← Nederland

ECLI:NL:GHSHE:2025:4

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team familie- en jeugdrecht zaaknummer : 200.334.392/01 zaaknummer rechtbank : C/02/400535 / FA RK 22-3661 beschikking van de meervoudige kamer van 2 januari 2025 inzake [de vrouw] , wonende te [woonplaats] , verzoekster in het principaal hoger beroep, verweerster in het incidenteel hoger beroep, hierna te noemen: de vrouw, advocaat mr. R. Joosen te Oosterhout, tegen [de man] , wonende te [woonplaats] , verweerder in het principaal hoger beroep, verzoeker in het incidenteel hoger beroep, hierna te noemen: de man, advocaat mr. S. Klootwijk te Breda. 1Het verloop van het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (Breda) van 24 augustus 2023, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. 2Het geding in hoger beroep 2.

  1. De vrouw is op 8 november 2023 in hoger beroep gekomen van genoemde beschikking van 24 augustus
  2. 2.
  3. De man heeft op 30 januari 2024 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend. 2.
  4. De vrouw heeft op 12 maart 2024 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend. 2.
  5. De mondelinge behandeling heeft op 11 december 2024 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. 3De feiten Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast: Partijen zijn op 16 mei 2011 te [plaats] met elkaar gehuwd in de wettelijke algehele gemeenschap van goederen. Ten tijde van de huwelijkssluiting (en ook nu nog) hadden beide partijen de Nederlandse nationaliteit. Op 16 augustus 2022 heeft de man het verzoek tot echtscheiding ingediend bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant. Daarop is bij de bestreden beschikking van 24 augustus 2023 de echtscheiding uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 11 oktober 2023 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. 4De omvang van het geschil 4.
  6. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, de wijze van verdeling van de gemeenschappelijke goederen van partijen gelast. 4.
  7. De vrouw verzoekt het hof: “(…) de bestreden beschikking (…) te vernietigen, enkel voor wat betreft haar beslissing ten aanzien van het contante geldbedrag en de appartementen in Irak , en opnieuw rechtdoende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: I. te bepalen dat de man aan de huwelijksgemeenschap wegens zijn benadeling daarvan een bedrag van € 15.000,- dient te vergoeden en dat dit bedrag hierna bij helfte door partijen dient te worden gedeeld; II. de man te gelasten tot verkoop en levering van de appartementen, dan wel de appartementsrechten van de appartementen te Irak (project [project] ), zoals genoemd bij punt 2.14, waarbij de netto-verkoopopbrengst gelijkelijk tussen partijen zal worden verdeeld; III. dan wel een beslissing te nemen als uw gerechtshof in goede justitie vermeent te bepalen. Kosten rechtens” 4.
  8. De man heeft verweer gevoerd. Hij heeft daarbij tevens incidenteel hoger beroep ingesteld. Hij verzoekt het hof: “(…)voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
  9. het hoger beroep van de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel de verzoeken (grieven) zoals vermeld in het hoger beroepschrift van de vrouw af te wijzen, alsmede;
  10. de beschikking (…), enkel voor wat betreft haar beslissing ten aanzien van het contante geldbedrag te vernietigen en opnieuw te bepalen dat: - de vrouw aan de huwelijksgemeenschap wegens haar benadeling daarvan een bedrag van Eur. 10.300,00 dient te vergoeden en dat dit bedrag hierna bij helfte tussen partijen dient te worden verdeeld
  11. een en ander kosten rechtens” 4.
  12. De vrouw heeft verweer gevoerd. Zij verzoekt het hof: “(…), voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het incidenteel appèl van de man af te wijzen.” 4.
  13. De vrouw heeft in principaal hoger beroep twee grieven gericht tegen de bestreden beschikking. De man heeft in incidenteel hoger beroep één grief gericht tegen de beschikking waarvan beroep. De grieven van partijen zien op de volgende onderwerpen: contant geld (grief 1 vrouw, grief 1 man); appartementen Irak (grief 2 vrouw). 4.
  14. Het hof zal hierna de grieven per onderwerp bespreken. 5De motivering van de beslissing Contant geld (grief 1 van de vrouw, grief 1 van de man) 5.
  15. Grief 1 van de vrouw, alsmede grief 1 van de man keert zich tegen rov. 4.48 t/m 4.50 van de bestreden beschikking. De rechtbank heeft daarin het volgende overwogen: “4.
  16. Volgens de man heeft de vrouw een contant bedrag van € 10.300,= in haar bezit. Dit bedrag bestaat voor een deel uit de opbrengst van de Suzuki Swift die de vrouw heeft verkocht (€ 3.100,=), een deel uit het geld dat de vrouw uit de kluis heeft gepakt (€ 4.000,=) en een bedrag dat de vrouw contant in ontvangst heeft genomen (€ 3.200,=). De vrouw dient het totaalbedrag aan de gemeenschap te vergoeden. 4.
