GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.330.074/01 arrest van 25 februari 2025 in de zaak van [appellant] , wonende te [woonplaats] , appellant, hierna aan te duiden als [appellant] , advocaat: mr. M.W. Huijzer te Papendrecht, tegen [geïntimeerde] , wonende te [woonplaats] , geïntimeerde, hierna aan te duiden als [geïntimeerde] , advocaat: mr. M.P.C. de Kramer te Tilburg. als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 3 oktober 2023 in het hoger beroep van de door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, onder zaaknummer C/02/400168 HA ZA 22-387 gewezen vonnissen van 22 juni 2022, 3 augustus 2022, 21 september 2022 en 22 maart
- 5Het verloop van de procedure Het verloop van de procedure blijkt uit: het tussenarrest van 3 oktober 2023 waarbij het hof een mondelinge behandeling na aanbrengen heeft gelast; het proces-verbaal van de mondelinge behandeling na aanbrengen van 3 november 2023; de memorie van grieven met productie en vermeerdering van eis; de memorie van antwoord met producties 4-6; de mondeling behandeling van 12 december 2024, waarbij partijen spreekaantekeningen hebben overgelegd. Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. 6De kern van de zaak 6.
- [geïntimeerde] heeft in 2005 bemiddeld bij de totstandkoming van een koopovereenkomst tussen [appellant] en [ZZ] International Invest SLU in Spanje voor drie mobilhomes. [appellant] heeft de koopprijs betaald, maar de mobilhomes niet geleverd gekregen en ook niet de overeengekomen rendementsuitkeringen ontvangen. [appellant] heeft [geïntimeerde] (en de besloten vennootschap waarin [geïntimeerde] zijn eenmanszaak had ingebracht) in 2022 gedagvaard voor de rechtbank Zeeland-West-Brabant en schadevergoeding gevorderd op grond van onrechtmatige daad. De rechtbank heeft geoordeeld dat de vordering tegen [geïntimeerde] was verjaard en de gevorderde schadevergoeding om die reden afgewezen. [appellant] is daarvan in hoger beroep gekomen en heeft bij het hof van [geïntimeerde] een hogere schadevergoeding dan bij de rechtbank gevorderd. 6.
- Het hof zal het vonnis van de rechtbank bekrachtigen en de vorderingen van [appellant] afwijzen. Weliswaar komt het hof anders dan de rechtbank tot het oordeel dat er geen sprake is van verjaring, maar het hof oordeelt dat het causaal verband tussen de gestelde onrechtmatige daad van [geïntimeerde] en de schade waarvan [appellant] vergoeding vordert ontbreekt. 7De beoordeling De feiten 7.
- In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende door de rechtbank vastgestelde en in hoger beroep niet bestreden feiten, aangevuld met enkele andere feiten. 7.2.
- [geïntimeerde] voerde sinds 1 januari 2004 de eenmanszaak [XX] en bemiddelde in de verkoop van onroerend goed van (tweede) woningen en/of appartementen in Spanje. 7.2.
- Omstreeks september 2005 heeft [geïntimeerde] bemiddeld bij de tussen [appellant] en de Spaanse vennootschap [ZZ] International Invest SLU (hierna: [ZZ] ) op 19 september 2005 gesloten koopovereenkomst voor drie mobilhomes. Het betrof een investeringsproject. Enige tijd daarvoor had [appellant] door bemiddeling van [YY] Vastgoed al twee mobilhomes van [ZZ] gekocht en geleverd gekregen en daaruit rendementsuitkeringen ontvangen. 7.2.
- Ondanks verzoeken en een verkregen vonnis in Spanje tegen [ZZ] heeft [appellant] de drie door bemiddeling van [geïntimeerde] gekochte mobilhomes, waarvoor hij in totaal € 34.796,52 aan [ZZ] had betaald, niet geleverd gekregen en evenmin heeft hij de overeengekomen rendementsuitkeringen ontvangen. [appellant] heeft [geïntimeerde] / [XX] aangeschreven vanwege uitblijvende levering van de mobilhomes en het niet ontvangen van rendementsuitkeringen. 7.2.
- [geïntimeerde] heeft zijn eenmanszaak [XX] per 1 januari 2006 ingebracht in de besloten vennootschap [XX] B.V., die vervolgens op 31 december 2013 is ontbonden en uitgeschreven uit het handelsregister. De procedure in eerste aanleg 7.3.
- In deze procedure vorderde [appellant] bij de rechtbank de hoofdelijke veroordeling van [geïntimeerde] en [XX] B.V. tot betaling van: I. een bedrag van € 24.999,00 ten titel van hoofdsom; II. de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over de onder I genoemde hoofdsom, vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening; III. de proceskosten, de nakosten daaronder begrepen. 7.3.
