← Nederland

ECLI:NL:GHSHE:2025:564

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht Uitspraak : 27 februari 2025 Zaaknummer : 200.343.890/01 Zaaknummer eerste aanleg : 8694050/EJ VERZ 20-419 in de zaak in hoger beroep van: Juan Gerard Willem Anton [appellant], wonende te [woonplaats] , appellant in principaal hoger beroep, verweerder in incidenteel hoger beroep, hierna aan te duiden als [appellant] , advocaat: mr. I.J.A.J. Hanssen te Boxmeer, tegen de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën, Staatssecretaris van Financiën-Fiscaliteit en Belastingdienst), gevestigd te [vestigingsplaats] , verweerder in principaal hoger beroep, appellant in incidenteel hoger beroep, hierna aan te duiden als de Belastingdienst, advocaat: mr. G.E.C. van Brenk te Apeldoorn. 1De zaak in het kort [appellant] was in dienst bij de Belastingdienst als behandelaar van bezwaarschriften. Vanwege een chronische oogaandoening is hij in januari 2018 deels en vanaf december 2018 volledig uitgevallen. Bij beslissing van 18 maart 2020 heeft het UWV de Belastingdienst toestemming gegeven om de arbeidsovereenkomst tussen partijen op te zeggen wegens volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid van [appellant] . De Belastingdienst heeft vervolgens bij brief van 27 maart 2020 de arbeidsovereenkomst met [appellant] opgezegd tegen 31 juli 2020. [appellant] verzoekt in deze procedure primair om herstel van de arbeidsovereenkomst. Volgens [appellant] bestond er geen redelijke grond voor de opzegging, omdat hij binnen 26 weken met optimale werkaanpassingen zijn eigen werk in aangepaste vorm had kunnen verrichten. Subsidiair verzoekt [appellant] toekenning van een billijke vergoeding op de grond dat de opzegging het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de Belastingdienst. De Belastingdienst is volgens [appellant] zijn re-integratieverplichtingen tegenover hem niet nagekomen. Evenals de kantonrechter wijst het hof beide verzoeken af. Het hof zal hieronder uitleggen hoe het tot deze beslissing is gekomen. 2Het verloop van de procedure eerste aanleg en het hoger beroep 2.1. Voor het verloop van de procedure in eerste aanleg verwijst het hof naar de beschikkingen van de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, van 30 december 2020, 24 februari 2021, 28 april 2022 en 14 mei 2024. 2.2. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit: het beroepschrift met het procesdossier van de eerste aanleg, ingekomen ter griffie op 22 juli 2024; het verweerschrift inclusief incidenteel hoger beroep, ingekomen ter griffie op 22 oktober 2024; het verweerschrift in incidenteel hoger beroep, ingekomen ter griffie op 11 november 2024; een V6-formulier van [appellant] met productie 24, ingekomen ter griffie op 6 december 2024; - de op 19 december 2024 gehouden mondelinge behandeling, waarbij zijn gehoord: - [appellant] , bijgestaan door mr. Hanssen; - mevrouw [voormalig teamleidster] , voormalig teamleidster van [appellant] , namens de Belastingdienst, bijgestaan door mr. Van Brenk. - de door de advocaten van partijen ter zitting overgelegde en voorgedragen spreekaantekeningen. 3De feiten 3.1. In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten. 3.1.1. [appellant] , geboren [geboortedatum] 1968, was sinds 1986 werkzaam voor de Belastingdienst. De laatste jaren was hij aangesteld voor 28,8 uur per week als behandelfunctionaris van bezwaarzaken, waarbij hij veel achter de computer moest werken. 3.1.2. [appellant] heeft een chronische oogaandoening (retinitis pigmentosa, oftewel kokerzien). Deze aandoening kenmerkt zich door uitval van primair de perifere gezichtsvelden (boven, beneden en opzij). Het gezichtsveld wordt steeds kleiner en de aandoening zou uiteindelijk kunnen leiden tot volledige blindheid. Gedurende het dienstverband was sprake van kokerzien en is het centrale zien verder beperkt (onderdeel 4 van het beroepschrift). 3.1.3. Vanwege deze problematiek heeft [appellant] zich op 14 mei 2014 ziek gemeld. Op verzoek van de Belastingdienst is door [instantie 1] , een expertisecentrum voor slechtziende en blinde mensen (verder te noemen: [instantie 1] ), op 4 februari 2015 een rapportage opgesteld. [instantie 1] heeft onder andere adviezen voor ICT en werkplekaanpassing gegeven. 3.1.4. In 2015 is [appellant] hersteld verklaard. 3.1.5. Op 2 januari 2018 heeft [appellant] zich gedeeltelijk ziek gemeld. Hij is vier uur per dag ofwel 16 uur per week blijven werken, waarvan drie dagen thuis en één dag op kantoor. 3.1.6. Op 5 februari 2018 heeft op verzoek van de Belastingdienst een Visueel Functie Onderzoek (VFO) en een Computer Toegankelijkheid Onderzoek (CTO) plaatsgevonden door [instantie 2] . Deze heeft daarvan op 9 maart 2018 een rapportage uitgebracht. Ook [instantie 2] heeft onder andere adviezen voor ICT en werkplekaanpassing gegeven. 3.1.7. Op 14 augustus 2018 heeft bedrijfsarts [bedrijfsarts 1] een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) opgesteld. Hierin heeft de bedrijfsarts vastgesteld dat [appellant] wordt beperkt op hoog handelingstempo, het zien, het vervoer en de werktijden en dat [appellant] (niet meer dan) ongeveer 4 uur per dag, 16 uur per week kan werken. 3.1.8. Arbeidsdeskundige [arbeidsdeskundige 1] heeft op 10 september 2018 een rapportage opgesteld. Hierin wordt onder meer geconcludeerd dat [appellant] vanwege zijn beperkingen een productiviteit van circa 60% heeft (uitgaande van 16 uur per week). Op basis van 16 uur per week acht de arbeidsdeskundige [appellant] voor (4x4 = 16 uur * 60 % =) 9,6 uur effectief met een verdienverlies van 66,66 % (9,6/28/8*100). 3.1.9. Op 28 november 2018 is het softwareprogramma Supernova, dat het lezen gemakkelijker moet maken, op de laptop van [appellant] geïnstalleerd. 3.1.10. Op 3 december 2018 heeft [appellant] zich volledig ziek gemeld. 3.1.11. Arbeidsdeskundige [arbeidsdeskundige 2] van het UWV heeft in zijn rapportage van 5 december 2018 geconcludeerd dat de re-integratie-inspanningen van de Belastingdienst niet voldoende zijn, omdat de loonwaardebepaling door de arbeidsdeskundige op 10 september 2018 niet concreet wordt onderbouwd met feitelijkheden, maar wordt gebaseerd op de verklaringen van werkgever en werknemer. 