen en de omstandigheden waaronder deze plaatsvonden, niet heeft voorgedaan. Dientengevolge acht het hof voorwaardelijk opzet op het witwassen aan de kant van de verdachte bewezen. Medeplegen Het hof stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en (een) ander(en). Ook indien het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, maar uit gedragingen die doorgaans met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht), kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn of de verdachte heeft op de een of andere manier een wezenlijke bijdrage aan het delict geleverd. Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip (vgl. o.a. HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014: 3474; HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:718 en HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1316). Het hof is van oordeel dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking van voldoende gewicht, gezien de taak en het belang van de rol van de verdachte bij de uitvoering of de afhandeling van het witwassen van de geldbedragen. Het hof heeft daarbij in het bijzonder gelet op het feit dat de verdachte op zijn bankrekening gelden heeft ontvangen door toedoen van de medeverdachte(
- n)en vervolgens in opdracht van de [medeverdachte] deze bedragen heeft overgemaakt, dan wel heeft opgenomen bij een geldautomaat en weer heeft overgedragen aan de medeverdachte(n). Daarmee is er naar het oordeel van het hof sprake van een zodanige onderlinge taakverdeling en gezamenlijke uitvoering, waarbij de verdachte niet alleen zijn bankrekening ter beschikking stelde, maar zelf ook direct betrokken was bij de witwashandelingen die op en met zijn bankrekening hebben plaatsgevonden, dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking van voldoende gewicht tussen verdachte en de medeverdachte(n). Het hof verwerpt mitsdien het verweer van de verdediging in al zijn onderdelen. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het primair bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd: medeplegen van witwassen. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar. Strafbaarheid van de verdachte Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde. Op te leggen sanctie De raadsman van de verdachte heeft het hof, in geval het hof komt tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde, verzocht om te volstaan met een geheel voorwaardelijke geldboete. In dat kader heeft de raadsman van de verdachte naar voren gebracht dat de verdachte een gebrekkige intelligentie heeft, met een drugsverslaving kampt waar nog een behandeling voor zou lopen en sprake is van psychische problematiek bij de verdachte. Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich in de periode van 11 juli 2023 tot en met 23 juli 2023 schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van witwassen. Het witwassen van gelden heeft een ontwrichtende werking op de integriteit van het financieel en economisch verkeer en ook op de openbare orde. Daarnaast werkt het faciliterend voor ander strafbaar handelen, zoals in dit geval oplichting. De geldbedragen die door de verdachte zijn witgewassen zijn afkomstig uit oplichting van nietsvermoedende burgers die onder valse voorwendselen inloggegevens verstrekken, waardoor criminelen toegang krijgen tot hun bankrekening die zich vervolgens de daarop staande geldbedragen toe-eigenen. Het hof overweegt dat bij het bepalen van de straf op deze feiten de generale preventie die uitgaat van bestraffing van belang is, nu deze vorm van criminaliteit steeds vaker voorkomt en de slachtoffers zwaar treft. Deze strafbare feiten brengen naast financieel verlies persoonlijk leed voor de slachtoffers met zich, hetgeen door het slachtoffer in deze zaak treffend is verwoord in haar schriftelijke slachtofferverklaring in eerste aanleg. Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard en houdt bij de strafoplegging rekening met vorenstaande. Voorts heeft het hof acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 25 september 2025, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat hij eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van een soortgelijk feit, doch niet recentelijk. Deze veroordeling is van langer geleden en het hof zal daaraan bij de straftoemeting in deze zaak geen gewicht toekennen. Het hof heeft tevens acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan uit het dossier en ter terechtzitting is gebleken. Naar het oordeel van het hof kan gelet op al het vorenstaande niet worden volstaan met een straf zoals door de advocaat-generaal is gevorderd of door de raadsman van de verdachte is bepleit. Alle omstandigheden afwegende acht het hof de oplegging van een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis, passend en geboden. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding van een bedrag van € 7.877,00 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Bij vonnis waarvan beroep is de vordering hoofdelijk gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van € 4.750,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 juli 2023 tot aan de dag der algehele voldoening en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij hoofdelijk zal toewijzen tot een bedrag ter hoogte van € 4.750,00, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de benadeelde partij voor het overige deel van haar vordering niet ontvankelijk te verklaren. De raadsman van de verdachte heeft de vordering ter terechtzitting in hoger beroep betwist en heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering, gelet op de bepleite vrijspraak, en subsidiair dat de vordering van de benadeelde partij dient te worden afgewezen, vanwege de indirecte betrokkenheid van de verdachte. Het hof overweegt als volgt. Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde 1] als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële schade heeft geleden tot een bedrag van € 4.750,00. De verdachte heeft immers op zijn bankrekening een totaalbedrag ter hoogte van € 4.750,00 ontvangen die de aangeefster via Tikkies heeft betaald en die via de bankrekening van de aangeefster naar de bankrekening van de verdachte zijn overgemaakt. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is. Voor het overige deel dient de vordering van de benadeelde partij te worden afgewezen. Het hof is van oordeel dat onvoldoende causaal verband bestaat met verdachtes bewezenverklaarde handelen. Het toe te wijzen bedrag zal, zoals gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 juli 2023, zijnde het moment waarop de schade is ontstaan, tot aan de dag der algehele voldoening. Het hof zal de verdachte veroordelen in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt (en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken), tot op heden begroot op nihil. Tot vergoeding van de schade is naast de verdachte ook de mededader gehouden. Zij zijn derhalve hoofdelijk aansprakelijk voor deze schade. Indien en voor zover één van hen (een deel van) deze schade betaalt, zal ook de ander daardoor zijn bevrijd van zijn betalingsverplichting. Schadevergoedingsmaatregel Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en de medeverdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [benadeelde 1] is toegebracht tot een bedrag van € 4.750,00. De verdachte en de medeverdachte zijn daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk. Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen tot een bedrag van € 4.750,00, te vermeerderen met de wettelijke rente zoals hiervoor is vermeld, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 57 dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft. Toepasselijke wettelijke voorschriften De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f, 47 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden. BESLISSING Het hof: vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan; verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij; verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar; veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis; Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 4.750,00 (vierduizend zevenhonderdvijftig euro) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(
- s)hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 juli 2023 tot aan de dag der voldoening; wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af; veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil; legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1] , ter zake van het primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 4.750,00 (vierduizend zevenhonderdvijftig euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 juli 2023 tot aan de dag der algehele voldoening en bepaalt dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 57 (zevenenvijftig) dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid van de schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft; bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(
- s)aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt. Aldus gewezen door: mr. M.M. Koevoets, voorzitter, mr. A.R. Hartmann en mr. M. van der Horst, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. M.E. van Vessem, griffier, en op 3 december 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.