Parketnummer : 20-000881-22 Uitspraak : 25 september 2025 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 22 februari 2022, in de strafzaak met parketnummer 01-154675-21 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1991, wonende te [adres] . Hoger beroep Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als ‘mensenhandel’ (feit 1) en ‘handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, Wet wapens en munitie’ (feit 2), de verdachte deswege strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht en met een proeftijd van drie jaren. Bij het voorwaardelijk strafdeel zijn, kort gezegd, als bijzondere voorwaarden gesteld: een meldplicht bij de reclassering; een contactverbod met [slachtoffer] ; ambulante behandeling door [psychiatrisch ziekenhuis] of een soortgelijke zorgverlener. De rechtbank heeft bevolen dat voornoemde bijzondere voorwaarden en het daarop uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn. Voorts heeft de rechtbank ten aanzien van feit 1 het onder de verdachte inbeslaggenomen notitieboek verbeurd verklaard en de onder de verdachte inbeslaggenomen schoenen en kleding onttrokken aan het verkeer. De vordering van de benadeelde partij is door de rechtbank toegewezen tot een bedrag van € 40.334,00, bestaande uit € 30.334,00 aan materiële schade en € 10.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 november 2019 tot aan de dag der algehele voldoening. De benadeelde partij is voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in de vordering en de verdachte is veroordeeld in de proceskosten, tot dan begroot op nihil. Ten behoeve van het slachtoffer is tot slot de schadevergoedingsmaatregel opgelegd. Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen met uitzondering van de opgelegde straf en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht en met een proeftijd van drie jaren, waarbij als bijzondere voorwaarde enkel nog een contactverbod met [slachtoffer] wordt gesteld. De verdediging heeft primair vrijspraak bepleit van het onder 1 tenlastegelegde feit. Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde feit heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van het hof. Subsidiair is een straftoemetingsverweer gevoerd. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de huur en het eigen risico moeten worden afgewezen bij gebreke van causaal verband en voorkomen moet worden dat de verdachte de gederfde inkomsten zowel als schadevergoeding, als in het kader van de ontnemingsvordering moet betalen. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep, met aanvulling van de gronden waarop dit berust en met uitzondering van de opgelegde straf, de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en de beslissing op het beslag. In zoverre zal het vonnis waarvan beroep worden vernietigd. Het hof zal tevens de toepasselijke wettelijke voorschriften waarop de beslissingen van de rechtbank zijn gegrond, vervangen door de hierna opgenomen artikelen. Aanvulling bewijsmiddelen Het hof zal, indien tegen dit arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, de aanvullingen op de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen uitwerken in een aanvulling op dit verkorte arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht. Aanvulling bewijsoverwegingen De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte wordt vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde feit. Daartoe is, op gronden zoals nader in de pleitnota verwoord, onder meer naar voren gebracht dat de verklaring van aangeefster [slachtoffer] te onbetrouwbaar is om tot het bewijs te kunnen worden gebezigd, nu aangeefster op diverse onderdelen tegenstrijdig dan wel wisselend zou hebben verklaard en haar verklaring op belangrijke punten geen ondersteuning vindt in het dossier. In aanvulling op hetgeen de verdediging in dit verband in eerste aanleg reeds naar voren heeft gebracht, heeft de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep gewezen op de verklaringen van [getuige 1] , de zus van de verdachte, [getuige 2] , de broer van de verdachte, en [getuige 3] , ten overstaan van de raadsheer-commissaris. Deze verklaringen zouden een contra-indicatie vormen voor het sociale isolement en de kwetsbare en slechte financiële positie waarin aangeefster zou hebben verkeerd. De rechtbank zou hebben miskend dat de tegenstrijdigheden in de verklaringen van aangeefster zo veelzeggend zijn met betrekking tot de mate van betrouwbaarheid van die verklaringen, dat die verklaringen in zijn geheel als onbetrouwbaar terzijde moeten worden geschoven. Het hof overweegt dienaangaande als volgt. Anders dan de verdediging, maar met de advocaat-generaal en de rechtbank, ziet het hof, ondanks dat de verklaring van aangeefster niet op alle onderdelen kan worden gevolgd, geen reden om aan de betrouwbaarheid van de verklaring van aangeefster [slachtoffer] te twijfelen. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de verklaringen van aangeefster op essentiële onderdelen steun vinden in de overige bewijsmiddelen, met name de chatberichten die tussen de verdachte en aangeefster zijn uitgewisseld in de tenlastegelegde periode. Anders dan de verdediging betoogt, heeft de verdachte geen plausibele andere verklaring gegeven voor de door de rechtbank aangehaalde chatberichten over (onder andere) ‘doorzetten’, ‘even wennen’ en ‘meer geld verdienen’. Dat hieruit zou blijken dat de verdachte aangeefster juist zou hebben willen ontmoedigen om het prostitutiewerk te (blijven) doen, zoals de verdachte heeft verklaard, kan het hof niet volgen. In aanvulling op hetgeen de rechtbank over het bewijs heeft overwogen, is naar het oordeel van het hof ook het in de woning van de verdachte aangetroffen notitieboekje waarin door de verdachte gedurende lange periode opbrengsten zijn bijgehouden, ondersteunend aan de verklaring van aangeefster. Dat dit boekje niets met de verdiensten van aangeefster van doen had en het zou gaan om – vrijwel dagelijkse – winsten in het casino, zoals de verdachte heeft verklaard, acht het hof ongeloofwaardig. Op basis van de bewijsmiddelen staat naar het oordeel van het hof genoegzaam vast dat aangeefster in de tenlastegelegde periode niet zelf over het geld dat zij verdiende kon beschikken. Zij heeft immers ook vrijwel de gehele onderzoeksperiode op haar bankrekening rood gestaan en zij ontving geld via de bankrekening van de verdachte, terwijl in de tenlastegelegde periode op die bankrekening voor een groot bedrag aan contante geldstortingen is ontvangen, waarvoor de verdachte geen plausibele verklaring heeft gegeven. Naar het oordeel van het hof is hiermee de beperking van de keuzevrijheid van aangeefster door de verdachte een feit. Door de verdediging is ter terechtzitting in hoger beroep nog een beroep gedaan op de verklaringen die door getuigen ten overstaan van de raadsheer-commissaris zijn afgelegd, waaruit kort gezegd kan worden opgemaakt dat geen sprake was van (totale) isolatie van aangeefster en zij wel degelijk over eigen inkomsten kon beschikken. Nog daargelaten dat het tenlastegelegde plaatsvond gedurende een lange periode, en de getuigen voornamelijk verklaren over het einde van die periode, maken de omstandigheden dat geen sprake was van totale isolatie en dat aangeefster wel geld te besteden had, niet dat van de uitbuiting zoals bewezenverklaard geen sprake is. Het verweer van de verdediging wordt in zoverre verworpen. Hetgeen de verdediging voor het overige naar voren heeft gebracht, brengt het hof niet tot een ander oordeel. Deze verweren vinden immers reeds hun weerlegging in de gebruikte bewijsoverwegingen van de rechtbank, welke het hof overneemt. Op te leggen sanctie Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Meer in het bijzonder overweegt het hof het navolgende. Ten laste van de verdachte is in de eerste plaats bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel. De verdachte heeft aangeefster [slachtoffer] bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van diensten van seksuele aard met derden, waaruit de verdachte gedurende een lange periode geldelijk voordeel heeft getrokken. De verdachte heeft het slachtoffer onder meer geïnstrueerd hoeveel klanten zij op dagelijkse basis moest hebben, hoeveel geld zij moest verdienen en haar naar seksclubs gebracht waar zij de prostitutiewerkzaamheden verrichte. Voorts heeft de verdachte aangeefster veelvuldig gecontroleerd en haar in een positie gebracht waarin zij niet over haar eigen inkomsten kon beschikken. Het hof acht het voorgaande in het bijzonder kwalijk nu de verdachte wist dat aangeefster in een kwetsbare positie verkeerde, nu zij niet meer bij haar familie terecht kon en afhankelijk van hem was voor het hebben van onderdak. De verdachte lijkt zich nimmer te hebben bekommerd om de inbreuken op de psychische en lichamelijke integriteit en persoonlijke vrijheid van het slachtoffer en heeft uitsluitend gehandeld vanuit het oogpunt van persoonlijk financieel gewin. Voorts heeft het hof bewezenverklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het voorhanden hebben van een wapen van categorie 1, onder 7°, van de Wet wapens en munitie. Het bezit van een dergelijk wapen is verboden en kan een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich brengen en een gevoel van onveiligheid in de samenleving veroorzaken, nu het geschikt is voor bedreiging of afdreiging van personen. Het hof rekent het de verdachte zwaar aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard. Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 16 mei 2025, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van soortgelijke strafbare feiten. Het hof heeft tevens acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken. De verdachte heeft in dit verband naar voren gebracht dat hij montagewerkzaamheden verricht voor een beddenzaak. Voorts heeft de verdachte verklaard dat hij zich heeft gehouden aan de schorsingsvoorwaarden en thans niet meer kampt met een gokverslaving. Het hof heeft zich daarnaast rekenschap gegeven van de reclasseringsadviezen d.d. 20 september 2021 en 22 november 2021, waaruit, kort gezegd, volgt dat de risico’s op recidive en letselschade worden ingeschat als gemiddeld tot hoog en het risico op onttrekking wordt ingeschat als laag. Hoewel de verdachte maatschappelijk goed ingebed leek, kampte hij met een hardnekkige gokverslaving waarvoor hij hulp wenste. Bijgevolg werden, in het geval van veroordeling tot een (deels) voorwaardelijke straf, als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling en een contactverbod met aangeefster [slachtoffer] geadviseerd. In het kader van de schorsing van de voorlopige hechtenis d.d. 7 juni 2023 zijn voornoemde bijzondere voorwaarden gesteld. Uit het evaluatieverslag d.d. 6 augustus 2025 volgt dat de verdachte de voorwaarden gedurende de schorsing niet heeft overtreden en dat de verdachte zich hield aan de afspraken. De risico’s op recidive, letsel en onttrekking worden thans ingeschat als laag. Naar het oordeel van het hof kan, ondanks de hiervoor bedoelde persoonlijke omstandigheden, in het bijzonder gelet op de ernst van het bewezenverklaarde en in verband met een juiste normhandhaving, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die (gedeeltelijke) onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt. Gelet op het vorenoverwogene zou het hof in beginsel oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht en met een proeftijd van drie jaren, waarbij de in het dictum te noemen bijzondere voorwaarde wordt gesteld, passend en geboden achten. Met betrekking tot het procesverloop overweegt het hof in deze zaak evenwel nog het volgende. Het hof heeft in aanmerking genomen dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling en afdoening van zijn strafzaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM). Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep wordt afgerond met een eindarrest binnen twee jaren nadat het hoger beroep is ingesteld. In gevallen zoals het onderhavige, waarin de verdachte in verband met de zaak in voorlopige hechtenis verkeerde, dient de zaak echter in iedere procesfase binnen zestien maanden te worden afgedaan, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Het hof stelt vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens bij de behandeling in hoger beroep met twee jaren en drie maanden is overschreden, nu bij akte van 24 februari 2022 namens de verdachte hoger beroep is ingesteld en het hof bij arrest van heden, te weten 25 september 2025, einduitspraak doet. Van bijzondere omstandigheden die de overschrijding van de redelijke termijn rechtvaardigen, is het hof niet gebleken. Bijgevolg zal het hof de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep in het voordeel van verdachte verdisconteren in de straftoemeting, in die zin dat het hof de op te leggen gevangenisstraf zal matigen met vier maanden. Alles afwegende acht het hof oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 32 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht en met een proeftijd van drie jaren, passend en geboden. Met oplegging van deze gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten. Bij het voorwaardelijk strafdeel zal het hof als bijzondere voorwaarde uitsluitend een contactverbod met [slachtoffer] stellen, nu het hof, met de advocaat-generaal, van oordeel is dat de bijzondere voorwaarden van ambulante behandeling en een meldplicht bij de reclassering, gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, thans niet langer opportuun zijn. Het hof zal het bevel tot voorlopige hechtenis opheffen, aangezien de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht de duur van het onvoorwaardelijke deel van de op te leggen gevangenisstraf overstijgt. Beslag Bij gelegenheid van het onderzoek zijn onder de verdachte een notitieboekje, twee paar schoenen en verschillende kledingstukken inbeslaggenomen. Ten aanzien van het notitieboekje is het hof van oordeel dat dit inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerp vatbaar is voor verbeurdverklaring, nu uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende naar voren is gekomen dat het een voorwerp betreft met betrekking tot hetwelk het onder 1 bewezenverklaarde strafbare feit is begaan. Mitsdien zal het hof daartoe overgaan. Ten aanzien van de nader in het dictum omschreven schoenen en kledingstukken zal het hof de teruggave aan de verdachte gelasten, nu het hof, anders dan de rechtbank, van oordeel is dat er geen strafvorderlijk belang meer mee is gediend om het beslag daarop te laten voortduren. Naar het oordeel van het hof valt niet vast te stellen dat deze voorwerpen geheel of grotendeels door middel van of uit baten van het onder 1 bewezenverklaarde strafbare feit zijn verkregen. Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 80.022,99, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering valt uiteen in de volgende bedragen: € 52.000,00 aan gederfde inkomsten; € 11.867,99 aan kosten voor noodopvang; € 1.155,00 aan medische kosten; € 15.000,00 aan immateriële schade. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 40.334,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 november 2019 tot aan de dag der algehele voldoening. Het materiële deel aan schadevergoeding is toegewezen tot een bedrag van € 30.334,00 (post i. gedeeltelijk). Het immateriële deel aan schadevergoeding is toegewezen tot een bedrag van € 10.000,00 (post iv. gedeeltelijk). Ten aanzien van post ii. en post iii. is de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. De verdachte is veroordeeld in de proceskosten. De benadeelde partij [slachtoffer] heeft te kennen gegeven de gehele vordering in hoger beroep te handhaven. De raadsman van de verdachte heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat, kort gezegd, een causaal verband ontbreekt tussen het bewezenverklaarde handelen van de verdachte enerzijds en de kosten die de benadeelde heeft moeten maken voor noodopvang (post ii.) en de medische kosten (iii.) anderzijds. Het hof overweegt ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij als volgt. Post i. De benadeelde partij heeft een bedrag van € 52.000,00 gevorderd ter zake van gederfde inkomsten. Ten aanzien van deze post is het hof genoegzaam gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële schade heeft geleden. Het geldbedrag dat door aangeefster is verdiend in de tenlastegelegde periode is, op gronden zoals nader verwoord in het ontnemingsarrest met parketnummer 20-000474-22, geschat op een bedrag van € 30.334,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.