3.1.12. [appellant] heeft een second opinion aangevraagd, omdat hij vond dat hij veel meer beperkingen had dan de beperkingen die bedrijfsarts [bedrijfsarts 1] in de FML van 14 augustus 2018 had vastgesteld. Bedrijfsarts [bedrijfsarts 2] heeft op 14 januari 2019 een second opinion gegeven. Deze houdt in dat [appellant] nog veel meer beperkingen heeft dan in de door [bedrijfsarts 1] opgestelde FML is aangegeven. Zo kon [appellant] gedurende minder dan een half uur per werkdag een toetsenbord en muis bedienen. Als toelichting op overige beperkingen heeft [bedrijfsarts 1] onder meer opgenomen: “Er is een forse energetische beperking; door de visusstoornis zal het werk van werknemer gecontroleerd moeten worden op fouten (die kan hij er niet allemaal zelf uithalen). Door bovenstaande aanpassingen en beperkingen zelf zal de uiteindelijke productiviteit per uur marginaal worden - dat nog los van de vraag of er uberhaupt niet-beeldschermgebonden werk gevonden kan worden. Met alle restricties c.q bij heel optimale omstandigheden zou wellicht 2-4 uur haalbaar zijn”. Zijn conclusie is dat verbetering van de belastbaarheid is uitgesloten en dat de verwachting is dat er geen reële arbeidsmogelijkheden en geen passende functies zijn en dat een vervroegde WIA (IVA) aanvraag aan de orde is. 3.1.13. Op 11 april 2019 heeft [appellant] een WIA-uitkering aangevraagd. 3.1.14. In verband met deze aanvraag heeft een verzekeringsgeneeskundig onderzoek plaatsgevonden door arts [arts] en verzekeringsarts [verzekeringsarts] , waarvan op 20 mei 2019 een rapportage is opgemaakt. 3.1.15. Vervolgens is in het kader van de WIA-aanvraag door arbeidsdeskundige [arbeidsdeskundige 3] de mate van arbeidsongeschiktheid van [appellant] beoordeeld. In zijn arbeidsdeskundig rapport van 6 juni 2019 heeft [arbeidsdeskundige 3] geconcludeerd dat [appellant] niet geschikt is voor de maatgevende arbeid, dat er geen verdiencapaciteit kan worden vastgesteld (het loonverlies ten opzichte van eigen werk is 100% en theoretische verdiencapaciteit is er niet) en dat het arbeidsongeschiktheidspercentage daarmee is vastgesteld op 100 %. 3.1.16. Het UWV heeft bij beslissing van 7 juni 2019 op zijn verzoek aan [appellant] met ingang van 20 juni 2019 een IVA-uitkering toegekend. Aan deze beslissing heeft het UWV ten grondslag gelegd dat [appellant] voor 80 tot 100 % arbeidsongeschikt is en geen of een geringe kans op herstel heeft. 3.1.17. Eind 2019 is [appellant] bij [instantie 2] gestart met het volgen van cursussen op het gebied van mobiliteit, communicatie, omgaan met hulpbehoevendheid en energiemanagement. 3.1.18. In het dossier zit een brief van de oogarts van [appellant] bedoeld voor zijn werkgever gedateerd 23 januari 2020: “Recent heeft meneer [appellant] contact met mij opgenomen. Hij vertelde dat hij inmiddels is afgekeurd en dat het ontslag-traject is ingezet. Ook vertelde hij dat hij graag deels zou blijven werken, hij heeft inmiddels via [instantie 2] veel handvaten gekregen om nog actief te blijven en taken te kunnen uitvoeren. Werkzaamheden -in welke vorm, hoedanigheid of tijdsinvestering dan ook- zouden hem helpen om betrokken te blijven in het sociale verkeer en geven hem een zinvolle dagbesteding. Meneer [appellant] is helaas door zijn oogaandoening ernstig beperkt in zijn dagelijkse hoeveelheid energie, maar wil graag actief deel blijven nemen aan de samenleving. Wellicht heeft u als werkgever mogelijkheden voor hem; dat kan ik als zijn arts alleen maar toejuichen!” 3.1.19. Op 14 februari 2020 heeft [appellant] gesproken met de heer [betrokkene 1] (plaatsvervangend directeur MKB Eindhoven) en mevrouw [betrokkene 2] (re-integratiemanager), beiden werkzaam bij de Belastingdienst, over beëindiging van de arbeidsovereenkomst tussen partijen. [appellant] heeft aangeboden om binnen de organisatie werkzaamheden te blijven uitvoeren. [betrokkene 1] heeft toegezegd zich in te zullen spannen om binnen de mogelijkheden die de IVA-uitkering biedt, nadere afspraken te maken met betrekking tot het aanbieden van activiteiten binnen de Belastingdienst. 3.1.20. Bij brief van 20 februari 2020 heeft de Belastingdienst aan [appellant] geschreven: "Op 14 februari 2020 is met u gesproken over het voornemen om uw dienstverband te beëindigen wegens langdurige arbeidsongeschiktheid. U bent namelijk op 2 januari 2020 104 weken arbeidsongeschikt. Het is niet mogelijk gebleken om voor u andere passende werkzaamheden te vinden. Nu ik van oordeel ben dat er geen verdere invulling aan uw arbeidsovereenkomst gegeven kan worden, zal het UWV worden gevraagd om toestemming om over te gaan tot beëindiging van uw dienstverband. " 3.1.21. Op of omstreeks 26 februari 2020 heeft de Belastingdienst toestemming gevraagd aan het UWV om de arbeidsovereenkomst met [appellant] te mogen opzeggen. 3.1.22. Bij besluit van 18 maart 2020 heeft het UWV de gevraagde toestemming gegeven. Het UWV heeft daarbij overwogen dat uit de toekenning van de IVA-uitkering aan [appellant] volgt dat hij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is, dat daarmee voor het UWV duidelijk is dat herstel of herplaatsing van [appellant] niet aan de orde is en dat het UWV het in dat licht aannemelijk vindt dat [appellant] niet binnen 26 weken zal herstellen voor het verrichten van zijn werk of binnen 26 weken zijn werk in aangepaste vorm kan verrichten. Naar het oordeel van het UWV ontbreken ook mogelijkheden tot herplaatsing. 3.1.23. De Belastingdienst heeft vervolgens de arbeidsovereenkomst tussen partijen bij brief van 27 maart 2020 opgezegd tegen 31 juli 2020. 3.1.24. Bij e-mail van 21 april 2020 heeft [betrokkene 1] namens de Belastingdienst [appellant] het volgende bericht: “We spraken elkaar op 14 februari. In dat gesprek heb je aangegeven dat je na goedkeuring van je IVA aanvraag je kennis binnen de Belastingdienst wilt blijven inzetten. Ik had je beloofd om deze week met een reactie te komen over je aanbod om je kennis te blijven inzetten. Van dat aanbod ga ik geen gebruik maken.” 3.1.25. Vervolgens heeft [appellant] opnieuw een verzekeringsgeneeskundige, [verzekeringsgeneeskundige 1] , benaderd en gevraagd om een actuele FML op te stellen. Hij heeft aan [verzekeringsgeneeskundige 1] gemeld van mening te zijn dat hij nog steeds (benutbare) mogelijkheden heeft, waarbij de werkgever zich onvoldoende heeft ingespannen om deze resterende arbeidscapaciteit ook daadwerkelijk benutbaar te maken. [verzekeringsgeneeskundige 1] heeft [appellant] gezien op 11 september 2020 en zijn bevindingen vastgelegd in een rapport van 28 september 2020. Daarin staat onder meer: “Nagekomen bericht oogarts [betrokkene 3] d.d. 15-07-2020: de gezichtsscherpte blijft stabiel echter de gezichtsvelden worden langzaam kleiner.” [verzekeringsgeneeskundige 1] heeft onder meer geconcludeerd dat [appellant] ongeveer 4 uur per dag, 20 uur per week kan werken, dat hij binnen deze tijd meerdere periodes achtereen 30-45 minuten beeldschermwerk kan verrichten, maar wel pauzes in acht dient te nemen van 15-30 minuten om zijn ogen rust te geven, dat de werkplek optimaal aangepast dient te zijn aan de visuele handicap, dat tempoverlies bij beeldschermwerk aannemelijk is, met name bij beeldschermwerk en dat aannemelijk is dat controle van het werk van [appellant] door derden nodig is om fouten ten gevolge van de visuele beperking te corrigeren. 