Parketnummer : 20-001110-24 Uitspraak : 28 februari 2025 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 11 april 2024, in de strafzaak met parketnummer 02-298540-19 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2001, wonende te [adres] . Hoger beroep De rechtbank heeft de verdachte bij vonnis waarvan beroep ter zake van het primair tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van zware mishandeling (het subsidiair tenlastegelegde) veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 75 uren, subsidiair 37 dagen jeugddetentie. Voorts is bij vonnis waarvan beroep de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] gedeeltelijk toegewezen, te weten tot een bedrag van € 5.000,00 ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 augustus 2020 tot aan de dag der voldoening. Tevens is de schadevergoedingsmaatregel opgelegd voor hetzelfde bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf genoemde ingangsdatum en voor dezelfde duur. Voor het overige is de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk verklaard, is bepaald dat die vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht en is de verdachte veroordeeld in de gemaakte en nog te maken proceskosten door de benadeelde partij die tot de datum van het vonnis zijn begroot op nihil. Tot slot is bij vonnis waarvan beroep de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] gedeeltelijk toegewezen, te weten tot een bedrag van € 16.099,27, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 augustus 2020 tot aan de dag der voldoening. Tevens is de schadevergoedingsmaatregel opgelegd voor hetzelfde bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf genoemde ingangsdatum en voor dezelfde duur. Voor het gedeelte van de vordering van € 910,25 (kosten begeleiding naar afspraken en vervoer bijzonder onderwijs) is de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard en is bepaald dat die vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht. Voor het overige is de vordering tot schadevergoeding afgewezen. De verdachte is veroordeeld in de gemaakte en nog te maken proceskosten door de benadeelde partij die tot de datum van het vonnis zijn begroot op nihil. De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende: het Openbaar Ministerie ontvankelijk in de vervolging van de verdachte zal verklaren; het primair tenlastegelegde bewezen zal verklaren; de verdachte zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 150 uren; de vorderingen van de benadeelde partijen ter zake van de immateriële schade geheel zal toewijzen en voorts de beslissing van de rechtbank te volgen, met uitzondering van de verlaging van de vordering tot schadevergoeding. De verdediging heeft primair bepleit dat het hof het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van de verdachte zal verklaren. Subsidiair heeft de verdediging integrale vrijspraak bepleit. Meer subsidiair heeft de verdediging vrijspraak ter zake van het primair tenlastegelegde bepleit en ten aanzien van de subsidiair tenlastegelegde zware mishandeling gerefereerd aan het oordeel van het gerechtshof. Uiterst subsidiair, indien het hof komt tot een bewezenverklaring, heeft de verdediging een strafmaatverweer gevoerd. Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer] tot immateriële schadevergoeding heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat deze dient te worden gematigd. Ten aanzien van de vordering van [benadeelde] heeft de verdediging aangevoerd dat voor zover deze ziet op de kosten verbonden aan begeleiding, vervoer bijzonder onderwijs en de toekomstige materiële schade, deze niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Voorts heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot immateriële schadevergoeding moet worden gematigd en dat het door de verdediging ingebrachte medische advies van 13 november 2024 niet kan worden gebezigd ter nadere onderbouwing van de vorderingen tot schadevergoeding. Het vonnis waarvan beroep Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: hij op of omstreeks 11 augustus 2018 te Roosendaal, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] (geboren op [geboortedag 2] 2018) van het leven te beroven: - meermalen, althans eenmaal, die [slachtoffer] (met kracht) tegen/op zijn hoofd heeft geslagen/en/of gestompt en/of op een hard oppervlak heeft laten vallen en/of tegen een hard oppervlak heeft geslagen en/of gesloten, in elk geval (zeer heftig) uitwendig botsend en/of stompend geweld tegen en/of op zijn hoofd heeft uitgeoefend en/of - meermalen, althans eenmaal, die [slachtoffer] heeft vastgepakt en/of vastgehouden en/of met kracht door elkaar en/of op en neer en/of heen en weer heeft geschud, in elk geval anderszins (hevig) geweld heeft uitgeoefend op zijn lichaam en/of zijn hoofd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 11 augustus 2018 te Roosendaal, althans in Nederland, aan [slachtoffer] (geboren op [geboortedag 2] 2018), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten ernstig hoofdtrauma (een of meer breuken in de schedel en/of een of meer bloedingen in de hersenen/hersenschade), heeft toegebracht, door die [slachtoffer] : - meermalen, althans eenmaal (met kracht) tegen/op zijn hoofd te slaan en/of te stompen en/of op een hard oppervlak te laten vallen en/of legen een hard oppervlak te slaan en/of te stoten, in elk geval (zeer heftig) uitwendig inwerkend botsend en/of stompend geweld tegen en/of op zijn hoofd uit te oefenen en/of - meermalen, althans eenmaal (met kracht) vast te pakken en/of met kracht door elkaar en/of op en neer te schudden, in elk geval anderszins geweld uit te oefenen op zijn lichaam en/of zijn hoofd: meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 11 augustus 2018 te Roosendaal, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] (geboren op [geboortedag 2] 2018), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen: - meermalen, althans eenmaal die Van diggelen (met kracht) tegen/op zijn hoofd heeft geslagen/en/of gestompt en/of op een hard