- [appellant] heeft aan zijn vordering – samengevat en voor zover in hoger beroep van belang – onrechtmatig handelen van [geïntimeerde] ten grondslag gelegd wegens het niet beschikken over een vergunning als bedoeld in de Wet toezicht effectenverkeer (Wte). [appellant] stelt dat de schade in totaal € 84.296,52 bedraagt, waarvan € 34.796,52 aan betaalde bedragen en € 49.500,00 aan misgelopen huurinkomsten. [appellant] heeft in eerste aanleg zijn vordering beperkt tot een bedrag van € 24.999,
- 7.3.
- [geïntimeerde] en [XX] B.V. hebben gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, hierna aan de orde komen. 7.3.
- Nadat de kantonrechter, gelet op het feit dat de betwiste vordering het bedrag van € 25.000,00 te boven gaat, bij vonnis van 3 augustus 2022 de zaak op grond van artikel 71 Rv. naar de rechtbank Zeeland-West- Brabant heeft verwezen, heeft de rechtbank bij vonnis van 22 maart 2023 geoordeeld dat [XX] B.V. op het moment van dagvaarden een niet meer bestaande vennootschap was en dat [appellant] in zijn vorderingen tegen haar niet-ontvankelijk was. Met betrekking tot de vorderingen tegen [geïntimeerde] heeft de rechtbank geoordeeld dat deze op grond van artikel 3:310 BW zijn verjaard. Op grond daarvan heeft de rechtbank de vorderingen van [appellant] afgewezen en [appellant] in de proceskosten veroordeeld. De procedure in hoger beroep 7.
- [appellant] heeft [geïntimeerde] (en niet ook [XX] B.V.) in hoger beroep gedagvaard. Hij heeft vijf grieven aangevoerd en zijn eis vermeerderd. [appellant] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis van 22 maart 2023 en (na wijziging van eis) tot veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling aan [appellant] van € 34.796,52, vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over dat bedrag tot en met 27 december 2021 (berekend op € 42.218,17), de incassokosten ad € 1.617,97 en vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over de hoofdsom ad € 34.796,52 vanaf 28 december 2021 tot en met de dag der algehele voldoening, zulks met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties. 7.
- [geïntimeerde] heeft bezwaar gemaakt tegen de vermeerdering van eis, maar dit bezwaar tijdens de mondelinge behandeling niet gehandhaafd. Het hof acht de wijziging van eis niet ambtshalve in strijd met de goede procesorde. Het staat deze toe en zal recht doen op de gewijzigde eis. Grieven 1-5 7.6.
- Het hof stelt voorop dat geen grieven zijn gericht tegen de vonnissen van 22 juni 2022, 3 augustus 2022, 21 september
- Het hof zal [appellant] daarom niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep tegen deze tussenvonnissen. 7.6.
- Het hof ziet aanleiding om de grieven van [appellant] gezamenlijk te behandelen. Met de grieven betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft vastgesteld dat [appellant] bij brief van 17 september 2007 bij [geïntimeerde] aanspraak heeft gemaakt op levering van de mobilhomes en uitkering van de huurrendementen en dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat [appellant] op die datum bekend moet worden geacht met [geïntimeerde] als aansprakelijke persoon. Ook het oordeel van de rechtbank dat [appellant] op 17 september 2007 ook bekend was met de schade is volgens hem onjuist, evenals de oordelen dat [appellant] op 17 september 2007 in staat was om tegen [geïntimeerde] een rechtsvordering tot schadevergoeding in te stellen, dat de verjaringstermijn vanaf dan is gaan lopen en dat de brief van [appellant] aan [geïntimeerde] van 16 april 2018 geen geldige stuitingshandeling is omdat er toen al meer dan vijf jaren waren verstreken na aanvang van de verjaringstermijn. De conclusie van de rechtbank dat de vordering van [appellant] is verjaard en moet worden afgewezen, is volgens [appellant] dan ook onjuist. 7.6.
