GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.337.813/01 arrest van 11 maart 2025 in de zaak van 1 [appellant] ,wonende te [woonplaats] ,
- [appellante] ,wonende te [woonplaats] , appellanten, hierna in enkelvoud aan te duiden als [appellanten] , advocaat: mr. F. Boukhris te Heerlen, tegen 1 [geïntimeerde 1] ,wonende te [woonplaats] ,
- [geïntimeerde 2] ,wonende te [woonplaats] , geïntimeerden, hierna in enkelvoud aan te duiden als [geïntimeerden] , advocaat: mr. R.H.J.G. Borger te Kerkrade, op het bij exploten van dagvaarding van 27 december 2023 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 4 oktober 2023, door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, gewezen tussen [appellanten] als eisers en [geïntimeerden] als gedaagden. 1Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 10496860 / CV EXPL 23-1917) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis. 2Het geding in hoger beroep Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep; de memorie van grieven met producties en een eiswijziging; de memorie van antwoord. Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. 3De beoordeling De samenvatting 3.
- [appellanten] heeft een appartement gekocht van [geïntimeerden] . [appellanten] is ongeveer vijf jaar na de koop geconfronteerd met een rekening voor kosten aan de lift, waarvoor de Vereniging van Eigenaren (hierna: de VvE) bewust niet had gereserveerd. Volgens [appellanten] had [geïntimeerden] hem bij het sluiten van de koopovereenkomst daarover moeten informeren, omdat dit al veel eerder bekend was. [appellanten] heeft in deze procedure schadevergoeding gevorderd van [geïntimeerden] . Het hof komt tot het oordeel dat [geïntimeerden] schadevergoeding aan [appellanten] moet betalen. Waarom dat zo is zal hierna worden gemotiveerd. De feiten 3.
- Het hof gaat uit van de volgende feiten. 3.2.
- [appellanten] heeft in september 2017 een appartement gekocht van [geïntimeerden] . De koopovereenkomst is getekend op 15 september
- Dit appartement maakt deel uit van een appartementencomplex aan de [adres] [nummers] in [plaats] . 3.2.
- In artikel 13.3 van de koopovereenkomst is bepaald: “Verkoper staat er voor in dat de Vereniging van Eigenaars tot op de dag van het tot stand komen van deze koopovereenkomst geen besluiten heeft genomen, waaruit voor de appartementseigenaren een aanmerkelijke verzwaring van bestaande financiële verplichtingen voortvloeit. Omtrent concrete voornemens om tot dergelijke besluitvorming over te gaan is verkoper niets bekend”. 3.2.
- Bij het sluiten van de koopovereenkomst heeft [geïntimeerden] niet de besluitenlijst van de VvE van 19 november 2007 aan [appellanten] verstrekt. In die besluitenlijst was vermeld dat een voorstel was aangenomen dat als agendapunt 4 op de agenda stond onder de omschrijving: “vaststelling bijdrage reservefonds groot onderhoud”. Dit besluit hield onder andere in dat de VvE niet zou gaan reserveren voor de in het onderhoudsplan in 2022 en 2052 voorziene kosten van de lift, voor zover die kosten betrekking hadden op vervanging van de machinekamer en besturing. Voor deze posten was in het onderhoudsplan een bedrag van € 42.500,- opgenomen. Voor de voorziene kosten in de jaren 2022 en 2052 voor de vervanging van de deuren van de lift (€ 22.000,-) en de kosten herstel kooibekleding van de lift (€ 10.000,-) zou wél worden gereserveerd. In het aangenomen voorstel was vermeld: “Een heel belangrijk aspect is dat ik de vergadering voorstel de raming van de Vereniging Eigen Huis aan te passen in de zin dat niet gereserveerd wordt voor de vervanging van de machinekamer van de lift. Deze kosten zijn geraamd op € 42.500 en worden te zijner tijd in rekening gebracht bij degenen die op het moment dat de kosten gemaakt moeten worden eigenaar van een appartement zijn. Per appartement bedragen deze kosten dan eenmalig ± € 6.
