GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH Team familie- en jeugdrecht Uitspraak: 6 maart 2025 Zaaknummer: 200.342.869/01 Zaaknummer eerste aanleg: C/03/300199 / FA RK 21-5042 in de zaak in hoger beroep van: [de moeder] , wonende te [woonplaats] , verzoekster in hoger beroep, hierna te noemen: de moeder, advocaat: mr. M.A. Ploemen, tegen [de vader] , wonende te [woonplaats] , verweerder in hoger beroep, hierna te noemen: de moeder, advocaat: voorheen mr. P.M.J. Wetzels, thans mr. F.H. Kuiper. Deze zaak gaat over: [minderjarige 1] (hierna: [minderjarige 1] ), geboren op [geboortedatum] 2018 te [geboorteplaats] ; [minderjarige 2] (hierna: [minderjarige 2] ), geboren op [geboortedatum] 2021 te [geboorteplaats] . In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend: de Raad voor de Kinderbescherming, locatie: [locatie] , hierna te noemen: de raad. In deze zaak is als informant aangemerkt: Bureau Jeugdzorg Limburg, kantoorhoudende te [kantoorplaats] , hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI). 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 22 maart 2024 uitgesproken onder voormeld zaaknummer. 2Het geding in hoger beroep 2.
- Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 22 juni 2024, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en het verzoek van de vader tot verkrijging van het gezamenlijk gezag alsnog af te wijzen als ongegrond en/of onbewezen. 2.
- Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 16 oktober 2024, heeft de vader verzocht het door de moeder ingestelde hoger beroep af te wijzen, met veroordeling van de moeder in de kosten van dit geding. 2.
- De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 28 januari
- Bij die gelegenheid zijn gehoord: - de moeder, bijgestaan door mr. Ploemen; -de vader, bijgestaan door mr. Wetzels; - de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] ; - de GI, als informant, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI 1] en [vertegenwoordiger van de GI 2] . 2.
- Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van het V8-formulier met bijlage van de advocaat van de moeder van 27 januari
- 3De beoordeling 3.
- Partijen hebben tot medio 2021 een affectieve relatie met elkaar gehad. Uit de relatie van partijen zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geboren: De vader heeft de kinderen erkend. De moeder oefent van rechtswege het gezag over de kinderen uit. 3.
- Bij beschikking van 2 februari 2022 (C/03/3002238 / FA RK 21-5060) heeft de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, een voorlopige contactregeling tussen de vader en de kinderen en een informatieregeling vastgesteld. 3.
- In de (bodem)procedure in eerste aanleg heeft de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht bij beschikking van 4 februari 2022 de raad verzocht een onderzoek te verrichten en te adviseren met betrekking tot - kort gezegd - het gezamenlijk gezag en de omgangsregeling c.q. zorgregeling. Daarbij heeft de rechtbank iedere verdere beslissing op de verzoeken van de vader aangehouden in afwachting van het onderzoek en het advies van de raad. 3.
- De raad heeft zijn onderzoek uitgebreid naar een beschermingsonderzoek. De raad heeft rapport uitgebracht op 4 november
- De raad heeft geadviseerd de beslissing op het verzoek omtrent het gezag aan te houden, een contactregeling tussen [minderjarige 1] en de vader vast te stellen, een BOR-II regeling tussen de vader en [minderjarige 2] vast te stellen en een definitieve beslissing over het contact tussen de vader en [minderjarige 2] en aan te houden. Tevens heeft de raad verzocht de kinderen voor de duur van negen maanden onder toezicht te stellen van de GI. 3.
- Bij beschikking van 23 november 2022 (C/03/311075 / JE RK 22-1935) heeft de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht de kinderen onder toezicht gesteld van de GI. Deze ondertoezichtstelling is laatstelijk verlengd tot 23 augustus
- 3.