- [appellant] betoogt dat er geen brief van 17 september 2017 bestaat. Dat hij dat bij dagvaarding heeft gesteld, komt mogelijk doordat de advocaat van [appellant] twee dingen door elkaar heeft gehaald – er zit namelijk wel een brief van 17 september 2021 in het dossier. [appellant] betwist in ieder geval dat hij [geïntimeerde] in 2007 aansprakelijk heeft gehouden vanwege uitblijvende levering van de mobilhomes en het niet ontvangen van rendementsuitkeringen. Als er al een brief van september 2007 is, dan is de strekking daarvan niet meer geweest dan dat [geïntimeerde] er daarin van op de hoogte werd gehouden dat [ZZ] tot nakoming werd aangesproken. [geïntimeerde] heeft de vermeende brief vervolgens aangegrepen voor zijn (onterechte) beroep op verjaring. [appellant] betwist uitdrukkelijk dat hij vanaf 2007 bekend was met [geïntimeerde] als aansprakelijke persoon. [appellant] had geen enkele reden om eraan te twijfelen dat [geïntimeerde] beschikte over de verplichte vergunning; daar is hij pas achter gekomen toen hij in het kader van de opgestarte procedure bij de rechtbank kennis kreeg van het (mede tegen [geïntimeerde] gewezen) vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 1 mei 2013 (ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ8906). [appellant] was pas op 28 maart 2020 bekend met het feit dat hij überhaupt schade zou lijden, na ontvangst van het bericht van zijn Spaanse advocaat dat er geen traceerbare verhaalsmogelijkheden waren met betrekking tot de bestuurder van [ZZ]. Of anders was hij dat op 16 april 2018, de datum van de eerste aansprakelijkstelling van [geïntimeerde] . Noch in 2007 noch nadien is er een moment aan te wijzen dat [appellant] ermee bekend was dat
(1)[geïntimeerde] (in plaats van of naast [ZZ]) de aansprakelijke partij was (o.a. vanwege het feit dat hij niet over een Wte-vergunning beschikte) en
(2)dat dit onrechtmatige handelen schade zou opleveren omdat [ZZ] na daartoe veroordeeld te zijn niet tot nakoming c.q. betaling zou overgaan. Pas na het vonnis in Spanje van 11 juli 2014 en de vergeefse pogingen tot tenuitvoerlegging daarvan is mogelijk zo’n moment aan te wijzen. Eerder niet, aldus nog steeds [appellant] . 7.6.
- Volgens [geïntimeerde] heeft [appellant] hem wel degelijk op 17 september 2007 aangeschreven en aangesproken. De dagvaarding van 28 maart 2022 is niet de eerste keer dat [appellant] daarvan melding maakt. Ook in de brief van (de advocaat van) [appellant] van 17 september 2021 verwijst [appellant] naar de brief van 17 september
- [appellant] zelf heeft tijdens de mondelinge behandeling bij de rechtbank meermaals verklaard op die datum wel degelijk [geïntimeerde] te hebben aangeschreven. [geïntimeerde] heeft bij conclusie van antwoord en tijdens de mondelinge behandeling bij de rechtbank de stelling van [appellant] dat hij op 17 september 2007 [geïntimeerde] heeft aangeschreven en aanspraak heeft gemaakt op levering en huurrendementen, gerechtelijk erkend als bedoeld in artikel 154 Rv. Dat staat daarmee definitief vast. Dat [geïntimeerde] niet meer beschikt over de brief heeft te maken met het feit dat reeds lang voordat [appellant] [geïntimeerde] in rechte betrok, [XX] B.V. is ontbonden en de administratie grotendeels is vernietigd. Ook zonder de brief is de verjaringstermijn volgens [geïntimeerde] in 2007 gaan lopen. De schade was in 2007 al bekend, omdat de levering volgens telefonisch gemaakte afspraken tussen [appellant] en [ZZ] uiterlijk op 10 maart 2007 had moeten plaatsvinden. [appellant] was er derhalve vanaf 11 maart 2007 mee bekend dat [ZZ] haar contractuele verplichtingen niet was nagekomen en er sprake was van schade. [appellant] kende [geïntimeerde] , die hij als contactpersoon van [ZZ] zag. Op dat moment was [appellant] derhalve in staat een rechtsvordering jegens [geïntimeerde] in te stellen. Als de vordering ten tijde van de brief van [appellant] van 16 april 2018 nog niet was verjaard, dan geldt dat die brief niet een geldige stuitingshandeling is, aldus [geïntimeerde] . 7.6.
- Het hof stelt bij de bespreking van de grieven voorop dat [appellant] geen grief heeft gericht tegen rov. 4.
- van het vonnis, waarin de rechtbank overweegt welke maatstaf moet worden aangelegd bij het beoordelen van het beroep op verjaring. Het hof zal die maatstaf daarom hanteren en die hier weergeven. Op grond van artikel 3:310 BW verjaart een rechtsvordering tot vergoeding van schade door verloop van vijf jaren na aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden, en in ieder geval door verloop van twintig jaren na de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt. Naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad moet de eis dat de benadeelde bekend is geworden met zowel de schade als de daarvoor aansprakelijke persoon aldus worden opgevat dat het gaat om een daadwerkelijke bekendheid, zodat het enkele vermoeden van het bestaan van schade dan wel het enkele vermoeden welke persoon voor de schade aansprakelijk is, niet voldoende is. Dit betekent dat de verjaringstermijn van artikel 3:310 BW pas begint te lopen op de dag na die waarop de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot vergoeding van de door hem geleden schade in te stellen. Daarvan zal sprake zijn als de benadeelde voldoende zekerheid – die niet een absolute zekerheid behoeft te zijn – heeft verkregen dat schade is veroorzaakt door tekortschietend of foutief handelen van de betrokken persoon. Op welk tijdstip de verjaringstermijn is gaan lopen, is afhankelijk van de relevante omstandigheden van het geval (Hoge Raad 12 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:18 en 19). 7.6.
