← Nederland

ECLI:NL:GHSHE:2025:3769

Parketnummer : 20-001256-24 Uitspraak : 29 oktober 2025 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 3 mei 2024, in de strafzaak met parketnummer 02-030460-23 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1968, wonende te [adres 1] . Hoger beroep Bij voormeld vonnis is de verdachte ter zake van ‘werkzaam in de maatschappelijke zorg, ontucht plegen met iemand die zich als cliënt aan zijn zorg heeft toevertrouwd’, veroordeeld tot een taakstraf van 60 uren subsidiair 30 dagen hechtenis, alsmede tot een gevangenisstraf van 30 dagen, waarvan 29 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen. De verdediging heeft bepleit dat de verdachte van het haar tenlastegelegde feit zal worden vrijgesproken. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis, met verbetering van de gronden waarop het berust en met uitzondering van de opgelegde straf. Bewijsmiddelen De bewijsmiddelen die de eerste rechter aan de bewezenverklaring ten grondslag heeft gelegd, behoeven, mede gelet op hetgeen in hoger beroep aan de orde is gekomen, verbetering. Omwille van de leesbaarheid worden deze in hun geheel vervangen. De bewezenverklaring door de eerste rechter komt uitsluitend te berusten op de hierna volgende bewijsmiddelen. Hierna wordt verwezen naar paginanummers van het digitale eindproces-verbaal van de politie-eenheid Zeeland-West-Brabant, dossiernummer PL2000-2022271879, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en digitaal genummerd van 1 tot en met