- Iedere eigenaar kan/moet aan voorziening dit bedrag op zijn eigen manier invulling geven.” Bij de toelichting op dit voorstel (dat evenmin aan [appellanten] is verstrekt) stond ook nog vermeld: “als de vergadering ten aanzien van de bijdrage aan het reservefonds groot onderhoud besluit overeenkomstig dit voorstel zullen nieuwe eigenaren in de toekomst bij aankoop van een appartement over dit besluit geïnformeerd worden. Dus ook over het niet reserveren voor de machinekamer van de lift en de kosten die daardoor extra voor hun rekening komen;” 3.2.
- In een verslag van de vergadering van de VvE van 15 juni 2011, ondertekend door [geïntimeerden] als ‘administrateur/bestuurder’ stond vermeld: “Naar aanleiding van de stand van de reserve voor groot onderhoud en de daaraan ten grondslag liggende onderhoudsplanning wordt gesteld, dat eventuele nieuwe bewoners ervan op de hoogte gesteld moeten worden, dat de vervanging van de motoren van de liftinstallatie niet in de reservering is opgenomen. (geraamd € 42.500,- in 2022)”. Ook dit verslag heeft [geïntimeerden] niet aan [appellanten] gegeven toen [appellanten] het appartement kocht. 3.2.
- In een offerte van [bedrijf] van 21 maart 2022, gericht aan de VvE, staan de volgende posten en bedragen: “modernisering conform omschrijving: € 19.731,00 optioneel: vervangen hydraulisch aggregaat € 6.219,00 vervangen kooi-interieur € 4.965,00 schachtdeur revisie: € 1.283,00” In de toelichting bij de offerte staat onder meer: “De besturing alsmede het hydraulische aggregaat hebben hun technische levensduur inmiddels ruimschoots bereikt. (…) Om te voorkomen dat dat de liftinstallatie langdurig stil komt te staan adviseren wij u dan ook deze liftinstallatie weer geheel up to date te maken middels een grondige modernisering van deze liftbesturing. (…) Ons advies is dan ook om de modernisering alleen uit te voeren als geheel pakket. Algemeen Refererend aan voornoemde uitgangspunten heeft dit ertoe geleid om deze offerte, welke door ons met de groots mogelijke zorg voor u is opgesteld, als volgt samen te stellen: Moderniseren liftinstallatie als geheel pakket, bestaande uit:
- het vervangen van de gehele besturing inclusief softstarter en inclusief de gehele bedrading
- het vervangen van de kooi- en schachtdrukknoptableaus
- het vervangen van de kooideur aandrijving met beperkte kooideurrevisie
- het aanbrengen van sensorlijsten
- aanbrengen GSM spreek/luisterunit
- kooiverlichting naar LED aanpassen. Optioneel:
- het vervangen van het hydraulisch aggregaat
- het vervangen van het kooi-interieur
- schachtdeurrevisie Een gedetailleerde omschrijving van voornoemde werkzaamheden en onze prijsstelling treft u verderop in deze offerte aan.” 3.2.
- Tijdens een vergadering van de VvE van 21 april 2022 is besloten om de liftinstallatie te moderniseren en reviseren conform de offerte van [bedrijf] . In het verslag van de vergadering is gememoreerd aan het besluit om € 42.500,- niet te reserveren voor de vervanging van de machinekamer en besturing. In het verslag staat onder meer: “De werkelijke kosten voor vervanging van de machinekamer en besturing bedragen € 31.399,50 incl. BTW. (…) De totale bijdrage per appartement voor directe betaling bedraagt conform aandeel splitsingsakte: Zie bijgevoegde bijlage A: Berekening directe betaling Machinekamer / Besturing 2022.” In de bijlage is vermeld dat de bijdrage voor het appartement van [appellanten] € 4.766,- bedraagt. 3.2.
