Parketnummer : 20-002005-24 Uitspraak : 6 oktober 2025 TEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv) Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 24 juli 2024, in de strafzaak met parketnummer 02-202961-24 tegen: [verdachte] , geboren te 0000 (Land onbekend) op [geboortedag] 1988, wonende te [adres 1] , postadres volgens opgaaf raadsman ter terechtzitting: [adres 2] . Hoger beroep Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter het tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als ‘opzettelijk en wederrechtelijk identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische persoonsgegevens, van een ander gebruiken met het oogmerk om de identiteit van een ander te misbruiken, waardoor uit dat gebruik enig nadeel kan ontstaan’, de verdachte deswege strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden waarvan 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van voorarrest. Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis van de politierechter wordt bevestigd. Namens de verdachte is primair vrijspraak bepleit. Subsidiair is er een strafmaatverweer gevoerd. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis met aanvulling van de gronden waarop dit berust. Aanvulling bewijsoverweging In hoger beroep is door de verdediging verweer gevoerd. Er zou sprake zijn van een vormverzuim, nu het Openbaar Ministerie en de politie op grond van artikel 28, eerste lid, sub c en e van de Wet beëdigde tolken en vertalers verplicht zijn om gebruik te maken van een beëdigd tolk/vertaler. Immers, vast staat dat het gesprek met de verdachte niet in de Pools taal plaatsvond en de verdachte louter Pools spreekt. Voorts dient op grond van artikel 5, tweede lid, van het EVRM en artikel 9, tweede lid, van het BUPO eenieder die is aangehouden onverwijld in een taal die hij verstaat op de hoogte te worden gebracht van de redenen daarvoor en van de beschuldigingen tegen hem. De noodzaak tot het al dan niet horen van de verdachte met een tolk is niet voorgelegd aan een hulpofficier van justitie, zodat de verdachte het voordeel van de twijfel dient te genieten nu hij niet begreep wat er van hem werd verwacht en hij mogelijk één en ander verkeerd heeft begrepen. Naast het feit dat de verbalisant niet conform de wet gebruik heeft gemaakt van een Poolse tolk, brengt het ontbreken van het inschakelen van een tolk met zich mee dat er terughoudend dient te worden omgegaan met wat de verdachte heeft verklaard en hoe het gesprek dient te worden geïnterpreteerd. In het dossier ontbreekt bewijs waaruit kan volgen dat de verdachte opzettelijk de naam van zijn collega heeft opgegeven met het oogmerk zijn eigen identiteit te verhullen. Voorts is nagelaten om de bijrijder te horen opdat de verklaring van de verdachte kon worden geverifieerd. Het hof overweegt in aanvulling op de bewijsmotivering van de politierechter (als weergegeven op pagina 4 onder 4, in het proces-verbaal van de politierechter van 24 juli 2024 waarin het mondeling vonnis is aangetekend) en in reactie op het verweer als volgt. Ingevolge artikel 29b, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering wordt een verdachte die de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst bij het politieverhoor bijgestaan door een tolk. Volgens de Aanwijzing bijstand van tolken en vertalers bij de opsporing en vervolging van strafbare feiten beoordeelt de verbaliserend ambtenaar of de verdachte de Nederlandse taal (voldoende) beheerst en zo deze onvoldoende wordt beoordeeld, roept de verbalisant bijstand van een tolk in. De vraag is evenwel of de wet daartoe noopt in geval van een controle, gelijk te stellen aan een staandehouding, als de onderhavige. Uit het dossier volgt dat de verbalisant de verdachte als bestuurder van een personenauto controleerde vanwege het niet dragen van een gordel. De verbalisant sprak de verdachte in het Nederlands aan, zei hem te hebben gezien dat hij geen gordel droeg en om die reden zijn rijbewijs vorderde. De verdachte sprak daarop in het Nederlands terug en pakte uit zijn portemonnee een Pools identiteitsbewijs en een Pools rijbewijs op naam van (het hof begrijpt uit de foto’s van deze documenten in plaats van [betrokkene] :) [betrokkene] . Desgevraagd naar zijn woonadres, gaf de verdachte -na zichzelf te corrigeren voor wat betreft het huisnummer- een adres in Tilburg op. Omdat de foto van beide documenten niet overeenkwam met de verdachte, twijfelde de verbalisant aan de identiteit van de verdachte. Nadat de verbalisant bevestiging kreeg van een collega dat de foto niet overeenstemde met de verdachte werd hij aangehouden en werd hem opnieuw naar zijn identiteitsgegevens gevraagd met de mededeling dat