  1. Alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.
  2. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever] d.d. 31 oktober 2022, pagina 11-15, voor zover inhoudende: Ik doe aangifte namens mijn zus [slachtoffer] . Haar doopnamen zijn [slachtoffer] . Ik ben haar mentor en bewindvoerder en beheer dus alle materiële en immateriële zaken rond haar zorg. Ik werd gebeld door de interim manager [getuige 2] . Ik werd gebeld dat een begeleider [verdachte] (het hof begrijpt: de verdachte) seksuele handelingen heeft verricht bij [slachtoffer] (het hof begrijpt: [slachtoffer]) tijdens het douchen. Het is gebeurd op 1 oktober 2022 in de doucheruimte van [woongroep] waar [slachtoffer] verblijft. Deze locatie zit op [adres 2] . [slachtoffer] wordt geholpen met douchen en dat is ook nodig door haar handicap. [slachtoffer] heeft een grote hersenbeschadiging en is halfzijdig verlamd.
  3. Het proces-verbaal van verhoor d.d. 9 november 2022, pagina 16-21, voor zover. inhoudende als verklaring van de getuige [getuige 1] : Ik ben leerling bij [adres 2] voor de opleiding maatschappelijke zorg. [adres 2] is een woongroep waar ik nu een werken/leren traject volg. Ik denk dat het voor 09.30 uur was (het hof begrijpt: op 1 oktober 2022). Omdat ik leerling ben, kijk ik altijd mee hoe mensen worden gewassen. [slachtoffer] is best wel een uitdaging om goed te verzorgen. [slachtoffer] is lichamelijk beperkt maar ook geestelijk. Ik dacht ik ga bij [verdachte] kijken met [slachtoffer] want daar kan ik altijd wat van leren. Ik kwam binnen en [slachtoffer] lag op de douchebrancard. Ik stond achter [verdachte] die [slachtoffer] aan het douchen was. Ik zag dat [verdachte] met de douchekop met de harde straal ontlasting weghaalde (het hof begrijpt: bij [slachtoffer]). Dat is logisch, want dat moet schoon worden. Toen ging [verdachte] ook met de harde straal op de vagina van [slachtoffer] . [verdachte] zei: "ze wordt er zen van". Ik vroeg [verdachte] of ik haar zo even iets kon vragen. Ik zei dat ik was geschrokken van wat ik had gezien. [verdachte] vroeg of ik bang was voor seksualiteit en zei dat zij geen grensoverschrijdend gedrag had vertoond; dat ze dan wel langer was doorgegaan. Toen ik klaar was met werken, stond ik met [betrokkene] (het hof begrijpt: een andere collega) bij [verdachte] . Ze hadden het over seksualiteit op de groep en dat de bewoners het met zichzelf doen. [verdachte] zei toen tegen mij: "seksualiteit hoeven we bij jou niet mee aan te komen he, want dat kan jij helemaal niet aan".
  4. Het proces-verbaal van verhoor d.d. 9 november 2022, pagina 26-29, voor zover inhoudende als verklaring van de getuige [getuige 2] : Ik ben interim manager bij [woongroep] . Op 5 oktober 2022 hebben wij een mail gekregen van de werkbegeleider van [getuige 1] (het hof begrijpt: [getuige 1]). [getuige 1] had gezien dat [verdachte] de douchekop lang op de vagina van [slachtoffer] had gehouden. Ik ben met de HR manager het gesprek aangegaan met [verdachte] . Ik vertelde [verdachte] wat wij hadden gehoord. Ik heb toen gezegd: “Toen de vagina al schoon was, was jij niet gestopt". Ik hoorde [verdachte] zeggen: " [slachtoffer] vond dit fijn en werd hier ontspannen van. Ze hield haar armen naar boven en ze trok ook haar knie een beetje op".
  5. De verklaring van de verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van het hof d.d. 15 oktober 2025, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven-: Het klopt dat ik op de ochtend van 1 oktober 2022 werkzaam was in mijn functie als begeleidster bij de woongroep van [woongroep] . Ik heb toen en daar de bewoonster [slachtoffer] bij haar ontblote schaamstreek gedoucht. Bewijsoverweging In aanvulling op de door de eerste rechter gebezigde bewijsoverwegingen overweegt het hof als volgt. De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit op dezelfde gronden als ter terechtzitting in eerste aanleg. Het hof verenigt zich met de verwerping van het verweer door de eerste rechter en maakt die tot de zijne. Het verweer wordt op grond daarvan (opnieuw) verworpen. Op te leggen straf Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Ten aanzien van de ernst van het bewezenverklaarde heeft het hof in het bijzonder gelet op: de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in de hierop gestelde wettelijk strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd; de omstandigheid dat de verdachte door de bewezenverklaarde handeling een inbreuk heeft gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer, zijnde een gehandicapt persoon die vanwege ernstig niet aangeboren hersenletsel ten tijde van het bewezenverklaarde feit afhankelijk was van de zorg van de verdachte aan wie die zorg was toevertrouwd; de omstandigheid dat het slachtoffer door eerder genoemde beperkingen niet in staat was weerstand te bieden aan de handeling van verdachte; de omstandigheid dat de verdachte aldus de bijzondere verantwoordelijkheid die zij als zorgverlener van het slachtoffer had, op onaanvaardbare wijze heeft miskend. Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof in het bijzonder gelet op: de inhoud van het haar betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 14 oktober 2025, waaruit blijkt dat zij niet eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen; de inhoud van het haar betreffende voorlichtingsrapport van Reclassering Nederland, Advies- & Toezichtunit 2 Zuid, d.d. 4 april 2024, opgemaakt door mevrouw [reclasseringsmedewerker] , reclasseringswerker; haar overige persoonlijke omstandigheden, zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken, onder meer de omstandigheid dat zij als gevolg van de onderhavige strafzaak haar baan bij de onderhavige zorgorganisatie, waar zij al meer dan 25 jaren werkzaam was, kwijt is geraakt en de omstandigheid dat het onaannemelijk is dat zij als gevolg van de onderhavige veroordeling in de toekomst opnieuw een baan in de zorg zal kunnen krijgen, welke gevolgen bij haar hebben geleid tot veel stress, spanningen en fysieke klachten. Op grond van het vorenstaande kan naar het oordeel van het hof thans worden volstaan met de oplegging van een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur. Met oplegging van een dergelijke voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten. Toepasselijke wettelijke voorschriften De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c en 249 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straffen en doet in zoverre opnieuw recht. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand. Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige. Aldus gewezen door: mr. G.J. Hanssen, voorzitter, mr. A.C. Bosch en mr. D. Heitman, raadsheren, in tegenwoordigheid van R.H. Boekelman, griffier, en op 29 oktober 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken. Mr. Bosch en mr. Heitman zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.