  17. Volgens de vrouw heeft de man een contant bedrag van € 15.000,= meegenomen bij zijn vertrek uit de echtelijke woning. Partijen waren voornemens om van dit bedrag een auto te kopen van € 11.000,= en een laminaatvloer. Ter onderbouwing hiervan overlegt de vrouw de koopovereenkomst van de auto bij [bedrijf] . De man dient het totaalbedrag aan de gemeenschap te vergoeden, waarna het bedrag bij helfte kan worden verdeeld. 4.
  18. De rechtbank overweegt als volgt. Beide partijen hebben gesteld dat de ander in het bezit is van een bedrag aan contant geld. Beide partijen betwisten echter dat zij in het bezit zijn van de genoemde bedragen aan contant geld. Gelet op de tegenstrijdige verklaringen van partijen kan de rechtbank niet vaststellen dat op de peildatum nog een contant geldbedrag tot de gemeenschap behoorde. De over en weer gedane verzoeken zullen dan ook worden afgewezen.” 5.
  19. In de toelichting op haar grief voert de vrouw aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat niet kan worden vastgesteld dat op de peildatum nog een contant geldbedrag tot de huwelijksgemeenschap behoorde. Partijen waren voornemens een andere auto en een nieuwe laminaatvloer te kopen. Hiervoor hadden zij een contant geldbedrag van € 15.000,-- in huis liggen. Bij zijn vertrek uit de woning, medio juni 2022, heeft de man dit contante geldbedrag meegenomen. Kort daarna heeft de man zelf alsnog een auto gekocht. De vrouw vermoedt dat de man deze auto heeft betaald met het door hem meegenomen contante geldbedrag van € 15.000,--. De vrouw verzoekt het hof thans te bepalen dat de man aan de huwelijksgemeenschap wegens benadeling daarvan een bedrag van € 15.000,-- dient te vergoeden, waarna dit bedrag bij helfte door partijen moet worden gedeeld. 5.
  20. De man heeft verweer gevoerd. Hij weerspreekt dat hij bij zijn vertrek uit de woning een contant geldbedrag van € 15.000,-- heeft meegenomen. Partijen hebben dit geldbedrag nimmer in huis gehad. Volgens de man heeft de vrouw daarentegen een contant bedrag van € 10.300,-- in haar bezit. Dit bedrag bestaat voor een deel uit de opbrengst van de Suzuki Swift die de vrouw op 7 juni 2022 via Marktplaats heeft verkocht (€ 3.100,--), een deel uit het geld dat de vrouw uit de kluis heeft gepakt (€ 4.000,--) en een bedrag dat de vrouw contant in ontvangst heeft genomen (€ 3.200,--). De man legt foto’s van camerabeelden over, waaruit blijkt dat de vrouw op 24 juli 2022, dus kort voor de peildatum, geld uit de kluis pakt (productie 4). In de kluis bevond zich een geldbedrag van € 4.000,--. De man verzoekt in incidenteel hoger beroep het hof te bepalen dat de vrouw aan de huwelijksgemeenschap wegens haar benadeling daarvan een bedrag van € 10.300,-- dient te vergoeden en dat dit bedrag hierna bij helfte tussen partijen dient te worden verdeeld. 5.
  21. De vrouw weerspreekt dat zij beschikt over een contant geldbedrag van € 10.300,--. De contante gelden die zijn verkregen met de verkoop van de Suzuki Swift zijn door de man gebruikt voor de aankoop van twee appartementen in Irak . Betwist wordt dat er in de kluis € 4.000,-- lag, alsook dat zij een bedrag van € 3.200,-- aan contanten in ontvangst heeft genomen. De man toont dat op geen enkele manier aan. 5.
  22. Het hof begrijpt de grief van de vrouw en de grief van de man aldus dat zij zich op het standpunt stellen dat een contant geldbedrag van € 15.000,-- (de vrouw) respectievelijk € 10.300,-- (de man) tot de huwelijksgemeenschap behoort, dat zij over en weer recht hebben op de helft van die bedragen en dat zij over en weer dienen te worden veroordeeld tot betaling van de helft van die bedragen aan de ander. Beide partijen hebben echter, tegenover de gemotiveerde betwisting door de ander, onvoldoende onderbouwd gesteld dat op de peildatum (16 augustus 2022) een contant geldbedrag, waarover zij ter mondelinge behandeling hebben verklaard dit geldbedrag niet onder zich te hebben, tot de huwelijksgemeenschap behoorde. Het had op de weg van partijen gelegen hun stellingen met concrete en verifieerbare bescheiden te onderbouwen (bijvoorbeeld bankafschriften, kwitanties etc.). Zij hebben dat nagelaten, hetgeen voor hun eigen rekening en risico dient te komen. Voor zover partijen hebben betoogd dat sprake is van benadeling van de gemeenschap als bedoeld in art. 1:164 BW, gaat dit betoog niet op. Partijen hebben allebei niet onderbouwd op welke wijze de man respectievelijk de vrouw de gemeenschap heeft benadeeld (is sprake van verspilling, zijn er lichtvaardig schulden gemaakt of heeft de man of de vrouw rechtshandelingen verricht als bedoeld in art. 1:88 BW zonder de vereiste toestemming van de man of beslissing van de rechtbank daarvoor). Grief 1 van de vrouw alsook grief 1 van de man falen mitsdien. Appartementen Irak (grief 2 vrouw) 5.
