GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.332.185/01 arrest van 4 maart 2025 in de zaak van AM B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , appellante, hierna aan te duiden als AM, advocaat: mr. H.H.T. Beukers te Eindhoven, tegen 1Assurantiekantoor [XX] V.O.F. (in liquidatie),gevestigd te [vestigingsplaats] , [gemeente A], 2. Assurantiekantoor [XX] B.V.,gevestigd te [vestigingsplaats] , 3. [geïntimeerde sub 3] ,wonende te [woonplaats] , [gemeente B], geïntimeerden, hierna aan te duiden als [XX] VOF, [XX] BV en [geïntimeerde sub 3] en gezamenlijk als [geïntimeerden] , advocaat: mr. M.C. Franken-Schoemaker te Houten, op het bij exploot van dagvaarding van 2 juni 2023 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 8 maart 2023, door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, gewezen tussen AM als eiseres en [geïntimeerden] als gedaagden. 1Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/03/297593 / HA ZA 21-536) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis. 2Het geding in hoger beroep Het verloop van de procedure blijkt uit: de memorie van grieven met producties; de memorie van antwoord met producties; de mondelinge behandeling, waarbij partijen spreekaantekeningen hebben overgelegd; de bij H12-formulier door AM toegezonden producties 39 tot en met 41 die bij de mondelinge behandeling bij akte in het geding zijn gebracht. Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. 3De beoordeling 3.1. De navolgende door de rechtbank vastgestelde feiten vormen ook in hoger beroep het uitgangspunt. 3.2.1. AM exploiteert een beveiligingsbedrijf met particuliere alarmcentrale. 3.2.2. De vennoten Assurantiekantoor [XX] B.V. (geïntimeerde onder 2) en [geïntimeerde sub 3] (geïntimeerde onder 3) hadden samen een assurantiekantoor in de vorm van een vof. De vof is per 31 december 2015 ontbonden. De vof heeft een deel van haar activiteiten (de backoffice) inmiddels ondergebracht bij SAA verzekeringen BV, verder SAA. 3.2.3. AM moet als alarmmeldkamer onder meer voldoen aan de certificeringseisen voor alarmmeldkamers, geheten de “Regeling BORG Particuliere Alarmcentrale”, verder: de Borgregeling. Een van de voorwaarden voor de certificering is het afsluiten van een bedrijfsaansprakelijkheidsverzekering met een verzekerde som van minimaal € 450.000,00 per gebeurtenis. 3.2.4. Op advies van [geïntimeerden] heeft AM een aansprakelijkheidsverzekering bij Nationale Nederlanden (hierna: NN) afgesloten. Blijkens het “Polisblad aansprakelijkheidsverzekering” van 1 januari 2012 en het “Aanhangsel Aansprakelijkheidsverzekering” van 1 januari 2015 bedroeg het verzekerde bedrag maximaal € 1.250.000 per aanspraak en de premie vanaf 1 januari 2015 € 100,57 per jaar, waarbij werd uitgegaan van een jaaromzet van AM van € 117.000,00 (zie de laatste twee bladzijdes van productie 6 bij dagvaarding eerste aanleg). Op de polis staat dat de verzekeringsvoorwaarden “volgens polismantel 542-04” gelden en als “bijzondere voorwaarde" staat op het polisblad vermeld: “754 niet gedekt is de aansprakelijkheid voor schade in verband met fouten, onvolkomenheden en/of gebreken in ontwerpen, tekeningen, berekeningen, adviezen, begrotingen, onderzoek-, keurings- en/of inspectierapporten, certificaten, metingen, presentaties, gebruiksaanwijzingen, vertalingen en/of uitgegeven media, zoals boeken, CD-ROM's en DVD‘s dan wel in het houden van toezicht en/of direc- tievoering.” 3.2.5. AM is in november 2015 aansprakelijk gesteld door [persoon A] , een van haar klan- ten, omdat de cameracentralist van AM de diefstal van een forse hoeveelheid koper op het terrein van [persoon A] niet had opgemerkt. [persoon A] vorderde als schade de waarde van het gestolen koper. AM heeft deze claim doorgestuurd naar SAA voornoemd. SAA schrijft na terugkoppeling met de verzekeraar NN in haar brief van 10 december 2015 aan AM: “(...) Polisdekking Wij hebben AM BV verzekerd in de hoedanigheid van alarmmeldkamer. De premie is € 100,00 per jaar exclusief assurantiekosten. Op basis van de premie en voorwaarden kan gesteld worden dat er sprake