- Bij beschikking van 3 februari 2023 heeft de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht: een contactregeling tussen [minderjarige 1] en de vader vastgesteld; een voorlopige omgangsregeling tussen [minderjarige 2] en de vader vastgesteld, waarbij de vader en [minderjarige 2] recht hebben op contact met elkaar in het kader van een BOR II-traject, onder professionele begeleiding van een jeugdhulpaanbieder waarbij de invulling van het BOR-traject is overgelaten aan de betreffende jeugdhulp-aanbieder, voor de duur van acht maanden, te rekenen vanaf de datum van deze beschikking; de raad verzocht uiterlijk op 3 oktober 2023 (pro forma) het eindverslag van de jeugdhulpaanbieder omtrent het BOR-traject bij de rechtbank in te dienen en de raad opdracht gegeven om, indien mogelijk definitief, advies uit te brengen over de vraag welke omgangsregeling c.q. zorgregeling in het belang van [minderjarige 2] is naar aanleiding van het eindverslag van de BOR-instantie alsook over de vraag of toewijzing van het verzoek van de vader tot gezamenlijk gezag in strijd is met het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ; iedere verdere beslissing op de verzoeken van de vader met betrekking tot het gezamenlijk gezag en de omgangregeling c.q. zorgregeling tussen de vader en [minderjarige 2] aangehouden. 3.
- Bij brief van 7 september 2023 heeft de raad het eindverslag van het BOR II-traject doen toekomen aan de rechtbank en aangekondigd een vervolgonderzoek te zullen instellen. 3.
- De raad heeft zijn nadere rapport uitgebracht op 2 november
- 3.
- Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, uitvoerbaar bij voorraad, voor zover thans van belang en kort weergegeven: de vader en de moeder belast met het gezamenlijk gezag over de kinderen; het hoofdverblijf van de kinderen bij de moeder bepaald; een (nadere) regeling inzake het contact tussen de vader en [minderjarige 2] en [minderjarige 1] in het kader van verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen ouders vastgesteld, zoals in die beschikking is weergegeven; het meer of anders verzochte afgewezen. 3.
- De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen, voor zover het de beslissing over het gezag betreft, en zij is hiervan in hoger beroep gekomen. 3.
- De moeder voert - samengevat - het volgende aan. De rechtbank had in haar beoordeling moeten betrekken dat de kinderen onder toezicht zijn gesteld omdat zij ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd doordat de ouders niet op gelijk niveau met elkaar kunnen omgaan en de kinderen daardoor klem zitten tussen de ouders. Gezamenlijk gezag is absoluut niet in het belang van de kinderen omdat zij dan nog verder klem en verloren zullen raken. Verder is een subjectieve maatstaf, te weten de wens van de vader, leidend geweest bij de beoordeling van het verzoek. Wensen van ouders zijn in iedere familiezaak invoelbaar, maar dienen nooit van doorslaggevende betekenis te zijn. Ook is de noodzaak van het creëren van een gelijkwaardige positie van beide ouders, niet het criterium waaraan getoetst moet worden; beoordeeld moet worden wat in het belang van de kinderen is. De communicatie tussen ouders ontbreekt vrijwel volledig en het vertrouwen van de moeder in de vader is nog steeds beschadigd. Er is een ernstige verstoorde ouderrelatie, die zowel tijdens de relatie als daarna gekenmerkt wordt door een heftige en expressieve dynamiek tussen partijen. De escalaties die hebben plaatsgevonden tussen ouders hebben geleid tot een posttraumatische stressstoornis bij de moeder. De communicatieproblemen tussen de ouders verstoren de ontwikkeling van een stabiele hechtingsrelatie bij de kinderen en staan in de weg aan een constructieve samenwerkingsrelatie. Uit het raadsrapport blijkt ook duidelijk dat de voor gezamenlijk gezag benodigde (minimale) communicatie en samenwerking op ouderniveau in zijn geheel ontbreekt. De risico’s op parentificatie, ontwikkeling van een onveilige hechtingsstijl, een loyaliteitsconflict en een verstoorde sociaal-emotionele ontwikkeling, hebben zich inmiddels gerealiseerd. Ondanks intensieve inzet van diverse hulpverleningsinstanties en de regie vanuit de ondertoezichtstelling zijn de ernstige verstoorde omgangs- en communicatiepatronen niet omgebogen tot de voor gezag vereiste minimale communicatie en samenwerking. Door te overwegen dat het op de weg ligt van de ouders om met hulp van [instantie] een constructie te vinden om hun