- In een e-mail van [bedrijf] van 10 april 2024 staat onder meer: “(…) In jullie MJOP van 2007 staat besturing en machine. Dit is een algemene benaming voor het besturingssysteem en de aandrijving van de lift. Machine duidt veelal op de liftmotor en aandrijving van een tractielift. Echter jullie lift is van origine een hydrauliek lift, ook toen de betreffende MJOP werd opgesteld, handelde het zich om een hydrauliek lift. De machine staat bij een hydrauliek lift gelijk aan het hydraulische aggregaat. In dit aggregaat bevindt zich de pompmotor en het stuurblok, in wezen is dit de aandrijving (of zoals benoemd in de MJOP, de machine). De term machine is dan ook een beetje ongeluk gekozen en had eigenlijk aandrijving moeten zijn. De modernisering, welke wij in 2022 hebben uitgevoerd, is dan ook o.a. de vervanging van het besturingssysteem en het aggregaat. Deze werkzaamheden staan dan ook gelijk aan de werkzaamheden, zoals deze in de MJOP zijn aangegeven. (…)”. In een e-mail van [bedrijf] van 11 april 2024 staat onder meer: “(…) Punten 1,2,3 en 4 staan in directe samenhang met de besturing (welke onderdeel is van de installatie in de machinekamer). Aangezien het handhaven van de oude deuraandrijving tot meer kosten leidt in het nieuwe besturingssysteem, wordt deze in combinatie met de oude besturing vervangen. Het optionele punt 1, is eveneens onderdeel van de installatie in de machinekamer. (…)” De vordering in eerste aanleg en de gewijzigde vordering in hoger beroep 3.3.
- [appellanten] heeft in eerste aanleg gevorderd (samengevat) dat de kantonrechter [geïntimeerden] veroordeelt om € 6.100,- te betalen (vermeerderd met wettelijke rente) en de proceskosten. Daartoe heeft [appellanten] primair aangevoerd dat [geïntimeerden] een onrechtmatige daad jegens hem heeft gepleegd en subsidiair dat [geïntimeerden] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst. De rechtbank heeft de vordering afgewezen. 3.3.
- [appellanten] wil in hoger beroep dat het hof het vonnis vernietigt. In de kop van de memorie van grieven heeft [appellanten] vermeld dat hij zijn eis wijzigt, maar aan het slot van zijn memorie (het petitum) wil hij dat het hof zijn vordering alsnog toewijst en [geïntimeerden] veroordeelt in de kosten van zowel de eerste aanleg als de kosten van het hoger beroep. In de memorie van grieven heeft hij onder het kopje ‘Vermeerdering/Wijziging van eis: vordering en grondslag van de vordering’ een uiteenzetting gegeven van wat de eiswijziging inhoudt. Onder dat kopje heeft hij vermeld dat de grondslagen van zijn vordering in hoger beroep zijn: “Primair non-conformiteit (tekortkoming in de nakoming) (…) Subsidiair dwaling (…) Meer subsidiair onrechtmatige daad (…)” Onder al deze grondslagen heeft [appellanten] vermeld dat zijn schade (in hoofdsom) € 4.766,00 bedraagt. 3.3.
- In de memorie van grieven heeft [appellanten] niet (uitdrukkelijk) vermeld of het zijn bedoeling is om alleen de grondslag van zijn vordering te wijzigen of ook de vordering zelf. Het hof gaat ervan uit dat [appellanten] heeft bedoeld zijn eis te wijzigen van € 6.100,- (in hoofdsom) in € 4.766,-. [appellanten] heeft immers bij de bespreking van alle hiervoor genoemde grondslagen geconcludeerd dat € 4.766,- toewijsbaar is, zonder nog ergens € 6.100,- te vermelden. 3.3.
- [geïntimeerden] heeft geen bezwaar gemaakt tegen de eiswijziging. Het hof ziet ook geen reden om zelf deze eiswijziging buiten beschouwing te laten. De tekortkoming in de nakoming van de koopovereenkomst 3.4.
- De rechtbank heeft geoordeeld dat [appellanten] door [geïntimeerden] geïnformeerd had moeten worden over het VvE-besluit uit
- Dat besluit hield in dat niet gereserveerd werd voor de vervanging van de machinekamer en de besturing van de lift, en dat die kosten op het moment dat ze moesten worden gemaakt, in rekening zouden worden gebracht bij degenen die op dat moment eigenaar van een appartement zouden zijn. Daartoe heeft de rechtbank overwogen: “(…) Het had op de weg van [geïntimeerden] gelegen om [appellanten] te informeren over het in 2007 genomen besluit van de VvE. [geïntimeerden] heeft dat niet gedaan en zelfs een koopakte getekend waarin in artikel 13.
