← Nederland

ECLI:NL:GHSHE:2025:649

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.334.284/01 arrest van 11 maart 2025 in de zaak van 1 [appellant sub 1] ,wonende te [woonplaats], Frankrijk, 2. [appellante sub 2] ,wonende te [woonplaats] , Frankrijk, 3. Dansschool [XX] B.V.,gevestigd te [vestigingsplaats] , Frankrijk, 4. [YY] Beheer B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , [gemeente A], appellanten, hierna gezamenlijk aangeduid als [vestigingsplaats] , en ieder afzonderlijk als respectievelijk [appellant sub 1] , [appellante sub 2] , Dansschool [XX] BV en [YY] Beheer, advocaat: mr. G.M.M. van Tilborg te Sittard , gemeente Sittard -Geleen, tegen 1 [geïntimeerde sub 1] ,wonende te [woonplaats] , [gemeente B], 2. [geïntimeerde sub 2] ,wonende te [woonplaats] , [gemeente B], geïntimeerden, hierna gezamenlijk aangeduid als [geïntimeerden] , en ieder afzonderlijk als respectievelijk [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] , advocaat: mr. B.H.A. Augustin te Urmond, gemeente Stein, als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 28 mei 2024 in het hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, onder zaaknummer 7312428 / CV EXPL 18-7481 gewezen vonnis van 9 augustus 2023 (hierna: het bestreden vonnis), zoals hersteld bij herstelvonnis van 11 oktober 2023. 5Het verloop van de procedure 5.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenarrest van 28 mei 2024, gewezen in de incidenten ex artikel 351 Rv en 235 Rv; - de mondelinge behandeling op 14 november 2024, waarbij partijen spreekaantekeningen hebben overgelegd. 5.2. Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. 6De verdere beoordeling Waar deze zaak over gaat 6.1. Deze zaak gaat over de koop en verkoop in 2013 van een dansschool in [plaats A] . Omdat de koopprijs niet in één keer kon worden voldaan, hebben partijen een constructie afgesproken waarbij onder meer (

  1. i)een vennootschap onder firma door verkopers en kopers werd opgericht en (
  2. ii)in etappes afbetalingen zouden worden gedaan. Kopers hebben op een gegeven moment de vennootschap onder firma opgezegd, waarna verkopers de exploitatie van de dansschool weer ter hand hebben genomen. Beide partijen vinden dat de ander nog geld aan hen verschuldigd is. De kantonrechter heeft geoordeeld dat de verkopers nog € 42.824,- aan de kopers moeten betalen. In hoger beroep willen de verkopers dat de door hen gevorderde bedragen worden toegewezen en dat zij niets meer aan de kopers hoeven te betalen. Het hof is van oordeel dat het vonnis in stand moet blijven, met verbetering van de motivering. De feiten 6.2. Het hof ziet aanleiding om de feiten opnieuw vast te stellen. Het hof gaat uit van de volgende feiten. a. Dansschool [XX] BV heeft tot mei 2013 een dansschool in [plaats A] geëxploiteerd. Bestuurder en enig aandeelhouder van Dansschool [XX] BV is [YY] Beheer. Bestuurders en aandeelhouders van [YY] Beheer zijn [appellant sub 1] en [appellante sub 2] . b. Een ongedateerd document heeft de titel ‘Overeenkomst aangaande overname Dansschool [XX] B.V.’ (hierna: de overnameovereenkomst). Onderaan het document staan handtekeningen. De aanhef van deze overeenkomst vermeldt dat zij diverse zaken behelst die zijn overeengekomen tussen enerzijds de eigenaren van Dansschool [XX] BV, [appellant sub 1] en [appellante sub 2] , en anderzijds de vennoten van de in de overeenkomst genoemde vennootschap onder firma Dansschool [XX] V.O.F. (hierna: de vof), [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] . Verder bevat de overeenkomst bepalingen over de positie van de vennoten van de vof, waarbij naast [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] ook [appellant sub 1] en [appellante sub 2] worden genoemd als haar vennoten, en over een overnamesom van € 300.000,- voor de door Dansschool [XX] BV tot dan geëxploiteerde dansschool en hoe deze overnamesom is opgebouwd. c. Bij overeenkomst van 15 mei 2013 (hierna: de