ouderschap, ieder op hun manier en zonder dat de kinderen klem komen te zitten, in te vullen, miskent de rechtbank dat de kinderen al sinds 2019 in een klempositie zitten. Dat de ouders meewerken aan het traject bij [instantie] doet daar niets aan af. De rechtbank overweegt ook ten onrechte dat het, ondanks de aanwezige problematiek, de verantwoordelijkheid van beide ouders is om tot bepaalde hoogte samen te gaan werken en alles eraan te doen om te voorkomen dat de kinderen klem komen te zitten. De moeder wijst op de pogingen die daartoe al zijn ondernomen. Bij gebrek aan iedere vorm van communicatie en samenwerking, mede in het licht bezien van het voortduren van de ernstig verstoorde relatie, is het nemen van beslissingen van enig belang over [minderjarige 2] en [minderjarige 1] feitelijk onmogelijk gebleken, althans zonder tussenkomst van advocaten, zodat toewijzing van het verzoek tot verkrijging van het gezamenlijk gezag naar het oordeel van moeder ook anderszins in het belang van de kinderen moet worden afgewezen. De moeder wijst er tot slot op dat de vader in het verleden geen toestemming heeft gegeven voor een vakantie, waardoor de kinderen erg teleurgesteld waren. 3.
- De vader voert - samengevat - het volgende aan. In de procedure in eerste aanleg is veelvuldig gesproken over de communicatieproblemen tussen ouders en de manier waarop zij met elkaar omgaan. De moeder kan dan ook niet stellen dat de rechter slechts de wens van de vader en niet de ontwikkelingsbedreiging van de kinderen en het klemcriterium in haar overwegingen heeft meegenomen. Voor beantwoording van de vraag of partijen gezamenlijk gezag moeten krijgen, is echter niet van belang wat de reden was van de ondertoezichtstelling van de kinderen. De moeder verwijst in haar betoog naar oude beschikkingen en stukken. De rapportages van de betrokken hulpverleners van latere datum, met name die van de raad, de Gl en het BOR-traject, zijn wel – terecht – meegenomen in de overwegingen van de rechtbank. De vader is, met behulp van hulpverlening, beter in staat om met de kinderen om te gaan. De vader stelt dat de moeder blijft 'vasthouden aan het verleden' en niet ziet dat hij is veranderd. Dat de ouders in het verleden niet goed konden communiceren, wil geenszins zeggen dat zij dat nu niet kunnen. Ondanks dat de ouders niet op één lijn zitten, wordt er wel gecommuniceerd, ook zonder tussenkomst van de advocaten. Daarnaast is het traject bij [instantie] opgestart in maart 2024 om de communicatie van partijen te verbeteren en richting solo parallel ouderschap te werken. Het feit dat partijen een andere opvoedstijl hebben en zonder hulpverlening niet optimaal kunnen communiceren, wil niet zeggen dat zij geen gezamenlijke beslissingen kunnen nemen. Inmiddels hebben de ouders al sinds maart 2024 gezamenlijk gezag en sindsdien is er niets voorgevallen waardoor de kinderen klem en verloren zijn geraakt dan wel dreigden te raken tussen de ouders. Nimmer heeft de vader zijn toestemming geweigerd, althans niet zonder een goede reden. De vakantie waarvoor de moeder toestemming wilde, viel in de week waarin de kinderen bij de vader verbleven. De moeder hield, toen zij het eenhoofdig gezag had, geen rekening met de mening van de vader. Met het gezamenlijk gezag, hebben ouders een gelijkwaardige positie gekregen. De kinderen krijgen het signaal dat de vader net zo goed hun ouder is en dat beide ouders onderdeel uitmaken van hun leven. De vader wordt met gezag betrokken bij de kinderen en hun ontwikkeling. Daarnaast verkrijgt de vader nu ook informatie van derden, die hij niet van de moeder ontvangt en is de vader belanghebbende in het kader van de ondertoezichtstelling. Gezamenlijk gezag doet het meest recht aan de belangen van de kinderen en aan het beginsel van gelijkwaardig ouderschap, dat het uitgangspunt zou moeten zijn. De vader betwist dat hij is gestopt met het informeren van de moeder over de kinderen. Hij wil graag de communicatie verbeteren. Uit alles blijkt dat de moeder er alles aan doet om dit tegen te werken. Zij neemt eenzijdig beslissingen, informeert de man niet en spant steeds procedures aan tegen de man. De vrouw gaat eraan voorbij dat zij verplicht is om te werken aan verbetering van de communicatie. Vervolgens stelt zij dat er geen gezamenlijk gezag kan zijn omdat partijen niet goed kunnen communiceren. De moeder heeft geen vertrouwen in de vader en in hoe hij voor de kinderen zorgt en wil overmatig controle houden. 3.