- staat dat hij ervoor instaat dat de VvE geen besluiten heeft genomen waaruit voor de appartementseigenaren een aanmerkelijke verzwaring van bestaande financiële verplichtingen voortvloeit. Het besluit van de VvE is wel degelijk een besluit dat valt onder het bepaalde in artikel 13.
- Om ieder misverstand te voorkomen heeft de VvE zelfs nog in het agendapunt dat behoorde bij dit besluit vermeld dat de VvE-leden bij verkoop van hun appartement dit moesten melden aan de nieuwe eigenaar. Het had [geïntimeerden] dus duidelijk moeten zijn dat dit een besluit betrof dat hij diende te melden aan degene aan wie hij zijn appartementsrecht verkocht.” Het hof acht dat oordeel volledig juist en voegt daar nog aan toe dat ook in een verslag van de vergadering van de VvE van 15 juni 2011 opnieuw is vermeld dat eventuele nieuwe bewoners ervan op de hoogte moeten worden gesteld dat de vervanging van de motoren van de liftinstallatie niet in de reservering is opgenomen, waarbij de in 2022 te verwachten kostenpost is vermeld (zie feitenoverzicht 3.2.4). Dat verslag is nota bene door [geïntimeerden] zelf opgesteld. 3.4.
- Dat betekent dat [geïntimeerden] tekort is geschoten in de nakoming van de verbintenis die was overeengekomen in artikel 13.3 van de koopovereenkomst. De schade 3.5.
- [geïntimeerden] is verplicht de schade die [appellanten] lijdt te vergoeden. De schade bestaat erin dat [appellanten] geconfronteerd werd met een kostenpost waar hij geen rekening mee kon of hoefde te houden. [appellanten] hoefde niet te verwachten dat hij uit eigen middelen nog een betaling moest verrichten met betrekking tot het onderhoud van het appartementsgebouw. 3.5.
- De rechtbank heeft de vordering van [appellanten] afgewezen als onvoldoende onderbouwd. Het hof is van oordeel dat [appellanten] in hoger beroep de schade wel voldoende heeft onderbouwd. [appellanten] heeft dat in hoger beroep gedaan door de e-mails van [bedrijf] van 10 en 11 april 2024 over te leggen (zoals hiervoor weergegeven in 3.2.7). [appellanten] heeft ook facturen en betaalbewijzen overgelegd. De VvE heeft in totaal € 38.959,58 (incl. btw) betaald aan het moderniseren en reviseren van de lift. 3.5.
- Tijdens de op 21 april 2022 gehouden vergadering heeft de VvE besloten dat € 31.399,50 (incl. btw) moet worden beschouwd als kosten voor vervanging van de machinekamer en besturing en dat dit het bedrag is voor de onderdelen van de lift waarvoor in 2007 niet is gereserveerd (zie 3.2.6). De VvE heeft besloten dat dit het bedrag is dat de eigenaren moeten betalen, zoals in 2007 werd voorzien en aangekondigd. [geïntimeerden] heeft de juistheid van dit bedrag betwist. Volgens hem is het bedrag dat is besteed aan de posten waarvoor niet was gereserveerd, veel lager, zodat [appellanten] veel minder schade lijdt. [geïntimeerden] meent namelijk dat de werkzaamheden voor een groot deel betrekking op modernisering, terwijl het uitsluitend kan gaan om ‘machine en besturing’. Het hof verwerpt dit verweer van [geïntimeerden] . [geïntimeerden] ziet over het hoofd dat de VvE hierover een beslissing heeft genomen. Het was aan de VvE om te bepalen welk gedeelte van het aan [bedrijf] betaalde bedrag zag op onderdelen waarvoor wel was gereserveerd en welk gedeelte nog door de appartementseigenaren moest worden betaald. Dat besluit is genomen en [geïntimeerden] heeft niet aangevoerd dat of waarom dat besluit niet geldig is of waarom het hof aan dat besluit zomaar voorbij zou kunnen of moeten gaan. Hetzelfde geldt overigens voor de vraag of de lift al in 2022 toe was aan revisie of dat daartoe op dat moment nog geen noodzaak bestond. Om dezelfde redenen passeert het hof het betoog van [geïntimeerden] dat de VvE op andere kosten, waarvoor wel gereserveerd was, heeft bespaard. Zelfs als dit zo is, doet dit namelijk niet af aan de geldigheid van het besluit van de VvE om uitvoering te geven aan het besluit van 2007 en de kosten waarvoor niet gereserveerd is en die ten laste van de eigenaren zou komen, ook daadwerkelijk in rekening te brengen bij de eigenaren. 3.5.