oppervlak heeft laten vallen en/of tegen een hard oppervlak heeft geslagen en/of gestoten, in elk geval (zeer heftig) uitwendig botsend en/of stompend geweld tegen en/of op zijn hoofd heeft uitgeoefend en/of - meermalen, althans eenmaal die [slachtoffer] (met kracht) heeft vastgepakt en/of vastgehouden en/of met kracht door elkaar en/of op en neer en/of heen en weer heeft geschud, in elk geval anderszins (hevig) geweld heeft uitgeoefend op zijn lichaam en/of zijn hoofd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie Standpunt van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het Openbaar ministerie ontvankelijk in de vervolging van de verdachte zal worden verklaard. De advocaat-generaal heeft daartoe aangevoerd dat er weliswaar geen duidelijke oorzaak is aan te wijzen voor de enorme overschrijding van de redelijke termijn, maar de Hoge Raad meerdere malen heeft geconcludeerd dat overschrijding van de redelijke termijn nooit leidt tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging. Standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van de verdachte dient te worden verklaard. De verdediging heeft in dit verband gewezen op de zeer extreme overschrijding van de redelijke termijn, op de omstandigheid dat de verdachte ten tijde van het incident nog minderjarig was en op de doelstellingen die met het jeugdstrafrecht worden nagestreefd, welke doelstellingen door de extreme overschrijding van de redelijke termijn niet meer met een straf kunnen worden gediend. Met de positieve ontwikkelingen die de verdachte de afgelopen jaren heeft doorgemaakt, is het doel van een eventuele pedagogische interventie op andere wijze al bereikt en de voortzetting van de vervolging zal enkel nadelige en disproportionele gevolgen hebben voor de verdachte. Bovendien heeft het tijdsverloop wel invloed gehad op de mogelijkheid de verdedigingsrechten uit te oefenen en kunnen de belangen van de slachtoffers ook worden gediend via de civielrechtelijke weg. Juridisch kader In het geval dat een zodanig ernstige inbreuk op het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak is gemaakt dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM, vindt niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging plaats. Het moet dan gaan om een onherstelbare inbreuk op het recht op een eerlijk proces die niet op een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze is of kan worden gecompenseerd. Daarbij moet die inbreuk het verstrekkende oordeel kunnen dragen dat – in de bewoordingen van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens – “the proceedings as a whole were not fair”. Voorts heeft elke verdachte, ingevolge artikel 6, eerste lid, EVRM, het recht op een openbare behandeling van zijn of haar zaak binnen een redelijke termijn. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. Bedoelde termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Staat jegens verdachte een handeling is verricht waaruit verdachte heeft opgemaakt en redelijkerwijs heeft kunnen opmaken dat het Openbaar Ministerie het ernstig voornemen had tegen verdachte een strafvervolging in te stellen. Als uitgangspunt voor jeugdigen heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting in eerste aanleg dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen 16 maanden nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de complexiteit van een zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. Volgens de rechtspraak van de Hoge Raad leidt een overschrijding van de redelijke termijn slechts in uitzonderlijke gevallen tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in zijn vervolging, bijvoorbeeld wanneer in een eenvoudige zaak sprake is van een zeer ernstige overschrijding. Regel is dat overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door strafvermindering. Het hof heeft de volgende belangen, feiten en omstandigheden bij haar afweging betrokken. Constatering van de overschrijding van de redelijke termijn In onderhavige zaak is de verdachte op 20 augustus 2018 door de politie gehoord. De politie heeft op 25 maart 2019 het eindproces-verbaal gesloten. Vervolgens heeft de raadsman van de verdachte zich op 22 januari 2020 gesteld. Op 31 januari 2020 heeft de raadsman onder andere verzocht om een deskundige, een patholoog-anatoom dan wel forensisch arts, te benoemen teneinde (nader) onderzoek te laten instellen naar (de aard van) het letsel. Daarnaast heeft de raadsman op 31 januari 2020 voorwaardelijk verzocht [benadeelde] te horen. Op 3 april 2020 heeft de officier van justitie aangegeven te voldoen aan het verzoek van de verdediging. Met betrekking tot het voorwaardelijk verzoek heeft de officier van justitie aangegeven daarop nog niet te reageren, maar eerst het nader onderzoek af te wachten en daarna te bezien of dit voorwaardelijk verzoek gehandhaafd blijft. Op 8 april 2021 heeft de rechter-commissaris een deskundige benoemd. Op 8 november 2022 heeft de deskundige het volledige dossier van het Openbaar Ministerie ontvangen, wat uiteindelijk op 28 december 2022 heeft geleid tot het rapport ‘Forensisch-medisch onderzoek inzake een destijds circa 3,5 maand oude jongen’. Vervolgens heeft de verdediging op 5 september 2023 kenbaar gemaakt het verzoek tot het horen van [benadeelde] te handhaven. Op 3 april 2023 heeft de officier van justitie kenbaar gemaakt zich niet te verzetten tegen dit verzoek. Uiteindelijk is [benadeelde] op 3 april 2023 door de rechter-commissaris gehoord. Na het getuigenverhoor is de raadsman in de gelegenheid gesteld om eventuele nadere onderzoekswensen in te dienen. Op 11 september 2023 heeft de raadsman aangegeven géén nadere onderzoekswensen te hebben. De zaak is vervolgens op 28 maart 2024 ter terechtzitting in eerste aanleg behandeld, waarna op 11 april 2024 uitspraak is gedaan. Het hof overweegt dat de redelijke termijn is aangevangen op 20 augustus 2018, de dag waarop de verdachte is gehoord. Het vonnis in eerste aanleg is gewezen op 11 april
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.