3.1.26. Arbeidsdeskundige [arbeidsdeskundige 4] heeft op verzoek van [appellant] op basis van de door [verzekeringsgeneeskundige 1] vastgesteld FML een arbeidsdeskundig onderzoek verricht. Zij heeft [appellant] daarvoor op 8 oktober 2020 gezien en haar bevindingen vastgelegd in een rapport van 9 oktober 2020. De conclusie van [arbeidsdeskundige 4] is dat [appellant] mogelijk geschikt te achten is voor het eigen werk in aangepaste vorm indien rekening wordt gehouden met de in het rapport weergegeven beperkingen. 4De verzoeken bij de kantonrechter 4.1.1. [appellant] heeft de kantonrechter in eerste aanleg, samengevat, verzocht: primair: de Belastingdienst te veroordelen de arbeidsovereenkomst op grond van artikel 7:682 lid 1 onder a BW te herstellen op straffe van een dwangsom, onder doorbetaling van het verschil tussen het laatstverdiende bruto maandsalaris en de ontvangen bruto IVA-uitkering, te verhogen met de wettelijke verhoging van 50 % en wettelijke rente; voor zover herstel van de arbeidsovereenkomst later plaatsvindt dan 31 juli 2020 een voorziening te treffen, inhoudende dat de Belastingdienst wordt veroordeeld tot betaling van het verschil tussen het laatstverdiende bruto maandsalaris en de ontvangen bruto IVA-uitkering over de periode van 31 juli 2020 tot de datum van herstel van de arbeidsovereenkomst, te verhogen met de wettelijke verhoging van 50 % en wettelijke rente; subsidiair: - aan [appellant] een door de Belastingdienst te betalen billijke vergoeding van € 148.800,00 bruto toe te kennen, te verhogen met wettelijke rente; met veroordeling van de Belastingdienst in de proceskosten. 4.1.2. [appellant] heeft aan zijn primaire verzoek, kort samengevat, ten grondslag gelegd dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst door de Belastingdienst in strijd is met artikel 7:669 lid 3 onder b BW. Volgens [appellant] is geen sprake van een situatie waarin ontslag wegens twee jaar arbeidsongeschiktheid gerechtvaardigd is, omdat hij met optimale werkaanpassingen binnen een periode van 26 weken aangepast werk (in zijn eigen functie) kon verrichten. Aan zijn subsidiaire verzoek heeft [appellant] ten grondslag gelegd dat de opzegging door de Belastingdienst het gevolg is van ernstig en verwijtbaar handelen of nalaten van de Belastingdienst. 4.2. De Belastingdienst heeft hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd. Voor zover in hoger beroep van belang zal het hof hierop hierna nader ingaan. 4.3. Bij tussenbeschikking van 30 december 2020 heeft de kantonrechter geoordeeld dat niet kan worden uitgesloten dat er voor [appellant] toch nog benutbare mogelijkheden zijn in aangepast eigen werk, maar dat het eventueel door [appellant] te verrichten werk wel voldoende loonwaarde moet vertegenwoordigen. De kantonrechter heeft voorts overwogen dat daarover onvoldoende bekend is en dat op dat punt een deskundigenbericht nodig is. De kantonrechter heeft partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over (onder andere) het specialisme van de te benoemen deskundige(

  1. n)en over de aan de deskundige(
  2. n)voor te leggen vragen. 4.4. Bij tussenbeschikking van 24 februari 2021 heeft de kantonrechter een deskundigenonderzoek gelast. 4.5. Vervolgens heeft de kantonrechter bij tussenbeschikking van 3 juni 2021 verzekeringsgeneeskundige [verzekeringsgeneeskundige 2] benoemd als deskundige om vast te stellen wat de medische beperkingen van [appellant] zijn. [verzekeringsgeneeskundige 2] heeft in dat verband [appellant] op 13 juli 2021 gezien en op 24 december 2021 een deskundigenrapport uitgebracht. 4.6. Bij tussenbeschikking van 28 april 2022 heeft de kantonrechter arbeidsdeskundige [arbeidsdeskundige 5] , verbonden aan [instantie 2] , als deskundige benoemd om te onderzoeken of [appellant] met aanpassingen zijn eigen werk nog kan verrichten. De kantonrechter heeft daarnaast [deskundige] B.V. benoemd als deskundige om te onderzoeken wat de loonwaarde van dat werk is. 4.7. [arbeidsdeskundige 5] heeft [appellant] op 8 september 2022 gezien en heeft op 8 november 2022 een rapport, gedateerd 7 november 2022, uitgebracht. [deskundige] B.V. heeft op 29 maart 2023 een rapport, gedateerd 18 februari 2023, uitgebracht. 4.8. Bij eindbeschikking van 14 mei 2024 heeft de kantonrechter de verzoeken van [appellant] afgewezen en [appellant] veroordeeld in de proceskosten. Naar het oordeel van de kantonrechter moet de loonwaarde van de benutbare mogelijkheden van [appellant] op minder dan 65 % worden gewaardeerd en heeft het UWV op goede gronden geoordeeld dat [appellant] volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is en herplaatsing in passende arbeid niet mogelijk is. De kantonrechter heeft voorts geoordeeld dat de subsidiair verzochte billijke vergoeding moet worden afgewezen, omdat niet kan worden gezegd dat de Belastingdienst ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. 5De verzoeken in hoger beroep 5.1. [appellant] voert in zijn beroepschrift twaalf grieven aan tegen de (tussen)beschikkingen van de kantonrechter van 30 december 2020, 24 februari 2021, 28 april 2022 en 14 mei 2024. Hij verzoekt vervolgens deze beschikkingen te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, samengevat: primair: de Belastingdienst te veroordelen om de arbeidsovereenkomst met [appellant] te herstellen met terugwerkende kracht vanaf 31 juli 2020; de Belastingdienst te veroordelen om [appellant] toe te laten tot de (aangepaste) functie van behandelfunctionaris (van bezwaarzaken) met een arbeidsomvang van 20 uur per week conform het opbouwschema zoals vermeld in het rapport van [arbeidsdeskundige 4] van 9 oktober 2020; de Belastingdienst te veroordelen om vanaf 31 juli 2020 het laatstverdiende salaris inclusief 8 % vakantiegeld van € 3.345,15 bruto (verminderd met de ontvangen IVA-uitkering inclusief 8 % vakantiegeld van € 2.508,86 bruto per maand) door te betalen, te verhogen met de maximale wettelijke verhoging van 50 % en wettelijke rente; in geval van herstel van de arbeidsovereenkomst vanaf een latere datum dan 31 juli 2020: een voorziening te treffen met betrekking tot de rechtsgevolgen van de onderbreking van de arbeidsovereenkomst, inhoudende dat de Belastingdienst wordt veroordeeld tot betaling van het verschil tussen het laatstverdiende bruto maandsalaris en de ontvangen bruto IVA-uitkering over de periode van 31 juli 2020 tot de datum van herstel van de arbeidsovereenkomst, te verhogen met de wettelijke verhoging van 50 % en wettelijke rente; subsidiair: - aan [appellant] een door de Belastingdienst te betalen billijke vergoeding van € 148.800,00 bruto toe te kennen, te verhogen met wettelijke rente; met veroordeling van de Belastingdienst in de kosten van eerste aanleg, waaronder de kosten van de deskundigen, en de kosten van dit hoger beroep. 