GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.330.056/01 arrest van 11 maart 2025 in de zaak van [appellant] , wonende te [woonplaats] , appellant, hierna aan te duiden als [appellant] , advocaat: mr. M.R. Dill te Dordrecht, tegen [geïntimeerde] , wonende te [woonplaats] , geïntimeerde, hierna aan te duiden als [geïntimeerde] , advocaat: mr. R. Bosman te Rotterdam, als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 5 september 2023 in het hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, onder zaaknummer 10024770 \ CV EXPL 22-3530, gewezen vonnis van 2 maart
- 5 Het verloop van de procedure 5.
- Het verloop van de procedure blijkt uit: het tussenarrest van 5 september 2023 waarbij het hof een comparitie na aanbrengen heeft gelast; het proces-verbaal van de comparitie na aanbrengen van 16 november 2023; de memorie van grieven tevens verzoek vermindering van eis met producties 6 tot en met 14; de memorie van antwoord met producties 12 en
- 5.
- Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. 6De feiten waarvan in hoger beroep wordt uitgegaan 6.
- Het hof gaat uit van de feiten die zijn vastgesteld in hoofdstuk 3 van het eindvonnis. Volgens r.o. 3.1 – 3.6 gaat het vooral om het volgende. 6.
- [geïntimeerde] heeft [appellant] in 2019 en 2020 als advocaat bijgestaan in verband met (de aanvraag van) een verblijfsvergunning. Tijdens de voorbereidingen van de tweede aanvraag voor een verblijfsvergunning als zelfstandige, heeft [appellant] op of omstreeks 28 mei 2020 aan [geïntimeerde] gevraagd of hij als zelfstandige arbeid mocht (blijven) verrichten tijdens de behandeling van de tweede aanvraag. [geïntimeerde] heeft toen gezegd dat dit niet was toegestaan, waarbij zij heeft verwezen naar een eerder aan hem toegestuurde brochure van de IND. Daarin was – in zowel de Nederlandse als de Turkse taal – de volgende tekst opgenomen: “Let op! • Zolang u geen verblijfsvergunning hebt, mag u niet werken”. 6.
- Op 22 juni 2020 heeft [appellant] de tweede aanvraag ingediend. 6.
- Medio november 2020 kwam [appellant] er achter dat hij mogelijk wel had mogen werken gedurende de behandeling van zijn aanvraag. Hij heeft [geïntimeerde] hiervan op de hoogte gebracht en zij heeft daarop een afspraak gemaakt bij het IND loket in 's-Hertogenbosch. 6.
- Op 25 november 2020 zijn [appellant] en [geïntimeerde] naar de IND gegaan. Tijdens deze afspraak is bevestigd dat de brochure waarnaar [geïntimeerde] heeft verwezen actueel en juist was, maar dat [appellant] onder een uitzondering viel die daar niet in was opgenomen. [appellant] mocht dus wel werken gedurende de behandeling van de aanvraag door de IND. Deze uitzondering bleek (achteraf) te zijn opgenomen in een interne werkinstructie van het beoordelingsteam van de IND, die op 4 mei 2020 in werking was getreden. 6.
- [appellant] heeft [geïntimeerde] na deze afspraak aansprakelijk gesteld. 6.
- De beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar van [geïntimeerde] , AIG, heeft aansprakelijkheid erkend. 7De beoordeling in hoger beroep 7.
- Tussen partijen is niet (langer) in geschil dat [geïntimeerde] als advocaat een beroepsfout heeft gemaakt op grond waarvan zij aansprakelijk is voor de schade die [appellant] als gevolg daarvan heeft geleden. Het gaat uitsluitend nog om de hoogte van die schade en om de buitengerechtelijke kosten. [appellant] vorderde in eerste aanleg een bedrag van € 20.160,-- vermeerderd met rente en kosten. In hoger beroep vordert hij, na zijn eis te hebben verminderd, in hoofdsom € 17.938,-- en € 954,39 ter zake van buitengerechtelijke incassokosten. 7.
- De kantonrechter heeft de schade vastgesteld op een bedrag van € 6.000,-- en daarbij in aanmerking genomen dat [i] [appellant] onvoldoende heeft onderbouwd dat hij in de periode tot 22 juni 2020 inkomsten heeft misgelopen als gevolg van de beroepsfout, [ii] dat hij onvoldoende heeft onderbouwd dat hij gedurende zes maanden ‘full time’ zou hebben kunnen werken, en [iii] dat laatste ook wegens pijn in zijn been niet had kunnen doen. Voorts achtte de kantonrechter van belang dat [appellant] niet heeft weersproken dat hij nog nooit een langere aaneengesloten periode 40 uur per week heeft gewerkt (r.o. 5.22). Ten slotte overwoog de kantonrechter het volgende: “5.