- Overigens is het hof van oordeel dat er onvoldoende reden is om te twijfelen aan de juistheid van dit besluit van de VvE. Uit de genoemde e-mails van 10 en 11 april 2024 blijkt dat van vier van de in de offerte genoemde bedragen € 6.219,00 volledig en € 19.731,00 voor een belangrijk deel betrekking hebben gehad op de posten waarvoor niet was gereserveerd. Vanwege de samenhangende wijzigingen van de lift, zijn die posten blijkbaar niet helemaal uit elkaar te trekken. Dat blijkt ook uit de offerte, waarin Lifttechniek schrijft dat de componenten die zij adviseren te moderniseren dusdanig onlosmakelijk verbonden zijn dat als de mogelijkheid al zou bestaan om deze componenten separaat te vervangen, dat prijstechnisch zeer ongunstig is. Daarom adviseren zij de werkzaamheden als totaalpakket uit te voeren. Daarbij komt dat in 2007 slechts een inschatting is gemaakt van wat de kosten zouden zijn waarbij slechts summier is omschreven wat wel en wat niet onder de reservering zou vallen. Ook om die reden valt niet in te zien dat van [appellanten] kan worden gevergd dat hij nader toelicht (méér dan hij heeft gedaan) waarom de VvE het genoemde bedrag heeft aangemerkt als betrekking hebbend op de posten waarvoor niet was gereserveerd. 3.5.
- Als al niet uitgegaan zou mogen worden van het besluit van de VvE, dan zou het hof van oordeel zijn dat de schade niet nauwkeurig is vast te stellen. Dat zou reden zijn om de schade te schatten (artikel 6:97 BW). [geïntimeerden] heeft er destijds rekening mee gehouden dat het zou gaan om € 6.100,-, terwijl het nu blijkt te gaan om € 4.766,-. Het hof ziet daarom niet in waarom de schade niet op dit lagere bedrag geschat zou kunnen worden. 3.5.
- [geïntimeerden] heeft ook nog aangevoerd dat er, voor het antwoord op de vraag of schade is geleden, gekeken moet worden naar de situatie dat het besluit niet was genomen en er wel gereserveerd was. In dat geval had er volgens [geïntimeerden] ten tijde van de levering € 2.985,- meer in het reservefonds gezeten, hetgeen zich had vertaald in een hogere koopsom. Tegelijkertijd hoefde [appellanten] dan maandelijks minder te sparen, omdat er al een bedrag in het reservefonds zat, hetgeen voor hem weer een voordeel opleverde. Het hof is van oordeel dat dit door [geïntimeerden] genomen uitgangspunt onjuist is. Het gaat er niet om wat er zou zijn gebeurd als de VvE in 2007 een ander besluit had genomen. Het gaat erom dat [geïntimeerden] heeft verklaard ervoor in te staan dat er geen besluit genomen is door de VvE waaruit -kort gezegd- nog een latente verplichting kan voortvloeien doordat sprake is van gepland onderhoud waarvoor niet gereserveerd is. Daarin is [geïntimeerden] tekortgeschoten. Het gaat er dan om wat de situatie zou zijn als er geen besluit lag met een latente verplichting. In dat geval zou [appellanten] niet geconfronteerd zijn met een rekening, waarmee hij geen rekening hoefde te houden. 3.5.