vof-overeenkomst) hebben [appellant sub 1] en [appellante sub 2] met [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] de vof opgericht. [appellant sub 1] , [appellante sub 2] , [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] zijn allen vennoot van de vof. In de considerans van de vof-overeenkomst is opgenomen dat partijen met elkaar een vennootschap onder firma wensen aan te gaan teneinde voor gezamenlijke rekening en onder een gemeenschappelijke naam het bedrijf van de dansschool uit te oefenen. Ook is daarin opgenomen dat de vof per 1 juli 2013 de zo aangeduide ‘onderneming [XX] ’ (het hof: de dansschool) zal kopen en die onderneming per die datum zal gaan exploiteren. Verder bevat de vof-overeenkomst bepalingen over onder andere de duur van de vennootschap, de inbreng door de vennoten, de wijze waarop de winst zal worden bepaald en de verdeling ervan tussen de vennoten, en de beëindiging van de vof. d. Op 15 mei 2013 is tussen Dansschool [XX] BV en de vof een overeenkomst, getiteld ‘Overeenkomst van overdracht van een onderneming’, tot stand gekomen (hierna: de overdrachtsovereenkomst). Daarbij draagt Dansschool [XX] BV de in de overeenkomst nader omschreven activa en passiva van de door haar geëxploiteerde dansschool over aan de vof tegen een koopsom van € 100.000,-. Verder bevat de overnameovereenkomst onder meer een regeling voor de wijze waarop de vof de koopsom aan Dansschool [XX] BV zal voldoen. e. Tussen Dansschool [XX] BV als leninggever en de vof als leningnemer is ook een (ongedateerde) overeenkomst van geldlening tot stand gekomen (hierna: de geldleningsovereenkomst). Daarin is vastgelegd dat Dansschool [XX] BV op eerste verzoek een bedrag van € 100.000,- aan de vof ter beschikking zal stellen als lening, met een looptijd van 10 jaar tot uiterlijk 30 juni 2023. f. Tussen [YY] Beheer als verhuurder en de vof als huurder is op 1 juli 2013 een overeenkomst getiteld ‘huurovereenkomst winkelruimte en andere bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:290 BW’ tot stand gekomen (hierna: de huurovereenkomst). Op grond van de huurovereenkomst bedraagt de door de vof verschuldigde huurprijs € 60.000,- per jaar. De huurovereenkomst is aangegaan voor de duur van 10 jaar. g. [geïntimeerden] hebben bij exploot van 29 juni 2017 de vof opgezegd tegen 31 december 2017. h. [vestigingsplaats] hebben met ingang van 1 januari 2018 de exploitatie van de dansschool voortgezet. Ook hebben zij kort daarna de sloten van het gehuurde vervangen. i. Per 1 januari 2022 is de dansschool verkocht en geleverd aan een derde. De procedure bij de kantonrechter 6.2. Enigszins verkort weergegeven hebben [vestigingsplaats] , na diverse eiswijzigingen, in de procedure bij de kantonrechter in conventie gevorderd: I. [geïntimeerden] te veroordelen, hoofdelijk, om aan Dansschool [XX] BV, subsidiair/althans aan [appellant sub 1] en [appellante sub 2] te voldoen een bedrag van € 70.000,-, alsmede vijf jaren de verschuldigde rente van 5% per jaar over de hoofdsom, voor het eerst verschuldigd per 30 juni 2014, zijnde thans een bedrag van € 25.000,-, alsmede de contractuele rente van 5% per jaar over de hoofdsom vanaf 1 juli 2018 tot de dag der algehele voldoening P.M.; II. [geïntimeerden] te veroordelen, hoofdelijk, om primair aan Dansschool [XX] BV, subsidiair/althans aan [appellant sub 1] en [appellante sub 2] , meer subsidiair/althans aan [YY] Beheer te voldoen: - primair een bedrag van € 120.000,- alsmede de wettelijke rente over dit bedrag; - subsidiair een bedrag van € 66.000,- alsmede de wettelijke rente over dit bedrag; III. [geïntimeerden] te veroordelen, hoofdelijk, om primair aan Dansschool [XX] BV, subsidiair/althans aan [appellant sub 1] en [appellante sub 2] te voldoen: - primair een bedrag van € 80.000,- alsmede de wettelijke rente over dit bedrag; - subsidiair een bedrag van € 66.000,- alsmede de wettelijke rente over dit bedrag; IV. te bepalen dat de huurovereenkomst tussen [YY] Beheer als