← Nederland

ECLI:NL:GHSHE:2025:3627

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Meervoudige Belastingkamer Nummer: 24/267 Uitspraak op het hoger beroep van [belanghebbende] , wonend in [plaats] , hierna: belanghebbende, tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 2 februari 2024, nummer BRE 22/4632, in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst, hierna: de inspecteur. 1Ontstaan en loop van het geding 1.

  1. De inspecteur heeft bij beschikking de teruggaaf van de op het loon ingehouden inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw) voor het jaar 2021 op nihil vastgesteld en het aan belanghebbende verleende voorschot teruggevorderd (hierna: de beschikking). 1.
  2. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard. 1.
  3. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. 1.
  4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.
  5. Het hof heeft bepaald dat de zitting achterwege kan blijven. Geen van partijen heeft – na navraag door het hof – verklaard gebruik te willen maken van hun recht om op een zitting te worden gehoord. Het hof heeft partijen schriftelijk meegedeeld dat het onderzoek is gesloten. 2Feiten 2.
  6. Belanghebbende had in het jaar 2020 recht op een teruggaaf van inkomensafhankelijke bijdrage Zvw. 2.
  7. Belanghebbende heeft om die reden met dagtekening 5 augustus 2021 voor het jaar 2021 een voorschot ontvangen op de teruggaaf van inkomensafhankelijke bijdrage Zvw van € 358 (hierna: het voorschot). In de betreffende brief staat: "Wij hebben vastgesteld dat u in aanmerking komt voor een voorschot op de teruggaaf van de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (bijdrage Zvw) over
  8. Hierbij zijn wij uitgegaan van de gegevens die wij hebben over uw inkomen in
  9. Wij nemen aan dat uw situatie in 2021 hetzelfde blijft. (…) Wat betekent deze beslissing voor u? U ontvangt alvast een voorschot op de teruggaaf van de bijdrage Zvw over
  10. Na afloop van dit jaar berekenen wij het bedrag van de teruggaaf waar u recht op heeft. Let op! Wanneer wij de teruggaaf berekenen, kan duidelijk worden dat het voorschot te hoog was. U moet dan een bedrag aan ons terugbetalen. Over dat bedrag betaalt u belastingrente. Als u denkt dat u een te hoog voorschot hebt gekregen, kunt u het laten wijzigen." 2.
  11. Belanghebbende ontvangt sinds 20 februari 2021 een uitkering uit de Algemene Ouderdomswet (hierna: de AOW-uitkering). 2.
  12. De inspecteur heeft bij de beschikking vastgesteld dat belanghebbende voor het jaar 2021 geen recht heeft op een teruggaaf van inkomensafhankelijke bijdrage Zvw en heeft het voorschot teruggevorderd. 3Geschil en conclusies van partijen 3.
  13. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vraag: Dient belanghebbende het voorschot op de teruggaaf van de bijdrage Zvw over 2021 terug te betalen? 3.
  14. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en vernietiging van de beschikking. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank. 4Gronden Ten aanzien van het geschil Standpunten van partijen 4.
  15. Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende in 2021 op basis van de wet geen recht heeft op een teruggaaf van de bijdrage Zvw. Belanghebbende heeft echter gesteld dat de inspecteur kon weten dat hij in 2021 geen recht zou hebben op een teruggaaf. Hij zou namelijk een AOW-uitkering gaan ontvangen, zodat het voorschot onterecht is verstrekt. Volgens belanghebbende is dat een fout van de inspecteur en hoeft hij het ontvangen voorschot daarom niet terug te betalen. 4.
  16. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de beschikking terecht aan belanghebbende is opgelegd. Op grond van artikel 50, lid 4, Zvw kan het voorschot worden teruggevorderd. Belanghebbende was hiervan op de hoogte. In de brief van 5 augustus 2022 (zie 2.2) heeft de inspecteur namelijk vermeld dat het bedrag moet worden terugbetaald indien het voorschot te hoog blijkt te zijn. Oordeel hof 4.
  17. De rechtbank heeft als volgt geoordeeld over de beschikking: “4.
  18. De inspecteur kan kort gezegd een voorschot verlenen op de teruggaaf van op het loon ingehouden inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet als hij het vermoeden heeft dat daarop recht bestaat en het bijdrage-inkomen afkomstig is van meerdere inhoudingsplichtigen.1 De voorschotten worden verrekend met de uiteindelijk te ontvangen teruggaafbeschikking.2 Ingeval een voorschot ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, kan de inspecteur het te veel betaalde bedrag bij voor bezwaar vatbare beschikking terugvorderen.3 4.
  19. Nu niet in geschil is dat het voorschot ten onrechte is ontvangen, heeft de inspecteur het voorschot terecht teruggevorderd bij de beschikking. Dat de inspecteur volgens belanghebbende kon weten dat er geen recht bestond op een teruggaaf omdat hij een AOW-uitkering genoot, doet daar -wat daar ook van zij- niet aan af. Dit kan niet tot gevolg hebben dat het voorschot niet wordt teruggevorderd. Belanghebbende dient daarom het gekregen voorschot terug te betalen.” Onder vermelding van de volgende voetnoten: “1 Artikel 50, derde lid, van de Zorgverzekeringswet (Zvw) in samenhang met artikel 5.13 van de Regeling zorgverzekering. 2 Artikel 5.13, vijfde lid, van de Regeling zorgverzekering. 3 Artikel 50, vierde lid, van de Zvw.” Het hof acht deze overwegingen juist, op goede gronden gegeven en maakt deze overwegingen tot de zijne. In hoger beroep zijn specifiek met betrekking tot de beschikking geen nieuwe gronden aangevoerd Dat wat in hoger beroep overigens is aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel. Tussenconclusie 4.
  20. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is. Ten aanzien van het griffierecht 4.
  21. Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden. Ten aanzien van de proceskosten 4.
  22. Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht. 5Beslissing Het hof: verklaart het hoger beroep ongegrond; bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De uitspraak is gedaan door C.W.M.M. Verkoijen, voorzitter, T.A. Gladpootjes en J.J. van den Broek, in tegenwoordigheid van E. Royakkers, als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 december 2025 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst. De griffier, De voorzitter, E. Royakkers C.W.M.M. Verkoijen Het aanwenden van een rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl. Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen: Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd. (Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: de naam en het adres van de indiener; de dagtekening; een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; e gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.