is van een zogenaamde kantoordekking. Op de polis is dit ook geregeld via de bijzondere voorwaarden 754. In deze voorwaarde is kort gezegd het be- roepsrisico dat voortvloeit uit het uitoefenen van een alarmmeldkamer uitgesloten. Indien verzekerde - zoals nu - wordt aangesproken voor het feit dat hij de opdracht niet goed heeft uitgevoerd dan biedt de polis geen dekking. In dit artikel is dit mede beschreven door dat de aansprakelijkheid voor toezicht houden niet is gedekt. Nu polisdekking ontbreekt zullen wij de schade niet verder behandelen. (...) We spraken vervolgens met [geïntimeerde sub 3] die ons bevestigde dat "slechts" een kantoordek- king werd verzekerd na overleg met u. (...).” 3.2.6. [persoon A] heeft een procedure tegen AM gevoerd ter verkrijging van schadever- goeding. Nadat de rechtbank Limburg, locatie Roermond bij vonnis van 18 oktober 2017 de vordering had afgewezen heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch bij tussenarrest van 23 juni 2020 geoordeeld dat AM in ernstige mate tekort was geschoten in haar verplichtingen uit hoofde van de dienstverleningsovereenkomst, waarbij de mate van verwijtbaarheid is te kwalificeren als aan opzet grenzende schuld en derhalve als grove schuld. Vervolgens hebben partijen in die zaak een schikking getroffen. Blijkens het proces-verbaal van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 26 januari 2021 zijn partijen overeengekomen dat AM tegen finale kwijting aan [persoon A] een bedrag betaalt van € 79.000,00. 3.2.7. AM had inmiddels NN op 13 november 2020 gedagvaard om verzekeringsdekking voor de door haar geleden schade af te dwingen. Deze procedure is op 25 juni 2021 met gesloten beurzen doorgehaald. Thans vordert AM de door haar geleden schade van [geïntimeerden] De procedure bij de rechtbank 3.3.1. In de onderhavige procedure vorderde AM in eerste aanleg om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: 1. voor recht te verklaren dat [XX] VOF, [XX] BV en/of [geïntimeerde sub 3] , zijn tekortgeschoten in de nakoming van hun zorgplicht ter zake het aan AM in 2011 en 2012 gegeven assurantieadvies, dan wel uit dien hoofde onrechtmatig hebben gehandeld; 2. [geïntimeerden] hoofdelijk, althans één of meerdere van hen, te veroordelen tot betaling aan AM van € 137.422,96, te vermeerderen met de wettelijke rente, primair vanaf het moment dat NN dekking afwees op 10 december 2015, subsidiair vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening; 3. [geïntimeerden] hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan AM van € 1.893,65 ten titel van buitengerechtelijke (incasso)kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening; 4. [geïntimeerden] hoofdelijk te veroordelen in de kosten van de procedure, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en, indien voldoening binnen die termijn uitblijft, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na dagtekening van het vonnis. 3.3.2. Aan deze vordering heeft AM, kort samengevat, ten grondslag gelegd dat de door [XX] geadviseerde polis en door AM afgesloten polis beperkt was tot een zogenaamde ‘kantoordekking’ en niet voldeed aan de destijds geldende verplichte Borgregeling. Volgens AM was haar voorgehouden, althans mocht zij verwachten dat de polis een bedrijfsaansprakelijkheidsverzekering betrof die ook dekking zou bieden ter zake de claim van [persoon A] waarvoor AM een beroep op de verzekering deed. 3.3.3. [geïntimeerden] hebben gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen. 3.3.4. In het vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de vordering van AM afgewezen met veroordeling van AM in de proceskosten te vermeerderen met wettelijke rente. De procedure in hoger beroep 3.4. AM komt in hoger beroep op tegen de beperkte feitenvaststelling door de rechtbank. Daarnaast voert AM in hoger beroep zeven grieven aan. AM concludeert tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, toewijzen van haar vorderingen, zo nodig onder verbetering of aanvulling van gronden. Tevens vordert AM [geïntimeerden] te veroordelen tot terugbetaling van hetgeen AM ter uitvoering van het vonnis heeft voldaan, zijnde € 8.306,-, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf de dag van betaling, zijnde 28 maart 2023, tot aan de dag van restitutie. Tot slot vordert AM veroordeling van [geïntimeerden] in de proceskosten van beide instanties, te vermeerderen met de wettelijke rente. 