verhuurder en [geïntimeerden] als huurder met betrekking tot het pand aan [adres A] [plaats A] , [gemeente A] , zal worden ontbonden per de datum van het in deze te wijzen vonnis, althans binnen een zodanige andere termijn als in goede justitie te bepalen, volledig en behoorlijk te verlaten en te ontruimen en ontruimd te houden, onder afgifte van de sleutels, in lege en behoorlijke staat ter vrije beschikking van [YY] Beheer te stellen, zulks met machtiging aan [YY] Beheer om bij gebreke van volledige voldoening hieraan deze verlating en ontruiming te bewerkstelligen met behulp van politie en justitie en op kosten van [geïntimeerden] en dit vervolgens verlaten en ontruimd te houden; V. [geïntimeerden] te veroordelen, hoofdelijk, om aan [YY] Beheer te voldoen de achterstallige huurtermijnen ad € 4.840,- per maand vanaf 1 januari 2018 tot en met datum ontbinding van de overeenkomst; VI. voor recht te verklaren dat de vof per 31 december 2017 is opgezegd dan wel ontbonden; VII. een vereffenaar te benoemen; VIII. de vereffening en verdeling vast te stellen van de ontbonden vof; IX. [geïntimeerden] te veroordelen, hoofdelijk, in de kosten van dit geding vermeerderd met de wettelijke rente; X. [geïntimeerden] te veroordelen, hoofdelijk, tot betaling – in geval van een volledige veroordeling van [geïntimeerden] in de proceskosten – van de na dit vonnis ontstane nakosten vermeerderd met de wettelijke rente. 6.3. [geïntimeerden] hebben verweer gevoerd tegen de vorderingen van [vestigingsplaats] [geïntimeerden] hebben in conventie geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van [vestigingsplaats] dan wel tot afwijzing van hun vorderingen met veroordeling van [vestigingsplaats] , bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van deze procedure. 6.4. Hetgeen [vestigingsplaats] hebben aangevoerd ter onderbouwing van hun vorderingen in conventie en het verweer daartegen van [geïntimeerden] zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen. 6.5. [geïntimeerden] hebben bij de kantonrechter in reconventie verschillende vorderingen ingesteld, waaronder de vordering dat [appellant sub 1] en [appellante sub 2] worden veroordeeld om aan [geïntimeerden] het bedrag ter saldering van de vof ter hoogte van € 67.729,- te voldoen, althans ter hoogte van € 42.824,-. 6.6. [vestigingsplaats] hebben verweer gevoerd tegen de vorderingen in reconventie van [geïntimeerden] en geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring van [geïntimeerden] in hun vorderingen in reconventie althans tot afwijzing ervan, met veroordeling van [geïntimeerden] in de kosten. 6.7. Hetgeen [geïntimeerden] hebben aangevoerd ter onderbouwing van hun vorderingen in reconventie en het verweer daartegen van [vestigingsplaats] zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen. 6.8. Bij tussenvonnis van 14 april 2021 heeft de kantonrechter een onderzoek door een deskundige bevolen ter beantwoording van de in dat vonnis onder 4.1 onder 1 tot en met 8 geformuleerde vragen, met benoeming van [persoon A] tot deskundige. 6.9. Op 31 mei 2022 heeft de deskundige zijn rapportage van diezelfde datum aan de kantonrechter toegezonden. 6.10. Voor zover in hoger beroep nog van belang, heeft de kantonrechter in het bestreden vonnis, zoals hersteld bij herstelvonnis van 11 oktober 2023, in conventie de vorderingen van [vestigingsplaats] afgewezen. Verder heeft de kantonrechter in reconventie [vestigingsplaats] veroordeeld, uitvoerbaar bij voorraad, om aan [geïntimeerden] ter zake de vereffening van de ontbonden vof te betalen een bedrag van € 42.824,-, en daarbij de proceskosten gecompenseerd in de zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. De procedure in hoger beroep 6.11. [vestigingsplaats] hebben tegen het bestreden vonnis hoger beroep ingesteld onder aanvoering van vijf grieven. Zij zijn steeds voorzien van een toelichting. Verder hebben [vestigingsplaats] hun eis vermeerderd, deels voorwaardelijk. Onvoorwaardelijk