5.2.1. De Belastingdienst bestrijdt in zijn verweerschrift de grieven van [appellant] en voert op zijn beurt één grief in incidenteel hoger beroep aan tegen de tussenbeschikking van 30 december 2020. 5.2.2. De Belastingdienst verzoekt het hof (zowel in principaal als incidenteel hoger beroep), samengevat, om: primair: - de verzoeken van [appellant] af te wijzen en de bestreden beschikkingen van de kantonrechter te bekrachtigen; subsidiair: voor het geval het hof oordeelt dat de arbeidsovereenkomst moet worden hersteld: de arbeidsovereenkomst te herstellen tegen een datum gelegen in de toekomst; [appellant] te veroordelen om de transitievergoeding van € 41.687,58 bruto aan de Belastingdienst terug te betalen, te vermeerderen met wettelijke rente indien [appellant] hiertoe niet tijdig overgaat; bij het treffen van eventuele andere voorzieningen rekening te houden met de IVA-uitkering en het AAOP die [appellant] heeft ontvangen van respectievelijk het UWV en het ABP, geen rekening te houden met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente, zoals door [appellant] verzocht, en rekening te houden met de teruggang in urenomvang van 28,8 uur per week naar maximaal 20 uur per week en het daaraan verbonden salaris; met veroordeling van [appellant] in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente. 5.3. Bij verweerschrift in incidenteel hoger beroep bestrijdt [appellant] de grief van de Belastingdienst en verzoekt hij het hof om de Belastingdienst in het incidenteel hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans de verzoeken af te wijzen, met veroordeling van de Belastingdienst in de kosten van het incidenteel hoger beroep. 5.4. Het hof stelt vast dat [appellant] in hoger beroep zijn verzoek heeft gewijzigd. Nu de Belastingdienst geen bezwaar heeft gemaakt tegen de wijziging van het verzoek en deze wijziging ook niet in strijd is met de eisen van een goede procesorde, gaat het hof bij de beoordeling uit van het gewijzigde verzoek. Tijdens de zitting in hoger beroep heeft [appellant] zijn verzoek nader toegelicht. Hij verzoekt om herstel van de arbeidsovereenkomst (van 28,8 uur per week), waarvan [appellant] er maximaal 20 zal werken en waarbij hij elk uur onbetaald een kwartier pauze neemt. De Belastingdienst betaalt het laatstverdiend loon minus de IVA uitkering die [appellant] thans ontvangt zolang de loonwaarde van [appellant] niet is vastgesteld. De Belastingdienst heeft in reactie daarop aangeven dat dit verzoek niet strookt met het wettelijk systeem en met het oordeel van het UWV dat [appellant] 80-100 % arbeidsongeschikt is. Het hof komt aan de toewijsbaarheid van het verzochte niet toe omdat de grieven van [appellant] niet slagen, zoals hierna zal worden toegelicht. 6De beoordeling in hoger beroep Principaal hoger beroep 6.1. In zijn eerste grief stelt [appellant] dat de kantonrechter ten onrechte bij de feitenvaststelling heeft opgenomen dat de chronische oogaandoening van [appellant] uiteindelijk zal leiden tot volledige blindheid. Volgens [appellant] kan de oogaandoening leiden tot blindheid, maar hoeft dat niet zo te zijn. Het hof heeft hierboven onder 3.1.2 de feiten op dat punt aangepast. In zoverre slaagt deze grief. Herstel van de arbeidsovereenkomst 6.2. Grieven 2 tot en met (deels) 10 van [appellant] zijn gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat het UWV op goede gronden heeft geoordeeld dat [appellant] volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is en herplaatsing in passende arbeid niet mogelijk is. Deze grieven hebben daarmee betrekking op het primaire verzoek van [appellant] tot herstel van de arbeidsovereenkomst. Het hof zal deze grieven gezamenlijk behandelen. 6.3. Op grond van artikel 7:682 lid 1 onder a BW kan de werknemer vragen de arbeidsovereenkomst te herstellen als de opzegging in strijd is met artikel 7:669 lid 1 of lid 3 onder a of b BW. [appellant] legt aan zijn verzoek om de arbeidsovereenkomst tussen partijen te herstellen ten grondslag dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst door de Belastingdienst in strijd met artikel 7:669 lid 3 onder b BW heeft plaatsgevonden. Hij betwist, kort samengevat, dat is voldaan aan de in voornoemd artikel opgenomen voorwaarde dat het verrichten van de bedongen arbeid in een aangepaste functie binnen 26 weken niet mogelijk is. Dit was volgens [appellant] wel degelijk mogelijk geweest met de aanpassingen en hulpmiddelen, zoals geadviseerd door [instantie 1] en [instantie 2] . Dit geldt volgens hem temeer, omdat hij eind 2019 bij [instantie 2] cursussen heeft gevolgd waardoor zijn belastbaarheid is verbeterd. Volgens de Belastingdienst kan [appellant] met zijn beperkingen bij de Belastingdienst onvoldoende productief werk verrichten en zijn er geen werkzaamheden voor hem meer denkbaar die voldoende loonwaarde vertegenwoordigen. Van de Belastingdienst als werkgever kan niet worden verlangd werkzaamheden aan te bieden, die feitelijk geen toegevoegde waarde hebben voor de organisatie, aldus de Belastingdienst. Daarbij wijst de Belastingdienst erop dat het nodig is om met een beeldscherm te werken (in combinatie met toetsenbord en muis) en veel te lezen, terwijl [appellant] daarin fors beperkt is. Daarnaast is reizen naar het werk beperkt mogelijk en is [appellant] aanwezen op werk waarin hij kan terugvallen op collega’s en leidinggevende. Dit laatste blijkt in de praktijk een te groot beslag op de (beschikbare tijd van) collega's te leggen. 