- Het hof overweegt als volgt. Een beroep op verjaring is een bevrijdend verweer. Omdat [geïntimeerde] zich beroept op de rechtsgevolgen van zijn stelling dat de vordering van [appellant] is verjaard, rust de stelplicht en, bij voldoende gemotiveerde betwisting, de bewijslast van die stelling, op [geïntimeerde] . Volgens [geïntimeerde] is de verjaringstermijn gaan lopen met de brief van [appellant] aan hem van 17 september
- Hij heeft die brief niet in het geding gebracht, ook niet in hoger beroep. De rechtbank heeft niettemin vastgesteld dat [appellant] die op 17 september 2007 aan [geïntimeerde] heeft gestuurd, omdat, zo begrijpt het hof de rechtbank, [appellant] die brief in zijn inleidende dagvaarding (en dus als eerste) zelf heeft genoemd. [appellant] heeft volgens [geïntimeerde] ook tijdens de mondelinge behandeling bij de rechtbank aan de brief gerefereerd en [geïntimeerde] heeft zich (vervolgens) met verwijzing naar die brief op verjaring beroepen. [geïntimeerde] heeft tijdens de mondelinge behandeling op vragen van het hof geantwoord dat hij de brief niet heeft, maar dat in zijn hoofd is blijven hangen dat hij aansprakelijk is gesteld. Bij de mondelinge behandeling in hoger beroep gevraagd naar zijn stelling dat hij na de ontbinding van [XX] B.V. het grootste deel van de administratie heeft vernietigd, antwoordde [geïntimeerde] dat de administratie uit ouderwetse papieren dossiers bestond die hij heeft vernietigd, maar dat hij van klanten en ook van [appellant] de eerste e-mails en de reserveringsnota’s heeft bewaard. Ook de latere brieven (hof: van [appellant] ) uit 2018, 2020 en 2021 heeft hij nog, aldus [geïntimeerde] . De brief van 17 september 2007 zit niet meer in het dossier, maar de andere brieven waren aangetekend verstuurd. [appellant] heeft ter zitting bij het hof desgevraagd verklaard dat hij niet weet waarom zijn advocaat melding heeft gemaakt van (het bestaan van) een brief van 17 september 2007 waarin hij [geïntimeerde] aansprakelijk zou hebben gesteld, maar dat die dat in elk geval niet van hem, [appellant] , heeft vernomen. [appellant] is naar zijn zeggen niet bekend met zo’n soort brief. 7.6.
- Het hof verwerpt het beroep van [geïntimeerde] op artikel 154 Rv. Zoals hiervoor overwogen heeft [geïntimeerde] de stelplicht met betrekking tot (de aanvang van) de verjaring (-stermijn). Van een gerechtelijke erkentenis door [geïntimeerde] van het aanvankelijke betoog van [appellant] dat hij [geïntimeerde] bij brief van 17 september 2007 aansprakelijk heeft gesteld, is geen sprake. [appellant] heeft in hoger beroep immers aangevoerd dat zijn aanvankelijke betoog onjuist is, zodat [geïntimeerde] de waarheid daarvan niet kan erkennen. [geïntimeerde] heeft het aanvankelijke betoog van [appellant] tot het zijne gemaakt. Daarmee dient hij deze stelling, mits voldoende onderbouwd en bij gemotiveerde betwisting, te bewijzen. Het hof moet dus onderzoeken of [geïntimeerde] die stelling voldoende heeft onderbouwd. [geïntimeerde] onderbouwt zijn stelling slechts met de mededeling dat in zijn hoofd is blijven hangen dat hij aansprakelijk is gesteld. De brief waarop hij zich beroept heeft hij niet meer, maar nog wel stukken van eerdere (de eerste e-mails en de reserveringsnota) en van latere datum (brieven uit 2018, 2020 en 2021). Dat hij de brief niet (meer) heeft is dus niet te verklaren door het feit dat hij de administratie heeft vernietigd – dan zou hij ook de eerdere en latere stukken niet meer hebben gehad. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, is niet te begrijpen dat hij de brief van 17 september 2007 wel heeft vernietigd en de andere correspondentie niet. Dat de brief niet aangetekend zou zijn verzonden is daarvoor in elk geval geen (afdoende) verklaring. [appellant] heeft onder andere ter zitting bij het hof benadrukt dat hij niet weet van het bestaan van de brief, maar dat hij in 2007 [geïntimeerde] in ieder geval niet aansprakelijk heeft gesteld, omdat hij tot 2018 zijn volle aandacht op [ZZ] heeft gericht. In het licht van die gemotiveerde betwisting door [appellant] in hoger beroep heeft [geïntimeerde] zijn stelling dat [appellant] hem bij brief van 17 september 2007 aansprakelijk heeft gesteld onvoldoende onderbouwd. Het hof kan het bestaan van een aansprakelijkstelling bij brief van 17 september 2007 niet vaststellen en dus ook niet dat de verjaringstermijn op die datum is gaan lopen. De grieven slagen in zoverre, zodat het debat over de vraag of de vordering is verjaard weer openligt. 7.6.