hebben zij gevorderd, verkort weergegeven, bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het bestreden vonnis te vernietigen, en alsnog primair: I. voor recht te verklaren dat de vof per 31 december 2017 rechtsgeldig is ontbonden; II. voor recht te verklaren dat de onderneming van de vof rechtsgeldig door [appellant sub 1] en [appellante sub 2] is voortgezet of kan worden voortgezet, en als gevolg daarvan de activa en passiva van de vof toekomen aan [appellant sub 1] en [appellante sub 2] c.q. aan [appellant sub 1] en [appellante sub 2] toegescheiden dienen te worden; III. [geïntimeerden] te veroordelen, hoofdelijk, om primair aan Dansschool [XX] BV, subsidiair/althans aan [appellant sub 1] en [appellante sub 2] te voldoen een bedrag ad € 70.000,-, alsmede vijf jaren de verschuldigde rente van 5% per jaar over de hoofdsom, voor het eerst verschuldigd per 30 juni 2014, alsmede de contractuele rente van 5% per jaar over de hoofdsom vanaf 1 juli 2018 tot de dag der algehele voldoening P.M.; IV. [geïntimeerden] te veroordelen, hoofdelijk, om primair aan Dansschool [XX] BV, subsidiair/althans aan [appellant sub 1] en [appellante sub 2] , meer subsidiair/althans aan [YY] Beheer te voldoen een bedrag van € 67.276,25 alsmede de wettelijke rente daarover; V. het bedrag vast te stellen dat [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] dienen te betalen dan wel hen toekomt ter verdeling van de vof overeenkomstig de waarde van hun deelgerechtigdheid; VI. [geïntimeerden] te veroordelen, hoofdelijk, in de kosten van dit geding in eerste aanleg en in hoger beroep; VII. [geïntimeerden] te veroordelen, hoofdelijk, in de nakosten; subsidiair: I. voor recht te verklaren dat de vof per 31 december 2017 rechtsgeldig is ontbonden; II. [geïntimeerden] hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan [vestigingsplaats] van een bedrag van € 300.000,-, althans € 270.000,-, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente. Voorwaardelijk, namelijk onder de voorwaarde dat het hof overweegt dat in deze zaak sprake is van een stilzwijgende beëindiging van de koopovereenkomst door [vestigingsplaats] , hebben [vestigingsplaats] gevorderd, primair: veroordeling van [geïntimeerden] tot vergoeding aan [vestigingsplaats] van de door [vestigingsplaats] ten gevolge van de ontbinding van de koopovereenkomst door [vestigingsplaats] geleden schade, welke schade [appellant sub 1] begroot op een bedrag van € 300.000,-; subsidiair: veroordeling van [geïntimeerden] tot vergoeding aan [vestigingsplaats] van de door [vestigingsplaats] ten gevolge van de ontbinding geleden schade, nader op te maken bij staat; meer subsidiair: te verklaren voor recht dat [geïntimeerden] aansprakelijk zijn jegens [vestigingsplaats] voor de door [vestigingsplaats] geleden schade. 6.12. Door [geïntimeerden] is geen bezwaar gemaakt tegen de eisvermeerdering van [vestigingsplaats] Het hof acht de eisvermeerdering ook ambtshalve niet in strijd met de goede procesorde. Recht zal daarom worden gedaan op de vermeerderde eis. 6.13. Het hof zal nu overgaan tot het behandelen van de grieven. Daarbij ziet het hof aanleiding om eerst grief 5 te behandelen. Vervolgens zal het hof de grieven 3 en 4 behandelen, waarna de grieven 1 en 2 aan de orde zullen komen. Geen belang meer bij grief 5 6.14. Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep hebben [vestigingsplaats] hetgeen zij in de memorie van grieven primair onder V hebben gevorderd, ingetrokken. Daarmee vorderden [vestigingsplaats] om het bedrag vast te stellen dat [geïntimeerden] dienen te betalen, dan wel dat hen toekomt, ter verdeling van de vof overeenkomstig de waarde van hun deelgerechtigheid. Daartoe bestreden zij de wijze van totstandkoming en de inhoud van het rapport van de in de procedure bij de kantonrechter benoemde deskundige. De deskundige concludeerde dat [vestigingsplaats] in het kader van de afwikkeling van de vof een bedrag van € 42.824,- dienden te