6.4. Het hof stelt voorop dat op grond van artikel 7:669 lid 3 onder b BW de werkgever een redelijke grond heeft voor opzegging van de arbeidsovereenkomst, indien de werknemer: - door ziekte of gebreken de bedongen arbeid niet meer kan verrichten; - langer dan (in beginsel) twee jaar arbeidsongeschikt is; - binnen 26 weken niet kan herstellen voor het verrichten van de bedongen arbeid; - binnen 26 weken de bedongen arbeid niet in aangepaste vorm kan verrichten en - binnen een redelijke termijn niet kan worden herplaatst in een andere passende functie, ook niet met behulp van scholing (artikel 7:669 lid 1 BW). Dat aan de eerste drie voorwaarden en aan de laatste voorwaarde is voldaan staat vast tussen partijen. Tussen partijen is enkel in geschil of aan de voorwaarde is voldaan dat [appellant] binnen 26 weken de bedongen arbeid niet in aangepaste vorm kan verrichten. Of in het geval van [appellant] aan deze voorwaarde is voldaan, moet het hof toetsen aan dezelfde wettelijke criteria als die voor het UWV gelden (vgl. Kamerstukken II 2013/2014, 33 818, nr. 3, p. 31). Daarbij dient de zaak geheel opnieuw te worden beoordeeld (de beoordeling kan niet worden beperkt tot het nagaan of het UWV tot een juist oordeel is gekomen) en moet rekening worden gehouden met alle omstandigheden van het concrete geval. De bedongen arbeid 6.5. Het hof zal eerst vaststellen wat partijen zijn overeengekomen als ‘de bedongen arbeid’ (het eigen werk). Voordat [appellant] in februari 2018 (deels) uitviel wegens ziekte, was hij werkzaam als bezwaarhandelaar IB, functiegroep E voor 28,8 uur per week. Dit betreft een functie op mbo-niveau. Een functieomschrijving zit niet in het dossier, hetgeen partijen desgevraagd hebben bevestigd ter gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep. Verder zijn zij het erover eens dat bij deze functie (onder meer) de volgende werkzaamheden behoren: behandeling van (eenvoudigere) bezwaar- en verzoekschriften, waaronder verbeterde aangiften IB; werkverdeling van de bezwaar- en verzoekschriften; werkzaamheden met betrekking tot de aanslagregeling; het fungeren als aanspreekpunt voor taxateurs; afhandeling van terugbelverzoeken; beoordeling van hoge risicoposten. 6.6. [appellant] heeft toegelicht dat sommige van deze taken binnen het team werden verdeeld, dat dus niet iedereen met deze functie alle taken verrichtte en dat hij in dat kader nooit hoge risicoposten of terugbelverzoeken heeft behandeld. Werkverdeling heeft [appellant] wel gedaan, maar dat is volgens hem naar een andere functiegroep gegaan. Tussen partijen staat vast dat [appellant] naast de behandeling van bezwaar- en verzoekschriften in ieder geval aanspreekpunt was voor de taxateurs, maar dat die taak na de ziekmelding op 2 januari 2018 is weggevallen omdat hij geen hele dagen meer kon werken. Verder staat vast dat de werkzaamheden bestaan uit 90 % beeldschermwerk (lezen van digitaal ingediende of gedigitaliseerde bezwaren, raadplegen van verschillende systemen, verwerken van de beoordeling van de bezwaren en de beoordeling daarvan in de digitale systemen, doorvoeren van eventuele wijzigingen in de systemen) en uit 10 % overig werk (zoals overleg met collega’s en derden en telefonisch contact met en telefonisch horen van belastingplichtigen). 26 weken prognose 6.7. Vervolgens moet worden beoordeeld of [appellant] binnen 26 weken de bedongen arbeid in aangepaste vorm had kunnen verrichten. 6.8. De termijn van 26 weken wordt op grond van de Uitvoeringsregels ontslag wegens arbeidsongeschiktheid van het UWV (hierna: de Uitvoeringsregels) gerekend vanaf de datum van de beslissing van het UWV op de ontslagaanvraag, in dit geval 18 maart 2020. Ook de kantonrechter lijkt van die datum te zijn uitgegaan. [appellant] lijkt in zijn verzoek te zijn uitgegaan van 26 weken na de opzegging op 27 maart 2020. Dit betekent dat het hof moet beoordelen of [appellant] vóór 18 september 2020, althans in de visie van [appellant] vóór 27 september 2020 zijn eigen werk in aangepaste vorm had kunnen verrichten. 6.9. Wat betreft de bedongen arbeid in aangepaste vorm kan volgens de Uitvoeringsregels worden gedacht aan aanpassingen van de eigen functie ten aanzien van bijvoorbeeld het aantal uren, het werkrooster of (belasting
  3. in)taken. Als het gaat om taken kan worden gedacht aan de situatie waarin de werknemer nog slechts drie van de vijf taken van zijn eigen functie kan uitvoeren. Ook aanpassingen op de werkplek of van de arbeidsomstandigheden kunnen aan de orde zijn. Meegewogen moet worden in hoeverre het laten verrichten van de bedongen arbeid in aangepaste vorm van de werkgever kan worden verlangd. 6.10. Voor de beoordeling van het verzoek van [appellant] tot herstel van de arbeidsovereenkomst neemt het hof de volgende feiten en omstandigheden tot uitgangspunt. 6.11. [appellant] heeft ruim vóór het verstrijken van de wachttijd van twee jaar een IVA-uitkering aangevraagd. Het UWV heeft deze uitkering in juni 2019 vervroegd aan [appellant] toegekend op de grond dat [appellant] voor 80 % tot 100 % arbeidsongeschikt is en geen of een geringe kans op herstel heeft. Deze beslissing van het UWV is gebaseerd op het rapport van arbeidsdeskundige [arbeidsdeskundige 3] van het UWV van 6 juni 2019 die tot een arbeidsongeschiktheidspercentage van 100 % kwam. [arbeidsdeskundige 3] heeft, mede op basis van de bevindingen van (verzekerings)arts [arts] van 20 mei 2019, onder meer vastgesteld dat [appellant] fors beperkt is op zien en lezen, terwijl in het werk zien en lezen noodzakelijk is bij het uitvoeren van beeldschermwerk, dat hij een uur per dag kan werken met een toetsenbord en muis en in totaal gemiddeld ongeveer vier uur per dag kan werken en dat de overschrijdingen in zijn belastbaarheid niet op te lossen zijn door inzet van een voorziening. 6.12. Ten tijde van de ontslagaanvraag door de Belastingdienst (en overigens ook nog ten tijde van de mondelinge behandeling van dit hoger beroep) ontving [appellant] een IVA-uitkering op basis van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80 tot 100. Het UWV heeft op grond hiervan aan de Belastingdienst de gevraagde toestemming voor de opzegging van de arbeidsovereenkomst verleend. 6.13. Het voorgaande laat echter onverlet dat niet is uitgesloten dat op het moment van de beslissing van het UWV op de ontslagaanvraag, ruim acht maanden na de toekenning van de IVA-uitkering, de belastbaarheid van [appellant] , mede door het volgen van de cursussen, aldus is gewijzigd dat er binnen 26 maanden wel (meer) mogelijkheden waren voor [appellant] om zijn eigen werk in aangepaste vorm te verrichten. Anders dan de Belastingdienst meent, is het hof (en was de kantonrechter) daarom niet gebonden aan de vaststelling van het UWV in zijn IVA-beslissing van 7 juni 2019 dat [appellant] volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. De formele rechtskracht van de IVA-beslissing waarop de Belastingdienst zich beroept, ziet op de verhouding tussen [appellant] en het UWV en niet op de verhouding tussen [appellant] en de Belastingdienst en bovendien uitsluitend op de met die beslissing tot stand gebrachte rechtsgevolgen en niet op de daaraan ten grondslag liggende inhoudelijke overwegingen. 