← Nederland

ECLI:NL:GHSHE:2025:3817

Parketnummer : 20-000320-25 Uitspraak : 24 september 2025 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 16 januari 2025, in de strafzaak met parketnummer 02-315225-23 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1992, BRP-adres: [adres 1] . Hoger beroep Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter de verdachte, ter zake van ‘opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, onbruikbaar maken’, onder vernietiging van de eerder uitgevaardigde strafbeschikking, veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 200,-, subsidiair 4 dagen hechtenis. Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het tenlastegelegde bewezen zal verklaren en de verdachte te dien aanzien te veroordelen tot een geldboete ter hoogte van € 200,-, subsidiair 4 dagen hechtenis. De raadsman van de verdachte heeft primair vrijspraak bepleit en subsidiair een straftoemetingsverweer gevoerd. Vonnis waarvan beroep Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat de politierechter heeft volstaan met aantekening van de uitspraak op een aan het dubbel van de dagvaarding gehecht stuk, maar het hof gebonden is aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359 van het Wetboek van Strafvordering. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: hij op of omstreeks 28 november 2023 te Bergen op Zoom, althans in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk een politiecel, in elk geval enig goed, die/dat geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander toebehoorde, heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt. De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op 28 november 2023 te Bergen op Zoom opzettelijk en wederrechtelijk een politiecel die aan [slachtoffer] toebehoorde heeft onbruikbaar gemaakt; Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. Bewijsmiddelen Hierna wordt – tenzij anders vermeld – steeds verwezen naar pagina’s van het politiedossier van de politie-eenheid Zeeland-West-Brabant, registratienummer PL2000-2023303135, gesloten d.d. 28 november 2023, op ambtsbelofte opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] , hoofdagent van politie, bevattende een verzameling op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal van politie, met doorgenummerde dossierpagina’s 1 tot en met

  1. Alle tot het bewijs gebezigde processen-verbaal zijn, voor zover niet anders vermeld, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten en alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.
  2. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 28 november 2023 (dossierpagina’s 19 tot en met 20), zover inhoudende als verklaring van aangever [aangever] , namens het slachtoffer [slachtoffer] , [adres 2]: Hierbij doe ik aangifte van vernieling van ophoudkamer 4 van het politiebureau, gelegen aan [adres 2] . Niemand had het recht of toestemming om die bewuste ophoudkamer te vernielen of onbruikbaar te maken. Op dinsdag 28 november 2023 werd verdachte [verdachte] aangehouden voor artikel 5 en artikel 8 Wegen Verkeerswet en overgebracht naar ophoudkamer 4 van het politiebureau, gelegen aan [adres 2] . Op het moment van insluiting was de ophoudkamer schoon en niet vervuild. In de ophoudkamer verspreidde verdachte zijn bloed door de gehele ophoudkamer, waardoor de ophoudkamer onbruikbaar gemaakt werd.
  3. De eigen waarneming van het hof ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 10 september 2025 op de foto’s (dossierpagina’s 23 en 24) die als bijlage 1 en 2 bij het zojuist onder 1 genoemde proces-verbaal zijn gevoegd, inhoudende: Op de foto’s neemt het hof waar de met bloed besmeurde ophoudcel op het [slachtoffer] . Er is bloed verspreid over een groot deel van het linker gedeelte van bankje in de ophoudcel en ook ligt er bloed op de vloer van de ophoudcel.