voldoen. De kantonrechter heeft de bevindingen van de deskundige overgenomen en vervolgens [vestigingsplaats] veroordeeld tot betaling van voornoemd bedrag van € 42.824,-. Doordat het in de memorie van grieven primair onder V gevorderde is ingetrokken, kan in hoger beroep over dit punt geen andere beslissing meer worden gegeven. [vestigingsplaats] hebben daarom bij behandeling van grief 5 geen belang meer. De grieven 3 en 4 6.15. De grieven 3 en 4 zijn gericht tegen verschillende oordelen van de kantonrechter over de tussen partijen gesloten overeenkomsten. [vestigingsplaats] voeren aan dat, anders dan de kantonrechter oordeelde, van een stilzwijgende beëindiging van de koopovereenkomst geen sprake is, terwijl de kantonrechter bovendien ten onrechte heeft geoordeeld dat de grondslag aan de leningsovereenkomst is ontvallen. Ter toelichting betogen [vestigingsplaats] dat de kantonrechter buiten de rechtsstrijd is getreden. Daartoe wijzen zij erop dat geen van partijen het standpunt heeft ingenomen dat sprake is van een beëindiging door één van de partijen van de overeenkomsten die gezamenlijk de constructie vormen waarmee de koop en verkoop van de dansschool gestalte is gegeven. Daarbij begrijpt het hof dat [vestigingsplaats] als zij spreken over ‘de koopovereenkomst’ het oog hebben op de combinatie van de overnameovereenkomst, de overdrachtsovereenkomst, de geldleningsovereenkomst en de huurovereenkomst, net als de kantonrechter (zie de rechtsoverwegingen 5.4 tot en met 5.8 van het bestreden vonnis). Dit leidt het hof af uit de aanduiding door [vestigingsplaats] van de koopovereenkomst als ‘de constructie van overeenkomsten waarin de koop en verkoop van de dansschool aan [geïntimeerden] is vastgelegd (memorie van grieven, randnummer 11) in combinatie met hun betoog dat in dit geding moet worden onderscheiden tussen twee te beoordelen kwesties, enerzijds de nakoming van de koopovereenkomst en anderzijds de afwikkeling van de vof (memorie van grieven, randnummer 17). 6.16. In reactie op de grieven 3 en 4 hebben [geïntimeerden] allereerst naar voren gebracht dat de constructie en de daarvan deel uitmakende overeenkomsten nietig zijn wegens strijd met de goede zeden als bedoeld in artikel 3:40 lid 1 BW. Voorts hebben [geïntimeerden] ten aanzien van de overnameovereenkomst (rechtsoverweging 6.5 onder
  3. b)betoogd dat deze partijen niet bindt omdat [geïntimeerden] deze nooit hebben gezien/ondertekend en geen overeenstemming bestaat dat voor de dansschool € 300.000,- zou worden betaald. 6.17. Het hof is van oordeel dat voor de beoordeling van de grieven 3 en 4 niet van belang is of de constructie en de daarvan deel uitmakende overeenkomsten nietig zijn of, wat betreft de overnameovereenkomst, dat deze [geïntimeerden] niet bindt. Het hof gaat er daarom voorshands en veronderstellenderwijs vanuit dat de overnameovereenkomst, de overdrachtsovereenkomst, de geldleningsovereenkomst en de huurovereenkomst rechtsgeldig tot stand zijn gekomen. 6.18. Uitgaande van de rechtsgeldige totstandkoming van de hiervoor genoemde overeenkomsten blijkt uit niets dat deze bij of na het uittreden van [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] uit de vof door [vestigingsplaats] (stilzwijgend) zijn beëindigd. Niet gesteld of gebleken is immers dat zij door de partijen bij de betreffende overeenkomst zijn ontbonden of opgezegd, en dat dit is gebeurd met rechtsgevolg. Ook de enkele - overigens niet in geschil zijnde - omstandigheid dat [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] de vof-overeenkomst hebben opgezegd tegen 31 december 2017 en per 1 januari 2018 uit de vof zijn getreden, brengt zonder nadere toelichting, die niet is gegeven, niet de beëindiging van de hiervoor bedoelde overeenkomsten mee. 6.19. Het voorgaande betekent dat de grieven 3 en 4 in zoverre slagen. De grieven 1 en 2 6.20. Het hof komt nu toe aan de grieven 1 en 2. Daarover overweegt het hof als volgt. 