- [geïntimeerde] stelt subsidiair dat de verjaringstermijn in juli 2014 is aangevangen en dat die niet tijdig is gestuit, zodat er dan alsnog sprake is van verjaring. [appellant] betwist dat, maar voert aan dat de verjaring in ieder geval is gestuit met de aansprakelijkstelling bij brief aan [geïntimeerde] van 16 april
- Volgens [geïntimeerde] is met die brief de verjaring niet rechtsgeldig gestuit omdat [appellant] zich daarin niet ondubbelzinnig het recht op nakoming heeft voorbehouden en die geen voldoende duidelijke waarschuwing bevat dat [geïntimeerde] nog geconfronteerd zal worden met een gerechtelijke procedure. 7.6.
- Het hof oordeelt als volgt. Of in juli 2014, zoals [geïntimeerde] subsidiair stelt, een verjaringstermijn is gaan lopen, kan in het midden blijven, vanwege de laatste alinea van de brief van 16 april 2018: “(…) Middels dit aangetekend schrijven ondubbelzinnige aanhouding van alle rechten en weren betreffende vermelde aankoop van de 3 mobile homes en verhuurinkomsten en vanwege tot heden niet nakoming alle daaruitvoortkomende extra- en onkosten en vorderingen.” Dat is niet anders te lezen dan als een ondubbelzinnig voorbehoud van het recht op nakoming als bedoeld in artikel 3:317 lid 1 BW en een voldoende duidelijke waarschuwing, zodat [geïntimeerde] er rekening mee kon houden dat hij bescheiden met betrekking tot zijn bemiddeling tussen [appellant] en [ZZ] met het oog op een mogelijke procedure moest bewaren. Met die brief is de toen (mogelijk) lopende verjaring dus gestuit. Ingevolge artikel 3:319 BW is dan op 17 april 2018 een nieuwe verjaringstermijn van vijf jaar gaan lopen, die op de datum van dagvaarding, 28 maart 2022, nog niet was verstreken. Ook de termijn van 20 jaar was toen niet verstreken. 7.6.
- Het hof passeert ook [geïntimeerde] ’ stelling dat ook zonder de brief in 2007 een verjaringstermijn is gaan lopen omdat [appellant] vanaf 2007 bekend was met hem, [geïntimeerde] , als voor de schade aansprakelijke persoon (en met de schade). [appellant] stelt dat [geïntimeerde] aansprakelijk is uit hoofde van een onrechtmatige daad, erin bestaande dat hij voor [appellant] bemiddelde bij de aankoop van mobilhomes bij [ZZ], zonder dat hij beschikte over de daarvoor vereiste vergunning. [appellant] heeft ter onderbouwing van zijn betwisting aangevoerd dat hij er pas in het kader van deze procedure van op de hoogte raakte dat [geïntimeerde] niet over de vereiste vergunning beschikte, toen zijn advocaat bij het opstellen van de dagvaarding stuitte op de (hiervoor in rov. 7.6.
- genoemde) uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant waaruit dat blijkt. [geïntimeerde] heeft dat niet weersproken en niets aangevoerd waaruit blijkt dat [appellant] eerder wist dat [geïntimeerde] niet over de vereiste vergunning beschikte – en dus dat [appellant] bekend was met hem als de voor de schade aansprakelijke persoon. Daarom kan gezien het bepaalde in artikel 3:310 lid 1 BW niet worden vastgesteld dat in 2007 een verjaringstermijn is gaan lopen. 7.6.
- Of [appellant] al in 2007 bekend was met de schade kan, gezien hetgeen het hof hiervoor onder 7.6.
- heeft overwogen, in het midden blijven. 7.6.12 . [geïntimeerde] heeft geen andere feiten of omstandigheden aangevoerd die, als zij komen vast te staan, kunnen leiden tot het slagen van het beroep op verjaring. Dat beroept slaagt dus niet. Ook in zoverre slagen de grieven. 7.6.