3.5. [geïntimeerden] voeren gemotiveerd verweer en concluderen tot afwijzing van de vorderingen van AM met veroordeling van AM in de kosten van de procedure, te vermeerderen met wettelijke rente. De beoordeling van de grieven 3.6. AM betoogt dat de rechtbank in de vaststelling van de feiten erg beperkt is geweest en dat essentiële gebeurtenissen niet staan vermeld, zoals de inhoud van de vraagstelling van AM aan [geïntimeerden] , het e-mailbericht van 13 januari 2011 van NN aan [XX] VOF en de reden waarom [geïntimeerden] de procedure tegen NN hebben gestaakt. De rechtbank heeft in haar vonnis de feiten vastgesteld die zij voor haar beoordeling van belang achtte. Daarbij zijn alleen feiten meegenomen die tussen partijen vaststaan. Zoals onder rechtsoverweging 3.2.1. is weergegeven vormen ook voor het hof deze feiten in hoger beroep het uitgangspunt. Voor zover meer of andere feiten voor de beoordeling relevant blijken te zijn worden die in de navolgende beoordeling behandeld. 3.7. AM voert in grieven 2, 3 en 5 tot en met 7 - in de kern - aan dat [geïntimeerden] zijn tekortgeschoten in de nakoming van hun werkzaamheden als assurantietussenpersoon bij het afsluiten van een adequate bedrijfsaansprakelijkheidsverzekering. Volgens AM is door [geïntimeerden] een beroepsfout gemaakt en zou AM in de hypothetische situatie zonder beroepsfout wel verzekerd zijn geweest voor fouten van AM in de uitoefening van haar bedrijf. In de periode 2011 tot en met 2015 was het mogelijk voor AM om een adequate bedrijfsaansprakelijkheidsverzekering af te sluiten die dekking zou bieden voor de vordering van [persoon A] op AM en de gemaakte kosten (van rechtsbijstand), aldus AM. 3.8. Ter toelichting op deze grieven voert AM aan dat zij een verzekering wenste om haar bedrijfsaansprakelijkheidsrisico’s af te dekken en omdat een bedrijfsaansprakelijkheids-verzekering verplicht was vanuit de BORG-regeling. [geïntimeerden] hebben ten onrechte AM niet geïnformeerd over het e-mailbericht van 13 januari 2011 van NN aan [XX] VOF waarin melding is gemaakt van een ‘kale kantoordekking’. [geïntimeerden] hebben hun zorgplicht geschonden door een polis te adviseren met slechts een beperkte dekking, zonder dat AM van die beperkte dekking op de hoogte was, aldus AM. Op basis van de tekst van de polis en de premiehoogte behoefde AM niet te verwachten dat sprake was van een beperktere dekking dan zij wenste en verlangde. Dat indertijd het bedrijfsrisico in de door haar voorgestelde zin wel verzekerbaar was volgt volgens AM uit de offerte van Allianz (productie 3 bij dagvaarding, eerste aanleg), uit het e-mailbericht van de heer P. Voshol van KIWA van 14 oktober 2022 en uit de indertijd geldende polisvoorwaarden van andere verzekeraars. 3.9. Het hof stelt het volgende voorop. Een assurantietussenpersoon dient tegenover zijn opdrachtgever op grond van artikel 7:401 BW de zorg te betrachten die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend beroepsgenoot mag worden verwacht. De precieze reikwijdte van de zorgplicht is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, met name van de aard en inhoud van de opdracht en de belangen van de opdrachtgever voor zover die kenbaar zijn voor de assurantietussenpersoon. De stelplicht en bewijslast ten aanzien van feiten en omstandigheden die een beroep op schending van de zorgplicht kunnen opleveren, rusten op grond van de hoofdregel van artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) op degene die zich op de rechtsgevolgen van die schending beroept, te weten AM. Dit betekent dat AM voor toewijzing van haar vorderingen concrete feiten en omstandigheden dient aan te dragen op basis waarvan het hof kan oordelen dat sprake is van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.