6.21. Met de grieven 1 en 2 komen [vestigingsplaats] op tegen het oordeel van de kantonrechter dat [vestigingsplaats] aan [geïntimeerden] per 1 januari 2018 de toegang tot het gehuurde hebben ontzegd en daarmee hun primaire verplichting als verhuurder hebben geschonden. Het hof stelt vast dat als verhuurder heeft te gelden [YY] Beheer en dat de verplichtingen onder de huurovereenkomst op deze vennootschap rusten. [YY] Beheer diende die verplichting na te komen tegenover de vof, en daarmee tegenover de vennoten. Per 1 januari 2018 waren [geïntimeerden] geen vennoten meer van de vof. [geïntimeerden] hadden dus geen aanspraak meer op toegang tot het gehuurde. Van een schending op die grond door [YY] Beheer van de huurovereenkomst kan dus geen sprake zijn, zodat het andersluidende oordeel van de kantonrechter onjuist is. Grief 2 slaagt in zoverre, terwijl grief 1 gelet op het voorgaande geen bespreking meer behoeft. Tussenconclusie 6.22. Het hiervoor in rechtsoverweging 6.18 gegeven oordeel over de grieven 3 en 4 heeft tot gevolg dat de voorwaarde waaronder [vestigingsplaats] in hoger beroep hun eis voorwaardelijk primair, subsidiair en meer subsidiair hebben vermeerderd, niet in vervulling gaat. Dit betekent dat het hof aan het in hoger beroep voorwaardelijk gevorderde niet toekomt. Wel dient het hof nu te beoordelen in hoeverre de onvoorwaardelijke vorderingen van [vestigingsplaats] in hoger beroep voor toewijzing in aanmerking komen. Daarover overweegt het hof als volgt. Is de vof per 31 december 2017 rechtsgeldig ontbonden? 6.23. Door [vestigingsplaats] is aangevoerd dat de vof als gevolg van de uittreding van [geïntimeerden] per 31 december 2017 rechtsgeldig is ontbonden. Gelet daarop vorderen zij primair onder I een verklaring voor recht dat de vof per 31 december 2017 rechtsgeldig is ontbonden. De in dit geding gebleken feiten en omstandigheden duiden er echter op dat de vof na het uittreden per 1 januari 2018 door [vestigingsplaats] is voortgezet. Voorafgaande aan 1 januari 2018 exploiteerde de vof immers een onderneming, te weten de dansschool. Niet gesteld of gebleken is dat (de activa en passiva van) de dansschool (of delen daarvan) nadien zijn overgedragen aan een andere partij. Als niet dan wel onvoldoende gemotiveerd weersproken staat vast dat de dansschool na 1 januari 2018 is voortgezet. Het moet er daarom voor worden gehouden dat het de vof is die de dansschool toen heeft voortgezet. Ook [geïntimeerden] gaan daar kennelijk vanuit (memorie van antwoord, pagina 2). De vordering zoals geformuleerd onder primair sub I kan zodoende niet worden toegewezen. Dat geldt hiermee ook voor het gevorderde onder subsidiair sub I. 6.24. Het voorgaande betekent ook dat het primair onder II gevorderde niet kan worden toegewezen. Het moet er immers voor worden gehouden dat de onderneming (de dansschool) na 1 januari 2018 is voortgezet door de vof, en niet door [appellant sub 1] en [appellante sub 2] in privé. Zonder dat blijkt van een rechtshandeling op basis waarvan de activa en passiva van de onderneming aan [appellant sub 1] en [appellante sub 2] in privé zijn overgedragen, komen deze niet toe aan [appellant sub 1] en [appellante sub 2] . Zodanige rechtshandeling is niet gesteld en daarvan is ook overigens niet gebleken. Het primair onder III en IV gevorderde 6.25. Het in hoger beroep primair onder III gevorderde is gerelateerd aan de overdrachtsovereenkomst in combinatie met de geldleningsovereenkomst en wat in verband daarmee is gesteld over de zogenoemde ‘overnamesom’ waarvan in hoofdsom nog € 70.000,- te betalen zou resteren (inleidende dagvaarding, randnummers 8 tot en met 13). Het primair onder IV gevorderde is gerelateerd aan de huurovereenkomst en wat in verband daarmee is gesteld over de zogenoemde ‘huurvergoeding’ waarvan in hoofdsom nog € 66.000,- te betalen zou resteren, en met de overnameovereenkomst en wat in verband daarmee is gesteld over de zogenoemde ‘betaling middels verrekening van arbeidsbeloning’ waarvan in hoofdsom nog € 1.278,25 te betalen zou resteren (inleidende dagvaarding, randnummer 7, derde en vierde alinea). Het hof overweegt over een en ander als volgt. 