- Het hof gaat ook voorbij aan het subsidiaire beroep van [geïntimeerde] op rechtsverwerking. [geïntimeerde] voert daartoe aan dat [appellant] richting [geïntimeerde] zonder afdoende verklaring jarenlang heeft stilgezeten en dat door het ruime tijdsverloop bewijsmateriaal verloren is gegaan. Maar daarin voorziet het recht nu juist met het instituut van de verjaring. [geïntimeerde] heeft niets aangevoerd dat maakt dat vanwege het tijdsverloop daarnaast plaats is voor een beroep op rechtsverwerking. Ook de argumenten dat de activiteiten van [geïntimeerde] ten opzichte van [appellant] zeer marginaal zijn geweest en dat een veroordeling van [geïntimeerde] vanwege zijn beperkte financiële draagkracht tot een onredelijk nadeel aan de zijde van [geïntimeerde] zal lijden, kunnen het beroep op rechtsverwerking niet dragen. De vorderingen in hoger beroep 7.
- Het slagen van de grieven brengt mee dat het hof de vorderingen van [appellant] zoals die in hoger beroep voorliggen zal beoordelen. Op grond van de devolutieve werking van het hoger beroep moet het hof daarbij de in eerste aanleg verworpen en/of niet behandelde stellingen en verweren die in hoger beroep niet zijn prijsgegeven, beoordelen. 7.8.
- [appellant] vordert in hoger beroep een schadevergoeding van € 34.796,52 in hoofdsom, vermeerderd met de wettelijke rente, buitengerechtelijke kosten en proceskosten. De hoofdsom betreft de door [appellant] aan [ZZ] betaalde koopprijs voor de drie door hem gekochte en betaalde maar door [ZZ] niet geleverde mobilhomes. 7.8.
- [appellant] legt aan die vordering primair ten grondslag dat [geïntimeerde] persoonlijk gehouden was tot nakoming (naar het hof begrijpt: van de overeenkomst tot levering van de mobilhomes en tot betaling van rendementsuitkeringen) en persoonlijk gehouden is tot vergoeding van de schade vanwege de terechte ontbinding van de overeenkomst (naar het hof begrijpt: de overeenkomst tussen [appellant] en [ZZ]) door [appellant] . 7.8.
- De vordering is niet toewijsbaar op de primaire grondslag. Niet gesteld of gebleken is dat [geïntimeerde] partij was bij de overeenkomst tussen [appellant] en [ZZ], zodat [appellant] uit hoofde van die overeenkomst geen vordering tegen [geïntimeerde] geldend kan maken. 7.8.
- Subsidiair legt [appellant] aan de vordering ten grondslag dat [geïntimeerde] jegens hem een onrechtmatige daad ex artikel 6:162 BW heeft gepleegd, aangezien de handelwijze van [geïntimeerde] onzorgvuldig en onrechtmatig is geweest. Volgens [appellant] is er sprake (geweest) van oplichting, althans van een malafide beleggingsproduct. [geïntimeerde] heeft dit product actief aangeprezen via diverse kanalen (brochures, website, sociale media) en [geïntimeerde] is daarnaast actief betrokken geweest bij de werving van potentiële particuliere investeerders, waaronder [appellant] . Op basis van de contacten die [appellant] met [geïntimeerde] heeft gehad en het vertrouwen dat daarmee bij [appellant] is opgewekt door [geïntimeerde] (o.a. omtrent de voorgespiegelde rendementen) heeft [appellant] besloten met [geïntimeerde] (en daarmee met [ZZ]) een koopovereenkomst te sluiten. Daarnaast beschikte [geïntimeerde] als tussenpersoon van [ZZ] niet over de vereiste vergunning in de zin van artikel 7 van de Wet op het Financieel Toezicht (Wft) of haar voorloper de Wte. Als [geïntimeerde] wel over de juiste vergunning zou hebben beschikt en de daaraan verbonden verplichtingen serieus zou hebben genomen, dan zou [appellant] nimmer zijn overgegaan tot het sluiten van de overeenkomst. Causaal verband is derhalve aanwezig, aldus [appellant] . Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft [appellant] toegelicht dat hij nooit rechtstreeks van [ZZ] zou hebben gekocht. Voor [appellant] was cruciaal dat het via bemiddeling in Nederland is gegaan, hij heeft geen kennis van de Spaanse taal. [geïntimeerde] had wel kennis en ervaring. 7.8.