de verbalisant hem niet geloofde dat hij de persoon was die hij opgaf te zijn. De verdachte gaf vervolgens op dat hij was genaamd [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1988. Uit het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van 22 juni 2024 volgt dat verbalisant [verbalisant] die dag heeft vastgesteld dat de verdachte ten tijde van de controle in de Nederlandse taal terugsprak en desgevraagd in het Nederlands naar zijn rijbewijs, het op naam van [betrokkene] gestelde rijbewijs en identiteitsbewijs overhandigde. Ook gedurende het verhoor op het politiebureau dat met bijstand van een Poolse tolk plaatsvond omdat de verdachte zichzelf niet in staat achtte in het Nederlands te communiceren, bleek de verdachte tussendoor goed Nederlands te spreken. Immers, op de vraag van het verhoorkoppel of de verdachte ook zelf vindt dat hij tussendoor goed Nederlands spreekt, verklaarde de verdachte dat hij ‘het’ (het hof begrijp ‘het Nederlands’) wel kan praten/spreken, maar het zoals gisteren door de stress moeilijk vindt te begrijpen. De verdachte gaf in dat verband een andere lezing van de voorgaande dag dan verbalisant [verbalisant] , die volgens de verdachte aan hem vroeg zijn portemonnee aan die verbalisant te geven waarop deze [verbalisant] die documenten (het hof begrijpt het rijbewijs en identiteitsbewijs) zag en aan de verdachte vroeg “van wie zijn deze documenten?”. Volgens de verdachte vroeg de verbalisant in het Engels door tussenkomst van de bijrijder (hof: en aldus niet rechtstreeks aan de verdachte in het Nederlands) van wie de documenten waren, waarop de bijrijder dit voor de verdachte vertaalde en de verdachte antwoordde dat deze van [betrokkene] waren. Pas nadien zou de verdachte door een andere agent zijn gevraagd hoe hij heette, waarop hij zijn eigen personalia zou hebben gegeven. Hoewel de verklaring van de verdachte omtrent de gang van zaken op de pleegdatum afwijkt van het relaas van verbalisant [verbalisant] , bestaat er bij het hof geen enkele aanleiding niet uit te gaan van het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van laatstgenoemde. Veeleer acht het hof voldoende aannemelijk geworden dat de verdachte er alle belang bij had zich op 22 juni 2024, nadat hij betrapt was op het besturen van een auto zonder gordel, zich aanvankelijk voor te doen als een ander en daarbij desgevraagd een ander adres op te geven dan later bij zijn verhoor (gelijk het huidige postadres). De verdachte handelde als zodanig om te voorkomen dat zijn ware identiteit bekend werd. Immers, zo blijkt uit het politiedossier, de verdachte was in 2019 tot ongewenst vreemdeling verklaard, beschikte niet over een geldig Nederlands rijbewijs en er was sprake van een openstaande vrijheidsstraf. Bovendien, zo blijkt uit diens strafblad, was hij al eens eerder veroordeeld voor het opgeven van een valse naam. Nadat eenmaal zijn ware identiteit bekend was geworden, had de verdachte evenzo belang erbij om tijdens het verhoor de gang van zaken anders voor te wenden dan verbalisant [verbalisant] had gerelateerd. Op deze wijze heeft de verdachte getracht strafvervolging voor het onderhavige feit te voorkomen, maar deze poging sorteert geen effect. Het door de verdediging betwiste opzet van verdachtes handelen op 22 juni 2024 staat naar ’s hofs oordeel dan ook vast. Het hof leidt uit dit alles af dat de verdachte ten tijde van de controle op straat op 22 juni 2024, formeel gelijk te stellen aan een staandehouding, desgevraagd naar zijn identiteit de Nederlandse taal in voldoende mate beheerste om de strekking van het hem medegedeelde en de hem gestelde vragen behoorlijk te kunnen begrijpen. Nog daargelaten dat er op dat moment nog geen sprake was van een verhoor, ontbrak ook iedere aanleiding voor de verbalisant om in dat stadium bijstand van een tolk in te roepen. Noch is er sprake van enig vormverzuim noch bestond enige aanleiding, laat staan een noodzaak, om de bijrijder te horen. Dit leidt ertoe dat voormelde vraag ontkennend dient te worden beantwoord. Het verweer van de verdediging wordt dan ook in al zijn onderdelen verworpen. Aanvulling strafoverweging De door de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep naar voren gebrachte persoonlijke omstandigheden geven het hof geen aanleiding om een andere straf op te leggen dan de straf die reeds door de politierechter is opgelegd. BESLISSING Het hof: bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene. Aldus gewezen door: mr. L. Feraaune, voorzitter, mr. A.M.G. Smit en mr. N.I.B.M. Buljevic, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. R.M. Gloudemans, griffier, en op 6 oktober 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.