  23. Grief 2 van de vrouw keert zich tegen rov. 4.53 en 4.
  24. De rechtbank heeft daarin het volgende overwogen: “4.
  25. (…). Niet in geschil is dat partijen een stuk grond in Irak in eigendom hebben gehad. Die grond is in 2020 of 2021 verkocht en behoorde op de peildatum niet meer tot de huwelijksgoederengemeenschap. Partijen verschillen van mening of twee appartementen in Irak op de peildatum al dan niet tot de huwelijksgoederengemeenschap behoorden. De vrouw heeft als producties 13 en 14 een kopie van twee koopovereenkomsten van [makelaar] overgelegd, met ID nummers [nummer 1] en [nummer 2] . Daarnaast heeft de vrouw als productie 16 een bericht van de makelaar [makelaar] overgelegd, waaruit volgt dat het appartementen in het project [project] betreft. De rechtbank heeft tijdens de mondelinge behandeling de originele exemplaren gezien van de overeenkomsten die door de vrouw als productie 13 en 14 zijn overgelegd. Op de eerste pagina van die overeenkomsten was een originele blauw/paarse stempel te zien, maar er was op geen enkele pagina een handtekening van de koper of de verkoper te zien. Daar komt bij dat de man betwist dat sprake is van eigendom van appartementen. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft de man naar eigen zeggen en onweersproken de door de vrouw overgelegde overeenkomsten voorgelegd aan [makelaar] , de makelaar van [project] . De man heeft in reactie daarop een verklaring van [makelaar] ontvangen en overgelegd, inhoudende: “As ( [makelaar] ) general manager, I’m writing this letter to inform you that the following contracts have not been issued in our company and the [sic] are not authentic:
  26. contract ID number ( [nummer 1] ) dated: 01/12/2020 in the name of [de man] .
  27. contract ID number ( [nummer 2] ) dated: 01/12/2020 in the name of [de man] . I make this statement to notify you that the whole contents, formats of the contract which are not stamped and not signed are not true and not genuine”. 4.
  28. Gelet op de door de man overgelegde verklaring van [makelaar] is de rechtbank van oordeel dat de man voldoende gemotiveerd heeft betwist dat sprake is van twee appartementen die behoren tot de huwelijksgoederengemeenschap. Het had op de weg van de vrouw gelegen om vervolgens aan [makelaar] opheldering te vragen naar aanleiding van de door de man overgelegde verklaring, maar de vrouw heeft enkel gepersisteerd bij haar standpunt. Daarmee acht de rechtbank onvoldoende aannemelijk geworden dat sprake is van twee appartementen in Irak die tot de huwelijksgoederengemeenschap behoren. Het verzoek van de vrouw wordt dan ook afgewezen.” 5.
  29. In de toelichting op haar grief voert de vrouw aan dat de rechtbank ten onrechte haar verzoek tot verdeling van twee appartementen in Irak heeft afgewezen. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, behoren die appartementen wel degelijk tot de huwelijksgemeenschap. Zij heeft alsnog opheldering bij [makelaar] , de makelaar van [project] , gevraagd. Hiertoe is zij medio augustus 2023 voor vier dagen naar Irak afgereisd. Aldaar is haar gebleken dat [makelaar] inmiddels failliet is verklaard en dat de contracten door de broer van de man zijn overgezet naar een andere organisatie, te weten [oraganisatie] Als productie 12 en 13 worden de verkoopovereenkomsten overgelegd die de vrouw bij haar verblijf in Irak heeft kunnen bemachtigen. Daaruit blijkt dat op de peildatum wel degelijk twee appartementen tot de huwelijksgemeenschap behoorden. Het gaat om dezelfde appartementen zoals genoemd in de in eerste aanleg door de vrouw overgelegde producties 13 en
  30. De overeenkomsten zijn onder identiek dezelfde voorwaarden overeengekomen. Ook de tenaamstelling is hetzelfde. De documenten zijn op origineel briefpapier gesteld, ze zijn gestempeld en ondertekend. De vrouw heeft van de medewerker van [oraganisatie] vernomen dat de broer van de man deze organisatie heeft verboden om bewijsstukken aan de vrouw te overhandigen. Daarbij zouden door hem dreigementen zijn geuit. De vrouw verzoekt het hof te bepalen dat de appartementen worden verkocht, waarbij de netto-verkoopopbrengst gelijkelijk tussen partijen zal worden verdeeld. 5.