- Kortom, het hof acht het door [appellanten] gevorderde bedrag toewijsbaar. [appellanten] heeft wettelijke rente gevorderd over de schadevergoeding. Daartoe heeft hij aangevoerd dat [geïntimeerden] in verzuim is vanaf 6 april 2022 nadat hij hem op 30 maart 2022 had aangeschreven om zijn schade te vergoeden. Aangezien [geïntimeerden] dat niet heeft betwist zal het hof de wettelijke rente toewijzen vanaf 6 april
- Enkele afrondende overwegingen 3.6.
- Aangezien het hoger beroep van [appellanten] slaagt, moet het hof nog de verweren beoordelen die [geïntimeerden] heeft gevoerd in eerste aanleg (die niet al hiervoor zijn besproken), voor zover deze verweren van belang zijn voor de beoordeling van de vordering. 3.6.
- [geïntimeerden] heeft aangevoerd dat [appellanten] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vordering, omdat hij in strijd heeft gehandeld met de artikelen 21 en 111 lid 3 Rv. Subsidiair heeft hij gevraagd om in de proceskostenveroordeling hiermee rekening te houden. Het hof ziet daarvoor geen aanleiding. Zoals de kantonrechter (terecht) heeft overwogen heeft [geïntimeerden] voldoende gelegenheid gehad zich te verweren. Hij is niet in zijn processuele belangen geschaad. 3.6.
- [geïntimeerden] heeft ook nog mededelingen gedaan over enkele voorafgaand aan deze procedure gevoerde schikkingsonderhandelingen. Volgens [geïntimeerden] is ook om die reden minder toewijsbaar. Uit hetgeen [geïntimeerden] daarover heeft toegelicht volgt dat het totale aan [appellanten] aangeboden bedrag, lager was dan het bedrag dat het hof toewijsbaar acht. Om die reden ziet het hof niet in waarom dit zou moeten leiden tot een matiging van de proceskosten. 3.6.
- Uit het voorgaande volgt dat het hof de subsidiaire en meer subsidiaire grondslagen van de vordering niet hoeft te beoordelen en dat het hof ook niet toekomt aan bewijslevering. De slotsom 3.7.
- De slotsom is dat het hoger beroep slaagt en dat het hof het vonnis zal vernietigen. Het hof zal € 4.766,- toewijzen te vermeerderen met wettelijke rente. 3.7.
- Het hof zal [geïntimeerden] als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van beide instanties veroordelen. De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van [appellanten] zullen worden vastgesteld op: explootkosten € 130,56 griffierecht € 244,00 salaris gemachtigde € 660,00 Totaal € 1.034,56 De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [appellanten] zullen vastgesteld worden op: explootkosten € 261,12 griffierechten € 349,00 salaris advocaat € 858,00 (1 punt x tarief I) nakosten € 178,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 1.644,12 [geïntimeerden] is steeds aangeduid in enkelvoud, maar niet alleen [geïntimeerden] maar ook [geïntimeerde 2] is geïntimeerde. Bij een veroordeling van twee partijen tot betaling van de proceskosten, geldt als uitgangspunt dat zij ieder voor het geheel aansprakelijk zijn en dus hoofdelijk zijn verbonden tot nakoming van die veroordeling. Het hof zal hen dus hoofdelijk veroordelen. Het hof zal de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals gevorderd. 4De uitspraak Het hof: veroordeelt [geïntimeerden] en [geïntimeerde 2] hoofdelijk om € 4.766,- aan [appellanten] te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 6 april 2022 tot de dag van de algehele voldoening; veroordeelt [geïntimeerden] en [geïntimeerde 2] hoofdelijk in de proceskosten van de eerste aanleg van € 1.034,56 en van het hoger beroep van € 1.644,12 te betalen binnen veertien dagen na heden; als [geïntimeerden] en [geïntimeerde 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het arrest daarna wordt betekend, dan moeten zij € 92,- extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening; verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad. Dit arrest is gewezen door mrs. M. van Ham, S.M.J. Korthuis-Becks en W.F.R. Rinzema en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 11 maart
- griffier rolraadsheer