6.14. Om te kunnen bepalen in hoeverre er binnen 26 weken benutbare mogelijkheden voor [appellant] waren bij de Belastingdienst acht het hof in eerste instantie de door [appellant] overgelegde rapporten van verzekeringsarts [verzekeringsgeneeskundige 1] en arbeidsdeskundige [arbeidsdeskundige 4] van respectievelijk 28 september 2020 en 9 oktober 2020 van belang. Deze rapporten liggen immers wat datum betreft het dichtst bij de voor de 26 weken relevante periode (18 maart 2020 tot 18, althans 27 september 2020) en kunnen daarom het beste inzicht geven in de benutbare mogelijkheden van [appellant] in die periode. 6.15. [verzekeringsgeneeskundige 1] heeft in het verzekeringsgeneeskundig rapport van 28 september 2020 vastgesteld dat er onder meer knelpunten zijn op het gebied van zien, lezen, het beeldschermwerk en uren per dag/week (maximaal vier uur per dag/20 uur per week, met maximaal 30-45 minuten beeldschermwerk achtereen en dan 15-30 minuten pauze, dat tempoverlies bij beeldschermwerk aannemelijk is, een en ander ervan uitgaande dat de optimale aanpassingen zijn doorgevoerd). [verzekeringsgeneeskundige 1] heeft daaraan toegevoegd dat de urenbeperking wordt bepaald door het feit dat de visuele inspanning groot is, waardoor [appellant] snel vermoeid raakt en dat aannemelijk is dat controle van het werk van [appellant] door derden nodig is om fouten als gevolg van de visuele beperking te voorkomen. Uit het arbeidsdeskundig rapport van [arbeidsdeskundige 4] van 9 oktober 2020 kan worden afgeleid dat: bij beperking van het takenpakket van [appellant] tot het behandelen van bezwaarzaken het beeldschermwerk en de uren per dag/week als knelpunten overblijven; [appellant] met hulpmiddelen/aanpassingen zoals een loep, vergrotingssoftware, optimale verplichting en spraakfuncties per dag maximaal 4 uur per dag, 20 uur per week kan werken; [appellant] na elke 45 minuten beeldschermwerk 15 tot 30 minuten visuele rust moet nemen (deze tijd zou kunnen worden besteed aan bijvoorbeeld telefonisch overleg met collega’s); door de visuele beperking van [appellant] tempoverlies zal optreden. Ook met aanpassingen van de werkplek en inzet van hulpmiddelen zal dit tempoverlies aanwezig zijn, zij het in mindere mate; [appellant] bij problemen direct moet kunnen terugvallen op een collega of leidinggevende; zijn werkzaamheden in eerste instantie moeten worden gecontroleerd. [arbeidsdeskundige 4] heeft ten slotte geconcludeerd dat [appellant] op 9 oktober 2020 deels geschikt was voor het aangepaste werk, waarbij met een opbouwschema de productiviteit kan worden gemeten. 6.16. De bevindingen van de door de kantonrechter benoemde verzekeringsarts [verzekeringsgeneeskundige 2] en arbeidsdeskundige [arbeidsdeskundige 5] zijn van veel latere datum (van 24 december 2021 en 7 november 2022, en daarmee van ruim één, respectievelijk twee jaar later). Daarom acht het hof deze rapporten minder relevant voor de periode waarover de beoordeling dient plaats te vinden, namelijk 18 maart 2020 tot 18, althans 27 september 2020. Bovendien komen deze rapporten op nagenoeg hetzelfde neer. Ook deze deskundigen hebben vastgesteld dat [appellant] met de nodige (werkplek)aanpassingen/voorzieningen gemiddeld ongeveer vier uur per dag, 20 uur per week kan werken met inachtneming van een pauze van een kwartier na elke 45 minuten. Beiden hebben voorts vermeld dat het handelingstempo van [appellant] als gevolg van de visuele beperking (aanmerkelijk) is vertraagd. [arbeidsdeskundige 5] heeft hierover in zijn rapport het volgende opgemerkt: “De heer [appellant] moet voor het behandelen van bezwaren veel gegevens lezen en deze vlot en adequaat verwerken in verschillende systemen. Hiervoor moet hij ook op het beeldschermwerk kijken en lezen/zoeken waar hij welke gegevens kwijt moet. Het handelingstempo ten aanzien van het zoeken en verwerken van gegevens (snelheid van bedienen toetsenbord) zal door het verlaagde leestempo minder hoog zijn.” [arbeidsdeskundige 5] heeft daarnaast in zijn rapport opgenomen dat uit een door [instantie 2] bij [appellant] afgenomen woordenleestest in december 2020 bleek dat, uitgaande van mbo-niveau, het leestempo van [appellant] met factor 1,2 was vertraagd. Als een van de te treffen voorzieningen wordt ook door [arbeidsdeskundige 5] afspraken over extra controle van de werkzaamheden van [appellant] genoemd. 6.17. Op basis van de voorliggende rapporten van de deskundigen kan niet worden geconcludeerd dat er in de voor de 26 weken relevante periode in het geheel geen benutbare mogelijkheden waren voor [appellant] bij de Belastingdienst zoals vastgesteld door arbeidsdeskundige [arbeidsdeskundige 3] op 6 juli 2019 (zie overweging 3.1.15). In september/oktober 2020 is immers vastgesteld dat [appellant] met optimale werkaanpassingen, waaronder de nodige pauzes en controle 4 uur per dag, 20 uur per week inzetbaar is voor de behandeling van eenvoudige bezwaarschriften. Dit betekent echter nog niet dat [appellant] binnen die periode in staat was om het eigen werk in aangepaste vorm te verrichten. Het hof is van oordeel dat dit niet het geval was en overweegt daartoe het volgende. 6.18.1. Het hof stelt in de eerste plaats vast dat de medische toestand van [appellant] in september/oktober 2020 niet gewijzigd was ten opzichte van die ten tijde van de toekenning van de IVA-uitkering in juni 2019 toen [appellant] 100 % arbeidsongeschikt werd beoordeeld. Zowel [verzekeringsgeneeskundige 1] als [verzekeringsgeneeskundige 2] hebben in hun rapportages vermeld dat uit informatie van de behandelend oogarts van [appellant] van 15 juli 2020 is gebleken dat de gezichtsscherpte stabiel bleef, maar dat de gezichtsvelden langzaam kleiner werden. Gelet op het verloop van de voorgaande jaren mag volgens [verzekeringsgeneeskundige 2] een zeer geleidelijke toename van de beperkingen worden verwacht. 6.18.2. Op basis van de rapportages van de deskundigen stelt het hof vervolgens vast dat [appellant] in oktober 2020 (en ook in december 2021/november 2022) door zijn visuele handicap niet volledig arbeidsgeschikt kon worden geacht voor de werkzaamheden in aangepaste vorm (de behandeling van eenvoudige bezwaarschriften gedurende 4 uur per dag, 20 uur per week). Het voornaamste knelpunt blijft het beeldschermwerk, terwijl de te verrichten werkzaamheden, ook in aangepaste vorm, voor 90 % hieruit bestaan. Uit de verschillende rapportages komt naar voren dat [appellant] in september/oktober 2020 ook met de geadviseerde werkaanpassingen en hulpmiddelen nog altijd een (aanmerkelijk) lager handelingstempo had. Als gevolg van zijn visuele handicap kostte het lezen [appellant] meer tijd. Daarnaast kost het schrijven van beschikkingen en brieven en het schakelen tussen een groot aantal systemen en het zoeken en verwerken van gegevens in die systemen extra tijd. Overigens betwist [appellant] ook niet dat hij als gevolg van zijn visuele handicap een lager werktempo heeft. 