6.26. Niet in geschil is dat op 15 mei 2013 tussen [appellant sub 1] , [appellante sub 2] , [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] de vof-overeenkomst tot stand is gekomen. Verder is niet in geschil dat daarmee de vof is opgericht en dat [appellant sub 1] , [appellante sub 2] , [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] toen allen toetraden tot de vof als vennoot. Ook is niet in geschil dat het steeds de vof is geweest die partij is geworden bij respectievelijk de overdrachtsovereenkomst, de geldleningsovereenkomst en de huurovereenkomst, en niet [geïntimeerde sub 1] en/of [geïntimeerde sub 2] in privé. Dit betekent dat de onderscheiden rechten en verplichtingen die uit de verschillende overeenkomsten voortvloeien, rusten op enerzijds de vof en anderzijds haar respectieve wederpartijen bij de desbetreffende overeenkomsten, te weten Dansschool [XX] BV bij de overdrachtsovereenkomst en de geldleningsovereenkomst en [YY] Beheer bij de huurovereenkomst. Dit betekent dat voor zover op grond van de onderscheiden overeenkomsten aanspraken bestaan op (terug)betaling van gelden, deze toekomen aan Dansschool [XX] BV respectievelijk [YY] Beheer, en niet (ook) aan [appellant sub 1] en [appellante sub 2] ; laatstgenoemden zijn immers geen partij bij die overeenkomsten. Het voorgaande betekent ook dat de vof de partij is waarop de gestelde (terug)betalingsverplichtingen uit hoofde van die overeenkomsten rusten. Daarbij dient het afgescheiden vermogen van de vof tot verhaal (vergelijk HR 17 december 1993, NJ 1994/301). 6.27. Naast de vof zijn ook de vennoten in privé, indien in die hoedanigheid aangesproken, hoofdelijk aansprakelijk voor de verplichtingen van de vof. Echter, de door [vestigingsplaats] in dit geding tegen [geïntimeerden] ingestelde vorderingen en de daarvoor gestelde grondslagen zijn gericht tegen [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] pro se als degenen die zich volgens [vestigingsplaats] hebben verbonden tot de overname van de dansschool. [vestigingsplaats] zijn in hun gedingstukken niet, althans niet op een voldoende kenbare wijze, ingegaan op de mogelijke aansprakelijkheid van [geïntimeerden] als vennoten van de vof voor de verplichtingen die voor de vof voortvloeien uit de overdrachtsovereenkomst, de geldleningsovereenkomst en de huurovereenkomst. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep is in dit verband door [vestigingsplaats] nog wel betoogd, kort gezegd, dat [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] ook in hun hoedanigheid van (destijdse) vennoot in privé aansprakelijk zijn voor de schulden van de vof. [vestigingsplaats] hebben dit echter niet eerder aangevoerd, terwijl dit naar het oordeel van het hof een wezenlijke wijziging van de grondslag van hun vorderingen inhoudt. Het in een zo laat stadium door [vestigingsplaats] inroepen van deze grondslag, waarmee [geïntimeerden] geen rekening hebben gehouden en ook niet behoefden te houden en waartegen zij ook geen verweer hebben kunnen voeren, acht het hof in strijd met de eisen van een goede procesorde. Het hof gaat er daarom aan voorbij. 6.28. Voor zover [vestigingsplaats] hebben bedoeld te betogen dat ook de overnameovereenkomst op zichzelf – onafhankelijk van de overdrachtsovereenkomst, de geldleningsovereenkomst en de huurovereenkomst – grond biedt voor het primair onder III en IV gevorderde, volgt het hof hen hierin niet. Daargelaten de vraag of [geïntimeerden] aan die overeenkomst gebonden zijn wegens hun betwisting van de ondertekening ervan, is de overnameovereenkomst naar het oordeel van het hof inhoudelijk redelijkerwijs niet anders te duiden dan als een overeenkomst op hoofdlijnen tussen de daarin genoemde personen [appellant sub 1] , [appellante sub 