- De GI voert ter zitting het volgende aan. De GI is positief over de stappen die de ouders zetten en het proces waarin zij zitten. Beide ouders volgen het traject bij [instantie] en daarin doen zij het allebei goed. Deze juridische procedure werkt strijdverhogend en contraproductief. De GI betreurt de standpunten die de ouders in deze procedure innemen en de GI herkent de in dat kader aangedragen voorbeelden niet. Beide ouders hebben een aandeel in de problemen. Als zij beiden op deze manier blijven groeien in hun rol als ouder, zal de GI niet om verlenging van de ondertoezichtstelling vragen. Beide ouders moeten evenveel verantwoordelijk worden gemaakt voor het proces van groei en daarom is het van belang dat beiden met het gezag zijn belast. De omgangsregeling zoals in de procedure in eerste aanleg is vastgesteld, loopt goed. De GI hoeft hierin niet veel te doen. De ouders moeten leren om te gaan met signalen van [minderjarige 1] in de eigen thuissituatie en niet met een kritische bril naar de andere ouder. [minderjarige 1] leert om te gaan met het ontbreken van actieve communicatie tussen de ouders. De GI acht het van groot belang dat beide ouders met het gezag belast zijn, zodat zij een gelijkwaardige positie hebben in de opvoeding van de kinderen. 3.
- De raad adviseert de beslissing over het gezag in stand te laten. De raad maakt uit de standpunten van de ouders op dat sommige dingen nog niet goed lopen, maar dat die vooral met de (uitvoering van) de contactregeling te maken hebben en niet zo zeer met het nemen gezagsbeslissingen. De contactregeling zelf loopt goed. Problemen in de uitvoering van de contactregeling worden ook niet opgelost door de moeder weer met het eenhoofdig gezag te belasten, omdat de ouders dan nog steeds met elkaar te maken hebben. De GI is positief over de stappen die de ouders zetten. De communicatie tussen de ouders blijft een lastig punt, maar met behulp van de hulpverlening wordt aan de laatste losse eindjes gewerkt. Van de ouders mag ook verwacht worden dat ze zich daarvoor blijven inspannen. 3.
- Het hof overweegt het volgende. 3.14.
- Ingevolge artikel 1:253c lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, de rechter verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag over het kind te belasten.Indien de andere ouder niet met het verzoek instemt, wordt het verzoek ingevolge artikel 1:253c lid 2 BW slechts afgewezen indien:a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, ofb. afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is. 3.14.
- Gezamenlijke uitoefening van het gezag vereist dat de ouders in staat zijn beslissingen te nemen over de verzorging en opvoeding van het kind op een wijze die niet belastend is voor het kind en zijn veiligheid niet in gevaar brengt. In het geval de ouders niet (meer) samenleven en moeizaam of niet communiceren is het van belang dat, waar nodig, de verzorgende ouder die beslissingen kan nemen die voor het dagelijkse leven en de veiligheid van (spoedeisend) belang zijn voor het kind en dat de niet-verzorgende ouder deze beslissingen niet blokkeert. Ook is het van belang dat ouders die niet in staat zijn de strijd met elkaar te staken, tenminste in staat zijn het kind buiten die strijd te houden. Indien bovengenoemde omstandigheden aanwezig zijn, ligt gezamenlijk gezag in de rede, tenzij andere redenen eenhoofdig gezag noodzakelijk maken. 3.14.