- [geïntimeerde] heeft, voor zover van belang, het volgende aangevoerd. Hij betwist dat [XX] een financiële instelling was en dat hij vergunningplichtig was in de zin van de Wte, de wet die gold ten tijde van de door [appellant] aan [geïntimeerde] verweten gedragingen. [geïntimeerde] is in 2003 en 2004 ongeveer zeven keer in Spanje geweest om onderzoek te doen naar, onder andere, [ZZ]. Hij heeft met de eigenaar van [ZZ] campings waar [ZZ] al mobilhomes had geplaatst en fabrikanten van mobilhomes bezocht en ook het kantoor van [ZZ], dat zich in ordentelijke staat bevond. Hij heeft vastgesteld dat [ZZ] meerdere projecten had lopen én dat er betalingen van huurtermijnen werden gedaan aan de kopers van mobilhomes. Aldus heeft [geïntimeerde] voldaan aan de op hem rustende onderzoeksplicht. [appellant] heeft anders dan hij zegt meerdere keren zelf met een medewerker van [ZZ] gesproken en mailcorrespondentie gewisseld en had dus een actieve rol in de totstandkoming en uitvoering van de overeenkomst. [appellant] is een deskundige investeerder in onroerend goedprojecten, maar desondanks heeft [geïntimeerde] hem duidelijk uitleg gegeven over het mobile homes-project van [ZZ] en de risico’s van de voorgenomen investering. [geïntimeerde] betwist de gestelde schade van [appellant] en de causaliteit met zijn handelen. Het is, betoogt hij, bijvoorbeeld mogelijk dat [geïntimeerde] zijn eventuele schade ook had geleden als hij de begeleiding via een andere bemiddelaar had laten verlopen. [appellant] had, voor hij contact opnam met [geïntimeerde] , door bemiddeling van [YY] Vastgoed al twee mobilhomes van [ZZ] gekocht. Toen hij er méér wilde heeft hij opnieuw [YY] Vastgoed benaderd, maar die verwees [appellant] naar [geïntimeerde] . [appellant] wist precies wat hij wilde hebben, voor hoeveel en bij wie. Hij had al rechtstreeks contact met [ZZ], [geïntimeerde] is er slechts bij geroepen. [appellant] is gelijk te stellen met een professionele partij, aldus [geïntimeerde] . 7.8.
- Het hof overweegt als volgt. Ingevolge artikel 6:162 BW is hij die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt die hem kan worden toegerekend, verplicht de schade die de ander dientengevolge lijdt te vergoeden. Als onrechtmatige daad worden aangemerkt een inbreuk op een recht en een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht of met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, een en ander behoudens de aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond. 7.8.
- [appellant] heeft niet althans onvoldoende onderbouwd dat [geïntimeerde] actief betrokken is geweest bij het werven van hem, [appellant] , als potentiële investeerder. Zoals [geïntimeerde] onweersproken heeft aangevoerd heeft [appellant] zelf het contact met [geïntimeerde] gelegd nadat hij door [YY] Vastgoed naar [geïntimeerde] was verwezen en heeft hij gericht gevraagd naar de beschikbaarheid van mobilhomes van [ZZ]. Van enig actief aanprijzen door [geïntimeerde] , als dat al onrechtmatig zou zijn geweest, is niet gebleken. Op grond van hetgeen [appellant] hierover heeft gesteld kan niet de inbreuk op een recht dan wel het handelen in strijd met een wettelijke plicht of de maatschappelijke betamelijkheid worden vastgesteld. 7.8.
- Of [geïntimeerde] jegens [appellant] onrechtmatig (naar het hof begrijpt: in strijd met een wettelijke plicht) heeft gehandeld doordat hij bemiddelde bij de totstandkoming van de overeenkomst tussen [appellant] en [ZZ] zonder dat hij beschikte over de daarvoor vereiste vergunning, kan in het midden blijven. Het volgende is daarvoor redengevend. 7.8.
- Veronderstellenderwijs uitgaande van een aan [geïntimeerde] toerekenbare onrechtmatige daad moet [appellant] voldoende onderbouwd stellen, en zo nodig bewijzen, dat hij dientengevolge de schade waarvan hij vergoeding vordert heeft geleden. Voor het kunnen vaststellen van dat causaal verband moet in ieder geval zijn voldaan aan het condicio sine qua non-criterium: onderzocht moet worden of, indien de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust wordt weggedacht, de schade zonder die gebeurtenis ook zou zijn ingetreden. Is dat het geval, dan ontbreekt het causaal verband. 7.8.
- Het hof betrekt bij zijn oordeel dat, zoals tussen partijen vast staat, [appellant] voorafgaand aan de koopovereenkomst met [ZZ] waarbij [geïntimeerde] heeft bemiddeld, al twee mobilhomes van [ZZ] had gekocht, met bemiddeling van [YY] Vastgoed. Bij de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft [appellant] toegelicht dat hij voorafgaand aan die aankoop met de auto naar [YY] Vastgoed is gereden en dat hij daar heeft gesproken met [persoon A] , naar hij meent de zus van de eigenaar van [YY] Vastgoed, [persoon B] . Hij is daarheen gereden om te weten: ‘met wie ga ik in zee’. Het persoonlijk contact met een bemiddelaar in Nederland, dat voor [appellant] naar zijn zeggen zo belangrijk was dat hij zonder dat contact niet tot aankoop zou zijn overgegaan, heeft toen dus plaatsgevonden tussen hem en [YY] Vastgoed. Na dat contact is [appellant] overgegaan tot de aankoop van twee mobilhomes van [ZZ]. Nadat hij van [ZZ] al rendementsuitkeringen had ontvangen heeft [appellant] binnen een half jaar of een jaar na de eerste aankoop [YY] Vastgoed opnieuw benaderd om te informeren of ‘ze er nog meer hadden’. [YY] zei toen dat zij er geen meer hadden, maar dat er wel een actie bij [XX] liep, aldus [appellant] . Na contact met [geïntimeerde] , waartoe [appellant] het initiatief nam en dat uitsluitend per e-mail en per telefoon heeft plaatsgevonden, heeft [appellant] vervolgens nog drie mobilhomes van [ZZ] gekocht. 7.8.
