← Nederland

ECLI:NL:GHSHE:2025:600

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Meervoudige Belastingkamer Nummer: 24/179 Uitspraak op het hoger beroep van [belanghebbende] , wonend in [woonplaats] , hierna: belanghebbende, tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 19 december 2023, nummer BRE 21/3496, in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst, hierna: de inspecteur. 1Ontstaan en loop van het geding 1.

  1. Aan belanghebbende is een teruggaaf verleend van op aangifte betaalde belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: Bpm). 1.
  2. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar kennelijk ongegrond verklaard. 1.
  3. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. 1.
  4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend 1.
  5. De zitting heeft plaatsgevonden op 12 februari 2025 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] , [inspecteur 2] en [inspecteur 3] . 1.
  6. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten. 2Feiten 2.
  7. Op 6 augustus 2020 is een Rolls-Royce Dawn met kenteken [kenteken] (hierna: de auto) in Nederland geregistreerd in het kentekenregister. Ter zake van de registratie is € 30.339 aan Bpm op aangifte voldaan. 2.
  8. Op 19 maart 2021 is de tenaamstelling van de auto in het Nederlandse kentekenregister beëindigd, omdat de auto buiten Nederland is gebracht en in Duitsland is geregistreerd. 2.
  9. Op 21 maart 2021 heeft belanghebbende om een teruggaaf van Bpm verzocht wegens export voor een bedrag van € 25.
  10. Vervolgens heeft de inspecteur de teruggaafbeschikking conform dit verzoek afgegeven. 2.
  11. In het proces-verbaal van de rechtbank staat het volgende: “De gemachtigde verklaart: - Mijn enige verzoek is om de zaak aan te houden. Als de rechtbank beslist dat de zaak niet wordt aangehouden, dan is het beroep ongegrond.” 3Geschil en conclusies van partijen 3.
  12. Het geschil betreft het antwoord op de vraag of belanghebbende in aanmerking komt voor een hogere teruggaaf van Bpm. 3.
  13. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en een teruggaaf van € 29.
  14. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank. 4Gronden Ten aanzien van het geschil 4.
  15. Belanghebbende heeft voor het eerst in hoger beroep gesteld dat de teruggaaf Bpm tot een te laag bedrag is verleend en de teruggaaf in strijd is met artikel 110 VWEU. 4.
  16. De inspecteur stelt dat het voor het eerst in hoger beroep aanvoeren van deze beroepsgrond niet mogelijk is, dan wel in strijd is met een goede procesorde en/of proceseconomie. De inspecteur stelt dat belanghebbende deze beroepsgrond uitdrukkelijk heeft prijsgegeven. 4.
  17. Het staat een partij vrij in hoger beroep nieuwe beroepsgronden, argumenten en bewijsmiddelen aan te voeren. Dit is slechts anders voor zover het desbetreffende standpunt ondubbelzinnig is prijsgegeven, dan wel wordt aangevoerd onder zodanige omstandigheden dat behandeling ervan zou leiden tot inbreuk op een goede procesorde. 4.
  18. Het hof stelt vast dat de teruggaaf is verleend tot het bedrag waarom belanghebbende heeft verzocht en dat belanghebbende zowel in de bezwaar- als in de beroepsprocedure niet heeft gesteld dat de teruggaaf tot een te laag bedrag is verleend. Integendeel, belanghebbende heeft bij de rechtbank juist uitdrukkelijk verklaard dat zijn enige verzoek was om de zaak aan te houden en dat anders het beroep ongegrond is (zie 2.4). Uit dit samenstel van feiten en omstandigheden kan geen andere conclusie worden getrokken dan dat belanghebbende het standpunt dat de teruggaaf Bpm tot een te laag bedrag is verleend uitdrukkelijk en ondubbelzinnig heeft prijsgegeven, althans uitdrukkelijk heeft afgezien om een dergelijk standpunt in te nemen. Tussenconclusie 4.
  19. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is. Ten aanzien van het griffierecht 4.
  20. Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden. Ten aanzien van de proceskosten 4.
  21. Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht. 5Beslissing Het hof: verklaart het hoger beroep ongegrond; bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De uitspraak is gedaan door L.B.M. Klein Tank, voorzitter, T.A. Gladpootjes en W.A. Sijberden, in tegenwoordigheid van A.S. van Middelkoop, als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 maart 2025 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst. De griffier, De voorzitter, A.S. van Middelkoop L.B.M. Klein Tank Het aanwenden van een rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl. Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen: Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd. (Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: de naam en het adres van de indiener; de dagtekening; een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; e gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten. Vgl. Hoge Raad 10 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO6786.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.