  4. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 28 november 2023 (dossierpagina’s 17 tot en met 18), zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 2] : Op dinsdag 28 november 2023 hielden wij de verdachte aan voor artikel 5 en artikel 8 Wegen Verkeerswet. De verdachte sloten wij in in een ophoudkamer op het districtsbureau te Bergen op Zoom. De verdachte had een verwonding aan zijn hand en deze wond die bloedde. Ik legde een verband aan, zodat de wond stopte met bloeden. De verdachte besloot in zijn ophoudkamer het aangelegde verband van zijn hand af te halen. Ik zag dat de verdachte hard met zijn hand schudde. Ik zag dat het bloed alle kanten op ging en de cel besmeurde. Ik sommeerde de verdachte dat hij moest stoppen omdat hij de hele ophoudkamer vies maakte. Hij had een verband gekregen en dit er afgehaald. De verdachte ging door met de schuddende beweging zo kwam de ophoudkamer onder het bloed. Ik zag dat de verdachte in zijn wond zat te peuteren en vervolgens weer hard zijn hand schudde zodat het bloed alle kanten op ging. De verdachte is verschillende keren gewaarschuwd dat dit niet de bedoeling was maar [hij] ging toch door. Verdachte Achternaam: [verdachte] Voornamen: [verdachte] Geboren: [geboortedatum] Geboorteplaats: [geboorteplaats]
  5. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 28 november 2023 (dossierpagina 24 tot en met 25), zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 1] : Op dinsdag 28 november 2023 was ik, verbalisant [verbalisant 1] werkzaam voor de Teamrecherche van het Basisteam Bergen op Zoom, van de Eenheid Zeeland West-Brabant en belast met het opnemen van een aangifte vernieling. Dit naar aanleiding van het onbruikbaar maken van ophoudkamer 4, van het [slachtoffer] , gelegen aan [adres 2] . Verdachte had in de ophoudkamer zijn bloed verspreid, waardoor de ophoudkamer onbruikbaar was. Hierdoor is er een speciaal schoonmaakbedrijf ingeschakeld om de bloedresten van verdachte te verwijderen en de ophoudkamer schoon te maken. Bewijsoverwegingen I. De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd. II. De raadsman heeft bepleit dat het hof de verdachte zal vrijspreken van het tenlastegelegde. Daartoe heeft de raadsman – in de kern weergegeven – in de eerste plaats betoogd dat de verdachte een wond aan zijn vinger had en dat hij zijn wond (opnieuw) probeerde te verbinden en verzorgen, zodat het opzet van verdachte niet gericht was op het vernielen en – naar het hof begrijpt – het opzettelijk onbruikbaar maken van de ophoudcel. Dat de verdachte geen opzet had op de vernieling (dan wel het onbruikbaar maken) van de cel volgt voorts uit de omstandigheid dat de verdachte de Nederlandse taal niet beheerst en daardoor de waarschuwingen van de verbalisant om te stoppen met het verspreiden van zijn bloed, niet begreep. Daarnaast is geen sprake van vernieling of het onbruikbaar maken van de cel, omdat het bloed geen structurele en blijvende schade aan de politiecel heeft toegebracht en de cel bovendien – samengevat weergegeven – eenvoudig en met minimale inspanning gereinigd had kunnen worden en derhalve na korte tijd weer bruikbaar kon zijn. Het hof overweegt als volgt. Op grond van de inhoud van de hierboven weergegeven bewijsmiddelen, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte op 28 november 2023 te Bergen op Zoom opzettelijk en wederrechtelijk een politiecel onbruikbaar heeft gemaakt, door die ophoudcel – kort gezegd – met diens bloed te besmeuren. Dat de verdachte dit opzettelijk heeft gedaan leidt het hof af uit de wijze waarop het feit is begaan, meer in het bijzonder uit het samenstel van verdachtes handelen, te weten: nadat de verbalisant een verband om de vinger bij de verdachte had aangelegd, het verwijderen van dat verband en direct daarop met kracht schudden van zijn hand, waardoor verdachtes bloed zich door de cel verspreidde en – nadat hij, verdachte, was gewaarschuwd daarmee te stoppen – het vervolgens ‘peuteren’ in de wond, om daarna andermaal hard met zijn hand te schudden, zodat – in de woorden van de verbalisant – het bloed alle kanten uitging. Het opzet zoals opgenomen in de tenlastelegging komt niet de betekenis toe van datgene wat verdachte als motief bij zijn handelen had, noch wat hij uiteindelijk heeft willen bereiken. Dat de verdachte niet de bedoeling had het vernielen en – naar het hof begrijpt – het opzettelijk onbruikbaar maken van de ophoudcel in hiervoor weergegeven zin, staat derhalve aan de bewezenverklaring van het opzet niet in de weg (vgl. HR 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1769, rov. 3.3.). Dat de verdachte de Nederlandse taal niet machtig was en aldus de waarschuwing(en) van de verbalisant niet kon begrijpen, zodat – naar het hof begrijpt – de verdachte geen opzet had, zoals ten verwere is aangevoerd, vindt niet alleen weerlegging in het op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal van voorgeleiding en aanhouding d.d. 28 november 2023 van verbalisant [verbalisant 3] maar doet ook overigens – zo al juist en wat daar overigens verder van zij – in rechte niet ter zake. In de eerste plaats is voor opzet aan de zijde van de verdachte niet nodig dat hij eerst is gewaarschuwd om de politiecel niet te besmeuren. Daarbij komt dat het hof de door de raadsman naar voren gebrachte en aan het verweer ten