6.18.3. Uit de verschillende rapportages (die over de periode september/oktober 2020 en ook die over de periode december 2021/november 2022) komt daarnaast naar voren dat controle van het werk van [appellant] nodig wordt geacht om fouten als gevolg van de visuele beperking te voorkomen. Tussen partijen is niet in geschil dat voor de behandeling van bezwaarschriften wettelijke termijnen gelden en zeer zorgvuldig moet worden gewerkt, ook in verband met juridische gevolgen. Weliswaar is ter zitting gebleken dat afwijzende beslissingen op bezwaarschriften altijd door collega’s worden gecontroleerd (‘tegengelezen’), maar het hof begrijpt de deskundigen aldus dat al het werk van [appellant] extra moet worden gecontroleerd (zie bijvoorbeeld de opmerking van [arbeidsdeskundige 5] dat afspraken moeten worden gemaakt over eventuele controle van de werkzaamheden, zowel binnen het bestaande beleid als extra controles). Dit legt een extra belasting op de andere medewerkers. Naar verwachting zou ook hierdoor productieverlies zijn opgetreden, terwijl onweersproken vast staat dat de werkdruk bij de Belastingdienst destijds erg hoog was (en nog steeds is). Bovendien is niet duidelijk hoe lang de controle van de werkzaamheden nodig zou zijn geweest, laat staan of [appellant] op enig moment zonder controle door anderen zijn werkzaamheden had kunnen uitvoeren, mede gezien het groot aantal verschillende computersystemen waarmee [appellant] diende te werken. Daar komt bij dat [appellant] op het moment dat zijn arbeidsovereenkomst werd beëindigd (maart 2020) al geruime tijd niet meer had gewerkt (sinds zijn uitval in december 2018) en bepaalde computerprogramma’s waren gewijzigd. Verder heeft arbeidsdeskundige [arbeidsdeskundige 4] vastgesteld dat [appellant] bij problemen direct moet kunnen terugvallen op een collega of leidinggevende. Ook dit legt beslag op andere medewerkers van de Belastingdienst, nog los van het feit dat - ook volgens [appellant] - een bezwaarbehandelaar zijn functie in beginsel zelfstandig uitvoert. 6.18.4. Gebleken is dat de loonwaarde van de werkzaamheden van [appellant] in aangepaste vorm (het behandelen van eenvoudige bezwaarschriften gedurende 4 uur per dag/20 uur per week) niet kan worden vastgesteld, althans niet zonder dat [appellant] dergelijke werkzaamheden minimaal drie maanden heeft uitgevoerd. De door de kantonrechter benoemde loonwaardedeskundige heeft heel globaal en met de nodige voorbehouden de loonwaarde van [appellant] na doorvoering van alle geadviseerde aanpassingen/voorzieningen geschat op 27,34 % tot 72,91 %, afhankelijk van de kwaliteit die [appellant] daadwerkelijk zou kunnen genereren. De kwaliteit van het werk van [appellant] bleek echter niet vooraf vast te stellen en is in discussie tussen partijen. Daarnaast staan de uitgangspunten die de loonwaardedeskundige heeft gehanteerd bij de schatting van de loonwaarde tussen partijen ter discussie. 6.19. Op basis van voormelde feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, komt het hof tot de slotsom dat [appellant] niet binnen 26 weken de bedongen arbeid in aangepaste vorm kon verrichten. Gelet op bovengenoemde knelpunten en onzekere factoren kon dat in ieder geval niet zonder inspanningen die in redelijkheid niet van de Belastingdienst konden worden gevergd. 6.20. De omstandigheid dat de chronische oogaandoening van [appellant] kan worden aangemerkt als een handicap of chronische ziekte zoals bedoeld in de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte (WGBH/CZ) maakt het voorgaande niet anders. Op grond van artikel 2 lid 1 WGBH/CZ is een werkgever verplicht passende maatregelen te treffen om een werknemer met een handicap in staat te stellen toegang te hebben tot arbeid. Echter ook in het geval van een werknemer met een handicap moet het bij herplaatsing in een passende functie gaan om een functie waarvan de werknemer de essentiële taken kan verrichten en waarvoor hij de vereiste bekwaamheid en capaciteit bezit en moet de aanpassing van de functie niet onevenredig belastend zijn voor de werkgever. Uit wat hiervoor is overwogen, volgt dat hiervan in het geval van [appellant] geen sprake was: de maatregelen die nodig zijn om de functie aan te passen zijn onevenredig en kunnen gezien de beperkingen van [appellant] in redelijkheid niet van de Belastingdienst worden gevergd. Slotsom: geen herstel arbeidsovereenkomst 6.21. Uit het bovenstaande volgt dat aan alle voorwaarden uit artikel 7:669 lid 3 onder b BW is voldaan en dat het primaire verzoek van [appellant] tot herstel van de arbeidsovereenkomst niet kan worden toegewezen. Grieven 2 tot en met 10 (de laatste voor zover deze betrekking heeft op het primaire verzoek tot herstel) falen dus. Dit betekent dat het hof niet toekomt aan de beoordeling van de (subsidiair ingestelde) voorwaardelijke verzoeken van de Belastingdienst zoals geformuleerd onder r.o. 5.2.2. Billijke vergoeding 6.22. [appellant] verzoekt subsidiair om toekenning van een billijke vergoeding. Hierop ziet grief 10 deels. [appellant] legt aan dit verzoek, kort samengevat, ten grondslag dat de Belastingdienst tegenover hem ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, omdat de Belastingdienst niet heeft voldaan aan zijn re-integratieverplichtingen, nooit iets heeft gedaan met de door [instantie 1] en [instantie 2] gegeven adviezen over de aanpassingen van de werkplek en nagelaten heeft te onderzoeken of [appellant] met de optimale aanpassingen en voorzieningen kon worden geplaatst in zijn eigen werk in aangepaste vorm. De Belastingdienst betwist ernstig verwijtbaar te hebben gehandeld. 6.23. Het hof stelt het volgende voorop. Op grond van artikel 7:682 lid 1 aanhef en onder c BW kan aan de werknemer van wie het dienstverband is opgezegd na twee jaar ziekte een billijke vergoeding worden toegekend, indien de opzegging het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Voor toekenning van een billijke vergoeding is alleen aanleiding in uitzonderlijke situaties, waarbij het ernstig handelen of nalaten van de werkgever evident is (zie PHR 8 november 2019, ECLI:NL:PHR:2019:772 onder 3.24). In de wetsgeschiedenis wordt onder meer als voorbeeld genoemd de situatie waarin een werknemer arbeidsongeschikt is geworden (en uiteindelijk wordt ontslagen) als gevolg van verwijtbaar onvoldoende zorg van de werkgever voor de arbeidsomstandigheden (Kamerstukken II, 2013-2014, 33818, nr, 3, pag. 34). Niet is vereist dat een oorzakelijk verband bestaat tussen de langdurige arbeidsongeschiktheid van de werknemer en het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. De werknemer hoeft met andere woorden niet ook aan te tonen dat hij arbeidsongeschikt is geworden door dat ernstig verwijtbaar handelen of nalaten (Kamerstukken I 2013-2014, 33 818, C (MvA), p. 113). Beoordeeld dient te worden of (in dit geval) de opzegging is toe te rekenen aan het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. 