  31. De man heeft verweer gevoerd. Hij handhaaft zijn standpunt dat hij (op de peildatum) geen appartementen in Irak in eigendom had. Hij verwijst daarbij nogmaals naar de eerder door hem overgelegde verklaring van [makelaar] , de makelaar van [project] . Hoewel de bewijslast niet op hem rust, heeft hij getracht om een uittreksel bij de Iraakse overheid op te vragen, waaruit kan worden afgeleid of hij onroerend goed in Irak bezit. Zijn advocaat in Irak heeft hier navraag naar gedaan, maar het blijkt zeer moeilijk, al dan niet onmogelijk om aan dit betreffende uittreksel te komen (productie 6). De door de vrouw overgelegde overeenkomsten van [oraganisatie] zijn bij hem niet bekend. Hij vraagt zich dan ook af hoe de vrouw erbij komt dat zijn broer deze contracten zou hebben overgezet naar een andere organisatie. Hij herkent de handtekeningen die onder de overeenkomsten zijn gezet niet. Dat zijn geen handtekeningen van hem, noch van zijn broer. Hij heeft een hele andere handtekening. Als bewijs hiervan legt hij over een kopie van zijn rijbewijs (productie 5). Deze handtekening op het rijbewijs komt niet overeen met de handtekening op de door de vrouw als productie 12 overgelegde overeenkomst. Indien en voor zover de vrouw tracht te stellen dat alleen zijn broer deze contracten heeft ondertekend en derhalve namens de man zou hebben getekend, dan had dit in de (vertaling van de) overeenkomst moeten zijn opgenomen, hetgeen niet is gebeurd. Verder wordt in de vertaling van de overeenkomst niet gerept over de overname van de contracten van [makelaar] door [oraganisatie] . Er wordt vermeld dat de verkoper het bedrijf [oraganisatie] zou zijn, terwijl deze volgens de eigen standpunten van de vrouw niet de verkoper was, maar de overnemende partij. In de contracten wordt tevens vermeld dat zij zijn opgesteld en ondertekend te [plaats] op 18 maart
  32. Dit is zeven maanden ná de peildatum. Dat op de peildatum twee appartementen tot de huwelijksgemeenschap behoorden, kan hieruit derhalve niet worden afgeleid. 5.
  33. Het hof overweegt als volgt. De vrouw verzoekt verdeling van twee appartementen in Irak . Dat betekent dat zij krachtens het bepaalde in art. 150 Rv dient te stellen, en bij genoegzame betwisting daarvan dient te bewijzen, dat de twee appartementen tot de ontbonden huwelijksgemeenschap behoren. Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw tegenover de gemotiveerde betwisting door de man onvoldoende onderbouwd dat op de peildatum 16 augustus 2022 twee appartementen in Irak tot de ontbonden huwelijksgemeenschap behoorden. Het hof neemt daartoe over de gronden van de rechtbank, die het hof na eigen beoordeling en waardering tot de zijne maakt. Voor zover de vrouw in hoger beroep heeft gesteld dat het voor haar niet mogelijk is om in Irak stukken op te vragen over bezittingen van de man, had het op haar weg gelegen om deze stelling nader te onderbouwen (bijvoorbeeld door stukken in het geding te brengen waaruit dit volgt). Hetzelfde geldt voor haar stelling dat partijen geld stuurden naar de broer van de man in Irak voor de aankoop van de appartementen. Nu zij heeft nagelaten om haar stellingen nader te onderbouwen, komt dat voor haar risico. De door de vrouw als productie 12 en 13 in hoger beroep overgelegde verkoopovereenkomsten kunnen haar niet baten, reeds omdat die overeenkomsten ruim zeven maanden ná de peildatum, op 18 maart 2023, zijn opgesteld. Het voorgaande betekent dat de grief faalt. 6De slotsom in het principaal en het incidenteel hoger beroep 6.
  34. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof beslissen zoals hierna in het dictum is bepaald. 6.
  35. Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen (gewezen) echtgenoten zijn. 7De beslissing Het hof: bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (Breda) van 24 augustus 2023, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen; compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt; wijst af het meer of anders verzochte. Deze beschikking is gegeven door mrs. A.J.F. Manders, P.P.M. van Reijsen en R.W.J. van Veen, en is op 2 januari 2025 uitgesproken in het openbaar door mr. P.P.M. van Reijsen in tegenwoordigheid van de griffier.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.