grondslag gelegde stelling, inhoudende dat de verdachte geen opzet zou hebben omdat hij zijn wond aan het verzorgen was, ongeloofwaardig en onaannemelijk acht, nu naar het oordeel van het hof het verwijderen van het verband, het schudden met de hand, het in de wond peuteren en het vervolgens andermaal hard schudden met de hand, zich op geen enkele logische wijze laat rijmen met de stelling dat de verdachte doende was met het verzorgen van diens wond. Met betrekking tot het verweer dat geen sprake is van ‘onbruikbaar maken’ overweegt het hof dat van onbruikbaar maken in de zin van artikel 350, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, krachtens bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad, sprake is als een voorwerp (of in casu de cel) in een toestand wordt gebracht, waardoor het niet meer gebruikt kan worden voor het doel waarvoor het is bestemd. Daaraan behoeft niet af te doen dat de onbruikbaarmaking van beperkte duur is en herstel in het gebruik zonder noemenswaardige kosten of inspanning mogelijk is (vgl. HR 19 mei 1998, ECLI:NL:HR:1998:AD2883, NJ 1998/857 en meer recent HR 10 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:26, NJ 2017/45). Hoewel het fysiek niet onmogelijk is om een persoon in een met bloed besmeurde politiecel in te sluiten en de politiecel in zoverre dus zijn basisfunctie zou kunnen vervullen, volgt uit de bewijsmiddelen dat de verdachte de politiecel, door deze te besmeuren met bloed, in een toestand heeft gebracht, waardoor deze niet meer op behoorlijke wijze gebruikt kon worden voor het doel waarvoor deze was bestemd, namelijk het ophouden van personen. De omstandigheid dat de politiecel, volgens de raadsman, eenvoudig schoon te maken was en aldus weer bruikbaar gemaakt kon worden staat, gelet op voormelde jurisprudentie van de Hoge Raad, niet aan een bewezenverklaring van het opzettelijk onbruikbaar maken van de cel in de weg. De tot vrijspraak strekkende verweren worden aldus verworpen in al hun onderdelen. De overige verweren, meer in het bijzonder met betrekking tot het onderdeel ‘vernieling’, behoeven geen verdere bespreking. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, onbruikbaar maken Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar. Strafbaarheid van de verdachte Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde. Op te leggen straf De verdediging heeft bepleit dat het hof, bij bewezenverklaring van het tenlastegelegde, gelet op de geringe ernst van het feit, toepassing zal geven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht en geen straf aan de verdachte zal opleggen. Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk onbruikbaar maken van een politiecel door deze te besmeuren met bloed, hetgeen het hof bijzonder onhygiënisch acht. Door aldus te handelen heeft de verdachte aangetoond geen respect te hebben voor de eigendommen van een ander. Door verdachtes handelen zag de politie zich genoodzaakt om een specialistisch schoonmaakbedrijf in te schakelen om de cel te reinigen, welke kosten voor rekening van de belastingbetaler komen. Het hof rekent het de verdachte aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard. Het hof heeft bij de strafoplegging acht geslagen op de inhoud van het uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 15 mei 2025, betreffende het justitiële verleden van de verdachte, waaruit volgt dat de verdachte eerder wegens strafbare feiten is veroordeeld, zij het evenwel ter zake van andersoortige feiten, zodat het hof met die omstandigheid thans niet in (verdere) strafverzwarende zin rekening zal houden. Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, een en ander voor zover daarvan gedurende het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Alles afwegende, acht het hof oplegging van een geldboete ter hoogte van € 200,00 subsidiair 4 dagen hechtenis, passend en geboden. De verdachte heeft volstrekt zinloos en op hinderlijke wijze inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van de politie. Voor de toepassing van het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, waartoe door de raadsman is verzocht omdat het hier een ‘bagatelzaak’ zou betreffen, ziet het hof derhalve geen termen aanwezig, zodat het hof daartoe niet zal overgaan. Bij de vaststelling van de hoogte van voormelde geldboete heeft het hof tot slot rekening gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken. Toepasselijke wettelijke voorschriften De beslissing is gegrond op de artikelen 23, 24, 24c, 63 en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden. BESLISSING Het hof: vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan; verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt hem daarvan vrij; verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar; vernietigt de eerder uitgevaardigde strafbeschikking d.d. 5 december 2023 onder CJIB-nummer 4132 5420 0527 9988 en parketnummer 02-315225-23; veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 200,00 (tweehonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 4 (vier) dagen hechtenis. Aldus gewezen door: mr. A.R. Hartmann, voorzitter, mr. R.A.T.M. Dekkers en mr. A.M.G. Smit, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. T.S. Vos en mr. M.C.F. Jansen, griffiers, en op 24 september 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.