- De gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van [geïntimeerde] (wederom: veronderstellenderwijs) berust is het bemiddelen door [geïntimeerde] bij de totstandkoming van de overeenkomst tussen [appellant] en [ZZ] zónder dat hij over de daarvoor vereiste vergunning beschikte. Om te beoordelen of het vereiste condicio sine qua non-verband aanwezig is moet het hof die gebeurtenis wegdenken en de situatie waarin [appellant] zich nu bevindt vergelijken met de hypothetische situatie waarin [appellant] zich zonder die gebeurtenis zou hebben bevonden. In de hypothetische situatie zou [geïntimeerde] wél over de vereiste vergunning hebben beschikt. Naar het oordeel van het hof heeft [appellant] niet voldoende onderbouwd dat indien [geïntimeerde] wel over de benodigde vergunning had beschikt, hij de mobilhomes niet zou hebben gekocht. Het voor hem voor de aankoopbeslissing zo belangrijke persoonlijk contact met een Nederlandse bemiddelaar had hij immers al met [YY] Vastgoed gehad en op grond daarvan was hij overgegaan tot de aankoop van twee mobilhomes van [ZZ]. Toen hij daarvan rendement kreeg uitgekeerd, wilde hij er nog drie kopen, maar dat kon niet via het hem vertrouwde [YY] Vastgoed - die verwees hem naar [geïntimeerde] . [appellant] betoogt dat, als [geïntimeerde] wel over de juiste vergunning zou hebben beschikt en de daaraan verbonden verplichtingen serieus zou hebben genomen, hij nimmer zou zijn overgegaan tot het sluiten van de overeenkomst. [appellant] heeft niet althans onvoldoende onderbouwd wat [geïntimeerde] anders zou hebben gedaan als hij wel een vergunning had gehad en ‘de daaraan verbonden verplichtingen serieus zou hebben genomen’. Enerzijds heeft [geïntimeerde] , zoals hij onweersproken heeft aangevoerd, ongeveer zeven keer in Spanje onderzoek gedaan naar de mobilhomes van [ZZ]. Anderzijds heeft [geïntimeerde] [appellant] niet benaderd maar heeft [appellant] met de kennis en ervaring waarover hij met betrekking tot [ZZ] al beschikte, per e-mail en telefonisch een gericht verzoek aan [geïntimeerde] gedaan. Aldus heeft [appellant] onvoldoende onderbouwd dat hij, als [geïntimeerde] een vergunning had gehad, niet op dezelfde manier tot aankoop zou zijn overgegaan en dat de schade, als de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van [geïntimeerde] (veronderstellenderwijs) berust wordt weggedacht, niet zou zijn ingetreden. Het voor het toewijzen van de gevorderde schade vereiste condicio sine qua non-verband ontbreekt dus. Het hof zal de vordering om die reden afwijzen. De grieven slagen dus niet in die zin dat die leiden tot een ander dictum. Conclusie 7.
- De conclusie is dat het hof het vonnis, onder verbetering van gronden zoals hiervoor overwogen en beslist, zal bekrachtigen. Proceskosten 7.
- Het hof zal [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het hoger beroep veroordelen. De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] zullen vastgesteld worden op: Griffierechten € 783,00 Salaris advocaat € 3.142,00 (2 punten x tarief III) Nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 4.103,00 8De uitspraak Het hof: 8.
- verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep tegen de tussenvonnissen van 22 juni 2022, 3 augustus 2022 en 21 september 2022; 8.
- bekrachtigt het vonnis van 22 maart 2023; 8.
- wijst de vorderingen van [appellant] af; 8.
- veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep van € 5.387,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe en bepaalt dat als [appellant] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het arrest daarna wordt betekend, [appellant] dan € 92,00 extra moet betalen, vermeerderd met de kosten van betekening. Dit arrest is gewezen door mrs. Y.L.L.A.M. Delfos-Roy, M. van der Schoor en S.M. Peek en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 25 februari
- griffier rolraadsheer