- Het hof stelt voorop dat, zoals uit het hiervoor geciteerde beoordelingskader blijkt, het uitgangspunt van de wetgever is dat gezamenlijk gezag van de ouders in het belang is van het kind. De wet gaat ervan uit dat voortgezet ouderschap bij scheiding van ouders de norm is en dat beide ouders op gelijkwaardige wijze verantwoordelijk blijven voor de verzorging, opvoeding en ontwikkeling van hun kinderen. Door gezamenlijk gezag kunnen de ouders een gelijkwaardige positie innemen. Alleen wanneer sprake is van specifieke contra-indicaties kán van dat uitgangspunt worden afgeweken. Daarvan is naar het oordeel van het hof echter geen sprake. 3.13.
- Partijen hebben een moeizame gezamenlijke geschiedenis, waarbij al veel hulpverlening (individueel en gezamenlijk) is ingezet, met wisselend resultaat. Uiteindelijk zijn de eerste positieve stappen gezet in het begeleide omgangstraject tussen de vader en [minderjarige 2] , waarin de vader heeft laten zien gelijktijdig voor beide kinderen te kunnen zorgen en waarin het vertrouwen van de moeder in de mogelijkheden van de vader is gegroeid. De contactregeling tussen de vader en [minderjarige 2] is gefaseerd uitgebreid en beide kinderen verblijven nu evenveel bij de vader. Dit loopt goed. Wanneer een ouder intensief betrokken is bij de verzorging en opvoeding van de kinderen, acht het hof het passend dat deze ouder mede met het gezag is belast. 3.13.
- Op ouderniveau zijn er nog wel communicatieproblemen. In het kader van de ondertoezichtstelling is ingezet op solo parallel ouderschap. Het traject dat de ouders volgen bij [instantie] om dat te realiseren, werpt zijn vruchten af. De ouders zetten allebei positieve stappen in het focussen op de eigen situatie. Zij leren over welke zaken en op welke manier zij wél met elkaar kunnen communiceren. De ouders hebben zich dus gecommitteerd en zijn intrinsiek gemotiveerd gebleken om in een intensief proces te werken aan een vorm van gezamenlijk en gelijkwaardig ouderschap. Deze positieve ontwikkeling zou teniet worden gedaan als de moeder weer met het eenhoofdig gezag zou worden belast. Bovendien hebben de problemen die nu nog tussen de ouders spelen met name betrekking op (de uitvoering van) de contactregeling. Wijziging van het gezag lost die problemen niet op, aangezien dit niets zou veranderen aan de frequente en intensieve betrokkenheid van de vader bij de verzorging en opvoeding van de kinderen. De ouders zullen hoe dan ook een manier moeten vinden om met hun meningsverschillen om te gaan. 3.13.
- Het hof stelt verder vast dat er geen concrete aanwijzingen zijn dat de ouders niet zal lukken om gezamenlijk gezagsbeslissingen te nemen of dat de vader het nemen van beslissingen actief tegenwerkt. Het is aan de ouders om te blijven werken aan het realiseren van een vorm van gezamenlijk ouderschap waarbij zij de kinderen ieder op hun eigen manier verzorgen en opvoeden en verantwoordelijk zijn voor de eigen relatie die zij met de kinderen hebben, zodanig dat de kinderen daar geen last meer van hebben en zich vrij tussen deze twee werelden kunnen bewegen. Met de GI heeft het hof het vertrouwen dat de ouders hierin uiteindelijk zullen/kunnen slagen. Voor zover de kinderen (nog) klem- en verloren zitten tussen de ouders, heeft het hof derhalve de verwachting dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering komt. 3.
- Op grond van het vorenstaande zal het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigen, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen. 3.
- In de relatie van partijen ziet het hof aanleiding om de proceskosten te compenseren. 4De beslissing Het hof: bekrachtigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 22 maart 2024, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen; verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, team familie- en jeugdrecht, ter attentie van het centraal gezagsregister; compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt; wijst af het meer of anders verzochte. Deze beschikking is gegeven door mrs. E.P. de Beij, C.M.J. Peters en G.M. Goes en is op 6 maart 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.