6.24. Uit wat hiervoor met betrekking tot de grieven 2 tot en met 9 is overwogen, volgt dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst tussen partijen door de Belastingdienst het gevolg is van arbeidsongeschiktheid van [appellant] zonder zicht op herstel voor het eigen werk (in aangepaste vorm) binnen 26 weken. Hoewel vast staat dat de Belastingdienst niet alle door [instantie 1] en [instantie 2] geadviseerde aanpassingen van de werkplek heeft doorgevoerd (het advies was de verlichting aan te passen), is daarmee geen sprake van ernstig verwijtbaar handelen. Onweersproken staat vast dat [appellant] sinds zijn gedeeltelijke ziekmelding vier dagen per week mocht thuiswerken, dat hij werd vrijgesteld van taken en alleen nog belast werd met de behandeling van de eenvoudigere bezwaarzaken, dat zijn werk werd gecontroleerd en dat aan hem een spraakherkenningsprogramma ter beschikking is gesteld. In dit kader acht het hof aannemelijk dat de Belastingdienst ook de verlichting zou hebben aangepast, indien het belang daarvan voldoende duidelijk was geweest. Van dat laatste is echter niet gebleken en kennelijk heeft ook [appellant] zelf daarop niet (voldoende) aangedrongen. Arbeidsdeskundige [arbeidsdeskundige 2] van het UWV heeft op 5 december 2018 geconcludeerd dat de re-integratie-inspanningen van de Belastingdienst niet voldoende waren, maar dat was enkel omdat een eerdere loonwaardebepaling was gebaseerd op mededelingen van partijen. Dit is bovendien later hersteld. Verder is, zoals al overwogen, door het UWV aan [appellant] op diens eigen verzoek vervroegd (met ingang van 1 juni 2019) een IVA-uitkering toegekend op grond van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid. Re-integratieverplichtingen van de werkgever zijn in dat geval bij gebreke aan benutbare mogelijkheden in beginsel niet aan de orde. [appellant] heeft op dat moment ook niet verzocht om werk (eigen werk in aangepaste vorm of ander passend werk) te mogen verrichten, zodat er voor de Belastingdienst geen aanleiding bestond op dat vlak inspanningen te verrichten. Uit de stukken, met name de brief van de oogarts van 23 januari 2020, de e-mail van re-integratiemanager [betrokkene 2] van de Belastingdienst van 1 april 2020 en de e-mail van [betrokkene 1] van 21 april 2020, volgt dat [appellant] heeft gevraagd naar mogelijkheden om naast zijn IVA-uitkering zijn kennis in te zetten voor de Belastingdienst als zinvolle dagbesteding en om actief te blijven in de samenleving. Dat is iets anders dan eigen werk in aangepaste vorm in de zin van de wet. Bovendien zou een onderzoek naar mogelijkheden voor aangepast werk niet tot het door [appellant] gewenste resultaat hebben geleid. Hiervoor is immers vastgesteld dat ook met optimale werkaanpassingen herplaatsing van [appellant] in het eigen werk in aangepaste vorm geen reële optie was. 6.25. Op grond van het voorgaande komt het hof tot de conclusie dat geen sprake is van feiten en omstandigheden die kunnen worden aangemerkt als ernstig verwijtbaar handelen van de Belastingdienst zoals bedoeld in artikel 7:682 lid 1 onder c BW. Er bestaat dan ook geen grond om aan [appellant] een billijke vergoeding toe te kennen. Grief 10 treft in zoverre dus evenmin doel. Bewijsaanbod 6.26. [appellant] biedt bewijs aan. Aan bewijslevering wordt echter niet toegekomen, omdat geen bewijs wordt aangeboden van feiten en omstandigheden die, indien bewezen, tot een ander oordeel zouden kunnen leiden. Proceskosten eerste aanleg 6.27. Gelet op wat hiervoor is overwogen, heeft de kantonrechter [appellant] terecht in de proceskosten veroordeeld. Grief 11 faalt derhalve, net zoals de algemene veeggrief 12, die geen zelfstandige betekenis heeft. Incidenteel hoger beroep 6.28. De grief van de Belastingdienst in incidenteel hoger beroep houdt in dat de kantonrechter ten onrechte de formele rechtskracht van de IVA-beslissing van het UWV van 7 juni 2019 heeft miskend en zelfstandig heeft beoordeeld of [appellant] binnen 26 weken in staat was het eigen werk in aangepaste vorm te verrichten. Uit wat is overwogen onder r.o. 6.13 volgt dat deze grief faalt. 7De slotsom 7.1. Nu alle grieven in het principaal hoger beroep falen, zullen de bestreden beschikkingen worden bekrachtigd. 7.2. [appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het principaal hoger beroep. Deze kosten zullen aan de zijde van de Belastingdienst worden vastgesteld op: - griffierecht: € 798,00 - salaris advocaat: € 2.428,00 (2 punten maal liquidatietarief II) - nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals in het dictum vermeld) totaal: € 3.404,00 De door de Belastingdienst gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 7.3. De Belastingdienst zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het incidenteel hoger beroep. Deze kosten zullen aan de zijde van [appellant] worden vastgesteld op: - salaris advocaat: € 607,00 (1 punt maal liquidatietarief II x 0,5) - nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals in het dictum vermeld) Totaal: € 785,00 8De beslissing Het hof: in principaal en incidenteel hoger beroep: bekrachtigt de bestreden beschikkingen van de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, van 30 december 2020, 24 februari 2021, 28 april 2022 en 14 mei 2024; veroordeelt [appellant] in de kosten van het principaal hoger beroep, aan de zijde van de Belastingdienst vastgesteld op € 3.404,00, te betalen binnen veertien dagen na de datum van deze beschikking en, als [appellant] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend, te vermeerderen met € 92,00 en de kosten van betekening; veroordeelt de Belastingdienst in de kosten van het incidenteel hoger beroep, aan de zijde van [appellant] vastgesteld op € 785,00, te betalen binnen veertien dagen na de datum van deze beschikking en, als de Belastingdienst niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend, te vermeerderen met € 92,00 en de kosten van betekening; verklaart bovengenoemde veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad; wijst af het meer of anders verzochte. Deze beschikking is gegeven door mrs. A.L. Bervoets, M. van der Schoor en J.L. Voorink en is in het openbaar uitgesproken op 27 februari 2025.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.