2] , [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] tot medewerking aan het opzetten van een constructie om te komen tot de koop en verkoop van de dansschool. Die constructie is er ook gekomen, door middel van het sluiten van de vof-overeenkomst, de overdrachtsovereenkomst, de geldleningsovereenkomst en de huurovereenkomst. In zoverre is dus uitvoering gegeven aan wat in de overnameovereenkomst tot uitdrukking is gebracht en is de overnameovereenkomst ‘uitgewerkt’. De overnameovereenkomst legt naar het oordeel van het hof geen verdergaande verplichtingen op de daarin genoemde partijen, en dus ook niet aan [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] . Daaraan doet niet af dat de overnameovereenkomst ook bepalingen bevat die zien op de in totaal voor de dansschool verschuldigde overnamesom, te weten € 300.000,-. De wijze waarop die overnamesom zou worden voldaan heeft immers naar eigen zeggen van [vestigingsplaats] haar beslag gekregen in nadere overeenkomsten, in het bijzonder de overdrachtsovereenkomst, de geldleningsovereenkomst en de huurovereenkomst. 6.29. Het voorgaande brengt mee dat het in hoger beroep primair onder III en IV niet voor toewijzing in aanmerking komt en zal worden afgewezen. Het primair sub VI en VII gevorderde 6.30. Nu de vorderingen primair onder I tot en met V niet kunnen worden toegewezen, bestaat geen grond voor toewijzing van het in hoger beroep primair onder VI gevorderde, te weten de veroordeling van [geïntimeerden] in de proceskosten van de procedure bij de rechtbank en in hoger beroep. In dat licht is evenmin plaats voor een veroordeling in de nakosten (primair onder VII). Die vorderingen zullen daarom worden afgewezen. Het subsidiair onder II gevorderde 6.31. Ook voor het in hoger beroep door [vestigingsplaats] subsidiair onder II gevorderde bestaat geen grond. [vestigingsplaats] hebben nagelaten te verduidelijken waarop zij het gevorderde bedrag van € 300.000,-, althans € 270.000,-, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, concreet baseren en hoe die genoemde bedragen zich verhouden tot de bedragen die zijn gemoeid met het in hoger beroep primair onder III en IV gevorderde. Voor zover [vestigingsplaats] hebben bedoeld die bedragen te baseren op hetgeen in artikel 2 van de overnameovereenkomst is bepaald over de overname van de dansschool en de overnamesom vormt dit naar het oordeel van het hof daarvoor geen basis. Het hof verwijst naar hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 6.28 is overwogen over de uitleg die naar het oordeel van het hof redelijkerwijs daaraan toekomt. De slotsom 6.32. Het voorgaande voert tot de slotsom dat weliswaar de grieven 2, 3 en 4 weliswaar deels slagen, maar de vorderingen in hoger beroep niet kunnen worden toegewezen. Het bestreden vonnis zal daarom worden bekrachtigd met verbetering van gronden. 6.33. Het voorgaande voert er ook toe dat [vestigingsplaats] in dit hoger beroep wat betreft de hoofdzaak hebben te gelden als de partijen die in het ongelijk zijn gesteld. Deze kosten begroot het hof op: - griffierecht € 1.780,-; - salaris advocaat € 8.856,- (2 punten maal tarief II); - nakosten € 178,- Totaal: € 10.814,- 6.34. De kosten van het incident dienen voor rekening van [geïntimeerden] te komen. Die kosten begroot het hof op € 4.428,- (1 punt maal tarief II). 7De uitspraak Het hof: 7.1. bekrachtigt het bestreden vonnis met verbetering van gronden; 7.2. veroordeelt [vestigingsplaats] in de kosten van het hoger beroep, zoals begroot op in totaal € 10.814,-; 7.3. veroordeelt [geïntimeerden] in de kosten van het incident, zoals begroot op € 4.428,-; 7.4. verklaart dit arrest wat betreft de veroordelingen onder 7.2 en 7.3 uitvoerbaar bij voorraad; 7.4. wijst af het meer of anders gevorderde. Dit arrest is gewezen door mrs. E.H. Schulten, B.E.L.J.C. Verbunt en H.R. Quint en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 11 maart 2025. griffier rolraadsheer

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.