- De kantonrechter ziet geen aanleiding om [appellant] in de gelegenheid te stellen die schade nog nader te onderbouwen: [appellant] was bekend met de bezwaren die er tegen de hoogte van de door hem gevorderde schadevergoeding bestonden en heeft voor de onderbouwing van zijn schade volstaan met de hiervoor reeds besproken brief van [---] Elektro. Aan de inhoud van die brief komt geen beslissende betekenis toe. Omdat de omvang van de schade niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, zal de kantonrechter de schade daarom schatten op grond van 6:97 BW. Er rekening mee houdend dat: [appellant] over de periodes dat hij in 2020 wel heeft gewerkt (in een deel van januari, een deel van mei en in april) in totaal een omzet heeft behaald van € 3.470,=, er tegenover de inkomsten die [appellant] als zzp’er is misgelopen ook kosten zouden hebben gestaan en hij er belasting over zou hebben moeten betalen, ook voor de periode na 22 juni 2020 zal worden uitgegaan van een uurloon van € 20,=, omdat de stelling van [geïntimeerde] dat [appellant] na 22 juni 2020 een dergelijk uurloon niet zou hebben weten te bedingen, weinig overtuigend is, gelet op het alom aanwezige personeelstekort, en een dergelijk uurloon zeker in de elektrotechnische branche bepaald niet hoog is, zal de kantonrechter een schadevergoeding toekennen van € 6.000,=.” 7.
- Het hof is met de kantonrechter van oordeel dat de periode tot 22 juni 2020 niet meetelt, omdat de mededeling van [geïntimeerde] betrekking had op de periode na die datum. Er ontbreekt dus causaal verband tussen die mededeling en de door [appellant] gestelde inkomensschade in de periode daarvoor. Grief 1 miskent dit. 7.
- [appellant] voert thans in hoger beroep aan dat als [geïntimeerde] hem juist had geïnformeerd en had geadviseerd direct op 28 mei 2020 een nieuwe aanvraag in te dienen of in beroep te gaan tegen de beslissing op bezwaar van 23 april 2020, hij reeds vanaf 28 mei 2020 zou hebben kunnen werken. [appellant] heeft echter onvoldoende onderbouwd op grond waarvan het advies om een nieuwe aanvraag in te dienen, wat [geïntimeerde] op 22 juni 2020 heeft gedaan, als een beroepsfout van [geïntimeerde] moet worden aangemerkt. Ook dit standpunt leidt dus niet tot een eerdere ingangsdatum van de schadeperiode. 7.
- Voor het overige verenigt het hof zich met de overwegingen van de kantonrechter en maakt die tot de zijne. Op [appellant] rust de stelplicht met betrekking tot de omvang van de gevorderde schadevergoeding. Aan die stelplicht heeft hij niet voldaan. Uit de in hoger beroep verstrekte gegevens over inkomsten in 2023 kan geen bewijs worden ontleend voor de stelling dat hij in de periode van 22 juni 2020 tot november 2020 fulltime zou hebben kunnen werken. Onvoldoende gemotiveerd betwist is dat [appellant] medische beperkingen had waardoor hij soms niet kon werken en dat in verband met corona ook niet steeds werk beschikbaar was. 7.
- Omdat achteraf niet meer met zekerheid valt vast te stellen in hoeverre [appellant] in de resterende vijf maanden inkomsten zou hebben kunnen verwerven, moet de schade bij wege van schatting worden begroot. Het hof komt op basis van de beschikbare gegevens niet tot een hogere schatting dan het bedrag dat de kantonrechter heeft toegewezen. Op grond van een en ander faalt grief
- Grief 2 kan geen doel treffen, omdat de omvang van de schade bij gebreke van concrete gegevens is vastgesteld bij wege van schatting. 7.
- [appellant] heeft geen feiten gesteld waaruit kan volgen dat hij redelijke buitengerechtelijke kosten heeft gehad die in redelijkheid voor vergoeding in aanmerking komen. De enkele verwijzing naar de brief van [persoon A] aan AIG van 11 augustus 2021 is daarvoor onvoldoende, zodat zijn desbetreffende vordering terecht is afgewezen. Grief 3 is daarom ongegrond. 7.
- Omdat de kantonrechter de schade grotendeels schattenderwijs heeft begroot en het hof het met die schatting eens is terwijl geen feiten en omstandigheden zijn gesteld waaruit kan volgen dat de schade meer bedraagt dan voormeld bedrag, gaat het hof voorbij aan de bewijsaanbiedingen van beide partijen. 7.
- Het vorenstaande betekent dat het hoger beroep faalt. Het vonnis zal worden bekrachtigd. Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellant] in de kosten van het hoger beroep veroordelen. 7.
- De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] worden vastgesteld op: griffierecht € 783,-- salaris advocaat € 2.428,-- (2 punten x appeltarief II) nakosten € 173,-- (plus de verhoging als vermeld in de beslissing) totaal € 3.384,-- 7.
- [geïntimeerde] heeft in de conclusie van antwoord aanspraak gemaakt op de wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten. [appellant] heeft dat in hoger beroep niet afzonderlijk bestreden, zodat het hof ook de wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten zal toewijzen zoals hierna vermeld. 8De uitspraak Het hof, rechtdoende in hoger beroep: 8.
- bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 2 maart 2023; 8.
- veroordeelt [appellant] in de kosten van dit hoger beroep, tot deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] bepaald op een bedrag van € 3.384,--, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en – voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening; 8.
- veroordeelt [appellant] , indien niet tijdig aan de veroordelingen wordt voldaan en het arrest daarna wordt betekend, tot betaling van € 90,--, vermeerderd met de kosten van betekening en vermeerderd met de wettelijke rente te rekenen vanaf veertien dagen na aanschrijving en betekening; 8.
- verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad. Dit arrest is gewezen door mrs. R.A. van der Pol, J. de Graaf en C.B.M. Scholten van Aschat en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 11 maart
- griffier rolraadsheer